Ayako
From PopularCultureWiki
Contents |
Inleiding
Het verhaal van Ayako speelt zich af in het naoorlogse Japan dat onder Amerikaanse bezetting in een ‘democratie’ moet veranderen. Daartoe worden op nationale schaal hervormingen in het bezit van landbouwgrond doorgevoerd, en zo ook in Yodoyama, een afgelegen gebied ten noorden van Tokyo. Een familie grootgrondbezitters, de Tenge, deelt er sinds jaar en dag de lakens uit, maar het einde van hun hegemonie is in zicht. Een van de zonen, Jirō Tenge, die als krijgsgevangene heeft vastgezeten en net gerepatrieerd is, werkt voor de geheime diensten van Amerika. Bij zijn terugkeer stelt hij vast dat zijn familie in een wantoestand verkeert. Zijn ‘zusje’ Ayako, dat omwille van haar afkomst vervloekt is, wordt het slachtoffer van een machinatie.
Auteur
Tezuka Osamu (手塚治虫)
Zoals zijn bijnaam, manga no kamisama (漫画の神様), doet vermoeden, werd hij tijdens zijn leven als een god aanschouwd. Hij is de pionier van de nieuwe manga (漫画) en anime (アニメ) na de Tweede Wereldoorlog. In het buitenland wordt hij vaak bestempeld als de Walt Disney van Japan, maar hij was echter meer dan dat. Hoewel hij niet dezelfde zakelijke capaciteiten als Walt Disney bezat, bleek hij een genie die zich in vele gesprekken thuis voelde: het perfecte voorbeeld van een man die op het juiste moment, de juiste beroepskeuze nam, dit onafgezien van zijn voorafgaande studies. Zijn hart lag dan ook bij het striptekenen. Zijn grote vraag, zoals die van vele mensen, was "de betekenis van het leven" en zijn medium voor deze queste naar "de zin" werd de manga. Hij is het grote voorbeeld voor de top mangaka (漫画家) van vandaag.
Tezuka werd geboren op 3 november 1928 in Toyonaka (豊中), Ōsaka (大阪) en groeide op in het nabijgelegen Tarakazuka (宝塚). Al snel werd duidelijk dat hij een zeer goede tekenaar was. Hij had een fascinatie voor insecten, ving deze en maakte er bijna fotografische, zeer gedetailleerde tekeningen van. Ziin aandacht ging vooral uit naar een bepaald soort kever, osamushi (筬虫), vandaar de latere naam voor zijn studio Mushi Productions en het gebruik van het karakter ‘kever’ in zijn naam. Zijn vader, een enorme filmfan, bezat als een van de weinigen in die tijd een projector. De invloed van film en buitenlandse animatie is dan ook te zien in het werk van Tezuka.
Op 17-jarige leeftijd, direct na de Tweede Wereldoorlog, begon hij op professioneel niveau strips uit te brengen, dit terwijl hij zijn studies geneeskunde nog afmaakte. Eerst bracht hij de toen populaire vierpanelige strips uit voor de Japanse krant Mainichi Shinbun (毎日新聞). Maar hij zocht meer te doen met het medium strip en in 1947 bracht hij de eerste manga met een lang verhaal uit, Shintakarajima (新宝島). Hij werd vooral beïnvloed door de Duitse en Franse films en probeerde de cinematografische technieken over te nemen in zijn stripverhalen. Ook de Amerikaanse animaties van bijvoorbeeld Max Fleischer en Walt Disney boeiden hem. Hij nam de tekenstijl van de personages, voor een betere emotieve expressie, over en ging ook de actie over verschillende vakjes verdelen. De strips werden bijgevolg veel langer en konden variëren van 150 bladzijden tot een duizendtal. Dit vormde het beginpunt van de story manga (ストーリー漫画). Van Shintakarajima werden in die tijd, waar mensen amper geld hadden voor eten, maar liefst 400.000 exemplaren verkocht.
In de periode die volgde, publiceerde hij enkele werken die nu tot de klassiekers van de mangawereld behoren, zoals Atomu taishi (アトム大使), dat later evolueerde tot Tetsuwan atomu (鉄腕アトム Astroboy) en "Jangeru taitei" (ジャンゲル大帝 "Kimba the lion"); eerst in magazines, ondermeer "Shōnen kurabu" en "Shōnen" en hierna in comic-vorm. Hij ontwikkelde zijn strips verder met onderliggende thematiek, sterk uitgewerkte menselijke personages en ingewikkelde plots. Er is weinig sprake van zwart-wit afschildering, de personages zijn niet 2-dimensoniaal, maar complex en gebrekkig. "De slechterik" in het verhaal heeft bijvoorbeeld ook zijn redenen voor zijn levensstijl en bezit ook goede karaktertrekken.
In 1962 had Tezuka genoeg geld verdiend om zich ook op anime te storten en hij richtte Mushi Productions op. Zij brachten de eerste zwart-wit anime, een remake van de populaire manga Tetsuwan atomu. Anime was meer iets commercieels voor Tezuka en hij besteedde er ook weinig aandacht aan; het geld dat hij verkreeg van de verkoop van zijn strips, verloor hij in de anime-business. Dit leidde dan ook tot het faillisement van Mushi Productions” in 1973. Het enige wat het productiehuis naliet, zijn de vele mangaka die hier onderricht genoten en later zeer bekend zijn geworden.
De volgende decennia reisde hij de hele wereld af om zijn werk te promoten, gelijktijdig bleef hij strips maken. Omdat hij het meeste werk van de strips op zich nam en deze afgewerkt moesten worden binnen een bepaalde deadline, sliep hij ’s nachts heel weinig. Ook liep hij steeds rond met verscheidene ideeën voor volgende strips en hij probeerde zoveel mogelijk informatie te vergaren onderweg. Zijn drukke leven eiste dan ook zijn tol en had een invloed op zijn gezondheid en levenskwaliteit. Hij liet echter nooit zien aan de buitenwereld dat hij ziek was en had altijd tijd om fans met een glimlach te beantwoorden of een gepersonaliseerde tekening te maken van een van zijn personages. Ook werd de concurrentie aanzienlijk groter en in de jaren ‘80 werd Ōtomo Katsuhiro (大友克洋) de nieuwe lieveling van het publiek.
Op 9 februari 1989 stierf Tezuka aan maagkanker, de hele Japanse natie leefde mee. Zijn overlijden en uitvaartceremonie kreeg zelfs meer aandacht dan die van keizer Hirohito (裕仁), die enkele weken eerder stierf. Hij liet nog enkele onvoltooide mangawerken achter waaronder zijn twaalfdelig levenswerk "hi no tori" (火の鳥) Phoenix,+/- 3000 blz.), tevens zijn meest filosofische werk. Na zijn dood leefde hij nog verder in de gedachte van de Japanse bevolking: vanaf het moment waarop hij stierf tot in 1995 werden er maar liefst 50 miljoen exemplaren van zijn manga verkocht. In 1994 werd in het dorp waar hij zijn jeugd doorbracht, Takarazuka, een museum opgericht dat zijn naam draagt.
Synopsis
Ayako kan best omschreven worden als een verhaal geschreven in kroniekstijl, te vergelijken met Westerse filmreeksen als La Meglio Gioventu of de Heimat-reeks. De hoofdpersonages, waarvan Jirō (仁朗) en Ayako (寄子) de belangrijkste zijn, maken allen deel uit van de grootgrondbezittersfamilie, Tenge 天下, gevestigd in een rurale streek in de omgeving van Yodoyama 淀山.
Het verhaal vangt aan na de Tweede Wereldoorlog, wanneer de tweede zoon van de familie, Jirō , terugkeert uit de oorlog. De oorlogsperiode heeft verandering gebracht in de samenstelling van de familie en hem een nieuwe “zus” geschonken, Ayako, die tot Jirō's grote verbazing niet de dochter van zijn vader en moeder is. Al snel wordt duidelijk dat de pater familias, Sakuemon (作右衛門), niet erg tuk is op het wederkeren van zijn zoon Jirō, omdat deze niet met volle overgave voor zijn land gevochten heeft (lees: niet gestorven is voor het vaderland), hetgeen in het toenmalige Japan door sommigen als een schande werd aanzien. Niet alleen is Jirō heelhuids teruggekeerd,maar hij werkt daarenboven ook als spion voor de bezetters. Wanneer hij in opdracht voor de Amerikaanse geheime dienst een delicate missie moet uitvoeren, loopt het echter helemaal mis. Omdat Ayako te veel weet en de naam van de familie Tenge op het spel komt te staan, wordt ze voor dood verklaard en belandt ze in een afgesloten schuur.
In het tweede volume ziet men hoe Ayako met de hulp van de jongste broer uit de Tenge familie, Shirō 伺朗, opgroeit in haar afgesloten omgeving. Shirō wil niet alleen Ayako helpen opgroeien, maar streeft ook naar gerechtigheid en probeert de lokale politie hulp te bieden in het onderzoek naar de onopgeloste zaak (de missie van Jirō). Jirō zelf is reeds een nieuw leven begonnen onder een nieuwe identiteit in de hoofdstad. De oudste der Tenge-zonen, Ichirō, is in de ban van slechts één ding, het landgoed, terwijl het levenseinde van de vader met rasse schreden nadert.
Het laatste deel speelt zich voornamelijk af in de hoofdstad, waar Ayako, gevlucht uit haar vertrouwde habitat, op zoek gaat naar de persoon die haar maandelijks geld op een rekening stort. De aanpassing aan de normale wereld en de voor andere mensen normale gedragingen in dagdagelijkse situaties zijn niet vanzelfsprekend voor Ayako en maken haar verblijf in de “nieuwe wereld” intrigerend. Alles eindigt waar het verhaal begonnen was, dit wil zeggen in Yodayama, en dit op een wel zeer ironische manier.
Naast de grote verhaallijn is het hele verhaal verweven met historische verwijzingen en geeft het goed de woelige sfeer van de naoorlogse periode weer.
Personages
Hier volgt een lijst van de belangrijkste personages, gegroepeerd per “familie”. We vermelden hier, omwille van hun historische belang, ook figuren die sporadisch of vluchtig in het verhaal aan bod komen.
Tenge-familie (天下)
De Tenge’s zijn grootgrondbezitters die leven in de omgeving van Yodoyama(淀山), een provinciestad die (volgens de auteur) in de Aomori-prefectuur (青森県) ten noorden van Japan gelegen is.
Sakuemon (作右衛門)
Sakuemon is een archetypische landheer die in de voortwoekerende feodale boerenmaatschappij van het naoorlogse Japan de scepter zwaait over zijn domein en entourage. Deze almachtige pater familias beantwoordt aan de meest pejoratieve kwalificaties: hoogmoedig, gewetenloos, losbandig, geil ... Met tegenzin ondergaat hij de landbouwhervorming van 1946, die hem berooft van het overgrote deel van zijn eigendom. (Op de communistische hervormingen na was dit trouwens een van de radikaalste hervormingen die op het vlak van het bezit van landbouwgrond werden uitgevoerd.)
Iba (ゐば)
Iba speelt de bescheiden rol van “moeder de vrouw” die volledig aan haar echtgenoot Sakuemon toegewijd is. De ironie van het lot wilt dat zij als enige overblijft om toe te zien op het Tenge-domein.
Ayako (奇子)
De jongste Tenge-telg, vrucht van de vleselijke gemeenschap tussen Sakuemon en diens schoondochter Sue, is reeds vanaf haar prille jeugd de arme speelbal van het noodlot. Wanneer zij als peuter getuige wordt van een laag-bij-de-grondse misdaad waarbij haar broer Jirō betrokken is, besluiten de Tenge’s in onderlinge overleg om haar van de burgerlijke stand te schrappen en zodoende de eer van de familie te redden. Terwijl Ayako wordt opgesloten in de kelder, voert men haar begrafenis als schijnvertoning op. Het onschuldige meisje leeft drieëntwintig jaar in volledige afzondering en ontwikkelt door de langdurige isolatie perverse gedragingen. Toch slaagt de jonge Hanao er bijna in om haar met zijn liefde te redden. Voor het eerste deel van de voornaam gebruikte Tezuka in plaats van de gebruikelijke kanji een karakter dat onder meer “Aya” kan worden gelezen maar dat staat voor wat “vreemd, eigenaardig” is. “Ayako” betekent dus “eigenaardig meisje” of “meisje met het vreemde lot”. Dit lot biedt haar ook de kans om heuse wraak te nemen.
Jirō (仁朗)
Nadat hij als krijgsgevangene heeft vastgezeten, keert hij in januari 1949 terug naar zijn familie. Uit ontgoocheling, cynisme en ook overlevingsdwang gaat hij voor de Amerikaanse geheime diensten de smerige karweitjes opknappen. Tijdens de Koreaanse oorlog, die uitbreekt op 25 juni 1950, ziet hij de kans schoon om zich te verrijken. Met deze nieuwe wending verzinnebeeldt hij de naoorlogse Japanse natie die bliksemsnel uit zijn as is herrezen dankzij de gunstige omstandigheden die het conflict in het naburig land schiep. Hij begint met een schone lei onder de nieuwe naam Yūtenji Tomio〈祐天時富夫〉en hij slaagt erin zich op te werken tot baas van een yakuzabende. Het enige contact dat hij met zijn familie onderhoudt, beperkt zich tot de regelmatige verzending van geld naar zijn zusje Ayako, voor wie hij een troebele liefde koestert en in wier persoon hij een middel tot boetedoening en verlossing probeert te vinden.
Ichirō (市郎)
De oudste Tenge-zoon zou er een eed op durven doen dat hij onverdeeld van zijn vader zal erven. Hij doet in gemeenheid niet onder voor zijn ouwe, maar hij mist diens ijzeren persoonlijkheid. Gevoed door eigenbelang en gevoelens van haat suggereert hij op de familieraad om Ayako te laten ‘verdwijnen’. Wanneer hij tot zijn grootste ergernis ontdekt dat hij niet tot enige erfgenaam is aangewezen, deinst hij er niet voor terug zijn vrouw te wurgen. Maar deze daad achtervolgt hem zodanig dat hij mettertijd zijn toevlucht zal nemen tot de drank en geleidelijk krankzinnig wordt.
Sue (すえ)
De vrouw van Ichirō en tegelijk biologische moeder van Ayako gaat gebukt onder de last van het leven. Zij schikt zich bereidwillig in haar lot en vertegenwoordigt de tegenpool van Naoko, dit wil zeggen de onderworpen vrouw. Sakuemon had door dat hij profijt kon trekken uit de verbintenis tussen Sue en Ichirō en zorgde ervoor dat ze werd uitgehuwelijkt aan zijn oudste zoon. Sindsdien eigent hij zich het recht toe om haar seksueel te misbruiken. In ruil voor de erfenis laat Ichirō de wippartijen tussen zijn vader en vrouw oogluikend toe. Wanneer Sue zich uiteindelijk durft te verzetten, moet ze haar insubordinatie met de dood bekopen.
Naoko (志子)
De oudste Tenge-dochter is een actief lid van de Volkspartij der Arbeiders (民進党 みんしんとう politieke partij die Tezuka verzon naar het voorbeeld van de toenmalige linkse partijen, cfr. de Communistische Partij van Japan 日本共産党), een idealist en een overtuigde militant. Zij is het symbool van een nieuwe vrouwengeneratie die strijd voert tegen de onderwerping van het zwakke geslacht. Daarom wordt ze door haar vader en vervolgens door Ichirō verbannen. Nog later wordt ze door de overheid achterna gezeten.
Shirō(伺朗)
De jongste zoon van de Tenge-familie is een pienter kereltje. Een sterke zin voor gerechtigheid noopt hem ertoe zijn eigen broer Jirō te beschuldigen, maar ditzelfde verlangen naar rechtvaardigheid verandert naderhand in geveinsde passiviteit. Hoewel hij ook lijdt onder de laagheid en gemeenheid van zijn familie, maakt hij zichzelf vuil aan incest met Ayako. Hij brengt de fatale ontknoping van dit tragische verhaal op gang.
Yamazaki(山崎)
Yamazaki is een bloedverwant annex huisarts van de Tenge-familie. Hij is een lafaard die zijn intelligentie alleen gebruikt om zijn hebzucht te dienen. Ook hij stemt op de familieraad voor de opsluiting van Ayako. Vervolgens zet hij zijn zinnen op de erfenis, die echter voor het kind bestemd is. Hij probeert haar te verkrachten en later oppert hij om haar voorgoed uit de weg te ruimen.
Oryō (お涼)
Het zwakzinnige dienstmeisje Oryō heeft Sakuemon via ongewenste intimiteiten verwekt bij de echtgenote van een van zijn boerenknechten. Zij is dikke vriendjes met de kleine Ayako en wordt door Jirō verzopen wanneer hij ontdekt dat zij een vervelende ooggetuige is. Hoewel zij slechts een bijrol speelt, laat haar gruwelijke dood niet onberoerd. Omwille van haar eenvoudigheid van geest is zij tenslotte ook de eerlijkste personage.
SCAP (Supreme Command of the Allied Powers) en geheime diensten
Generaal Mac Arthur Douglas (1880-1964)
Deze historische personage, in het verhaal en passant vermeld, was van 1945 tot 1951 de opperbevelhebber van de Amerikaanse bezettingsmacht in Japan. Hij had het plan opgevat om Japan om te vormen tot een democratie.
Yoshida Shigeru (吉田茂)(1878-1967)
Deze ook terloops vermelde historische personage fungeerde tot vijf keer als Eerste Minister van Japan tussen 1946 en 1954. Hij was een conservatieve figuur en onderhield exclusieve banden met de SCAP. Zelfs buiten zijn mandaten had hij enorm veel invloed op de Japanse politiek.
Chef van de generale staf Willoughby Charles A. (1892-1972)
Deze historische personage, eveneens langs de neus weg genoemd, leidde als naaste medewerker van Mac Arthur de inlichtingen- en contraspionagedienst van het leger (CIC). In Japan gebruikte hij yakuza en leden van extreem-rechts om bijvoorbeeld aanhangers van links uit het zadel te lichten. Hij werd door Mac Arthur ‘my little fascist’ genoemd en schopte het na de oorlog tot raadsman van Franco in Spanje. Dat zijn persoonlijke dossiers niet werden teruggevonden maakt het de historici moeilijk om de omvang van zijn geheime activiteiten in te schatten.
Kolonel Cannon J.Y.
Deze echt bestaande personage wordt vluchtig vermeld als iemand die in connectie staat met de “Cannon-organisatie”, een van de duistere groepen die onder leiding van de geheime diensten met andere gelijkaardige “bureaus” zoals die van Hattori (服部, Katō, ... actie voerde om Japan te beschermen tegen het zogenaamde communistische gevaar.
Luitenant Kinoshita Fred (木下.フレッド)
Hij is een fictieve Amerikaanse officier die de opdrachten van de geheime diensten moet doorgeven aan Jirō Tenge meteen na diens terugkeer in Japan. Met deze personage wordt een toespeling gemaakt op de Japanse emigranten die zich in de drie decennia voor de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Amerika (o.a. in Brazilië) en de Verenigde Staten gevestigd hebben, alwaar zij op talrijke problemen zouden stuiten tijdens de oorlog.
Machiko (マチコ)
Machiko is een spionne die de opdracht krijgt Jirō uit te schakelen maar faalt in haar taak. Ze beseft dat deze blunder haar niet in dank zal worden afgenomen door haar superieuren en komt tot een schikking met Jirō. Ze slaat samen met hem op de vlucht, maar hun geforceerde relatie heeft te lijden van de klopjacht waarvan zij het doelwit zijn. Het enige ding dat de wrede Machiko bezighoudt is haar eigen hachje redden. Ze moedigt Jirō aan om Ayako en Oryō van kant te maken. Maar Jirō, die haar steeds minder vertrouwt, liquideert haar uiteindelijk. Even tevoren had zij het jawoord gegeven aan kapitein Dave Braver, een Amerikaanse officier die haar voor de zoveelste maal een huwelijksaanzoek had gedaan. Ze doet denken aan de Japanse juffrouwen die onder de bezetting de kans schoon zagen om het door de oorlog verwoeste land te verlaten.
Kinjō Gosei (金城呉成)
Hij hoort bij de Koreaanse minderheid die na de overgave in Japan bleef. Tijdens zijn eerste ontmoeting met Jirō, vraagt hij laatsgenoemde een bom te plaatsen op de militaire basis van Itami (伊丹). Later maakt hij carrière als de rechterhand van maffioso-baas Jirō-Tomio. Tot slot blijkt hij de initiatiefnemer te zijn van een reeks zuiveringsacties waarmee de geheime diensten bepaalde agenten buitenspel wilden zetten.
Slachtoffers spoorwegincidenten
Historici hebben nog niet met zekerheid kunnen bevestigen dat deze voorvallen door de Verenigde Staten werden beraamd om links te ondermijnen. De Amerikaanse inspanningen om de democratie en vakbonden in Japan uit de grond te stampen hebben de opgang van links zodanig bevorderd dat de Amerikaanse autoriteiten het paradoxaal genoeg zelf welletjes begonnen te vinden. Toen de koude oorlog voor de deur stond, besloten ze het over een andere boeg te gooien. Terwijl het incident van Yodoyama 〈淀山〉fictief is, hebben die van Mitaka (三鷹) en Matsukawa (松川)werkelijk plaatsgevonden. De details die werden weergegeven, zijn waarheidsgetrouw (p.56 en 57 van volume 2).
Shimokawa Naoyuki(霜川)
Shimokawa Naoyuki is de voorzitter van de Nationale Spoorwegmaatschappij van Japan en vertoont veel gelijkenissen met de historische Sadanori Shimoyama (下山定則)(1901-1949), wier geschiedenis overeenstemt met de feiten die Tezuka beschrijft in volume 1. Nadat Shimoyama jarenlange ervaring heeft opgedaan in het domein van de spoorwegen, werd hij in 1948 benoemd tot vice-minister van Vervoer. In juni 1949 nam hij de functie aan van voorzitter van Japan National Railway (JNR). Op 5 juli verdween hij tijdens een bezoek aan het warenhuis Mitsukoshi. Zijn lichaam, die door een trein aan stukken gescheurd was, werd in de nabijheid van het station van Ayase teruggevonden. De dag voor zijn dood had de Yoshida-regering massale ontslagen afgekondigd. Na onderzoek meenden sommigen dat het om zelfmoord ging, anderen beweerden dat de bezettingsmacht een aandeel heeft gehad in deze affaire.
Eno Tadashi (江野正)
Eno Tadashi bekleedt de post van afdelingssecretaris van de Volkspartij der Arbeiders. Wanneer hij zoals Naoyuki Shimokawa in een verdachte treinongeval omkomt, zal Naoko Tenge, zijn aanstaande, hem eeuwige liefde betuigen en naar wraak blijven dorsten. Eno’s dubbelganger speelt een kleine rol in deze zaak.
Handhavers van het recht
Tanuma (田沼)
Tot aan zijn dood stelt de oude commissaris van Yodoyama, een ervaren en scherpzinnige vakman, alles in het werk om de waarheid aan het licht te brengen. Hij linkt de zaak van het treinongeval van Yodoyama met het tragische einde van Shimokawa.
Geta (下田)
De koppige, doortastende commissaris van de eerste brigade van de hoofdcommissariaat van politie te Tokyo neemt bij de dood van zijn voormalige superieur Tanuma, wiens geestelijke erfgenaam hij is, het onderzoek over en achtervolgt Jirō-Tomio. Hij heeft veel weg van Dick Tracy.
Geta Hanao (下田波奈夫)
De zoon van commissaris Geta bereidt zich voor op een magistratencarrière. Hiermee zou hij voldoen aan de verwachtingen van zijn moeder, van wie hij een bijzondere afkeer tegen alle vormen van onrecht heeft overgeërfd. Hij wordt echter vroegtijdig van het leven beroofd en zal zijn opleiding niet kunnen afmaken. Met zijn oprechte liefde geeft hij Ayako hoop op een normaal leven. Hij is de enige niet-Tenge die hetzelfde trieste lot als de leden van de grootgrondbezittersfamilie ondergaat.
Yakuza en politici
Tezuka duidt hier op het feit dat politici gemene zaak maken met yakuza.
Ichōkai 銀杏会 (Yamanonaka-bende 山ノ中) en Ōshinkai 桜辰会(die zich heeft aangesloten bij de Sakikawa-bende 崎川)
Deze mafieuze organisaties wedijveren met elkaar en konkelfoezen met de hogere sferen van de politieke wereld. Hun namen kunnen vertaald worden naar “Vereniging van de ginkgo” en “Vereniging van de kerselaar en de draak” (twee symbolen met sterk nationalistische connotaties). Ondanks de inspanningen van Jirō-Tomio om de vrede tussen de twee rivaliserende bendes in stand te houden, groeien de spanningen uit tot een bloedig treffen. De afrekening herinnert ons aan “Battles Without Honor and Humanity” (仁義なき戦い), een van de betere yakuzafilms die Fukasaku Kinji (深作欣二) in de jaren‘70 heeft geregisseerd (zie p.138 van volume 3). Deze in 2003 overleden filmmaker, wiens “Battle Royale” ook al heel wat stof heeft doen opwaaien, drukte met diens kritische visie op de naoorlogse Japanse maatschappij zijn stempel op het yakuza-genre.
Moriden(森伝)
Moriden, de leider van de Ichokai-bende, is diep onder de indruk van Yūtenji Tomio’s kennis van zakendoen. Deze laatste probeert zijn rivaal te paaien door gebruik te maken van diens onwetendheid, en stelt hem in verbinding met Idobata, de staatssecretaris van Ruimtelijke Ordening, die hem een groot werfproject aanbiedt.
Yanagida(柳田)
Yanagida is een malafide politicus die van de maffia geld ontvangt voor zijn partij. Omdat hij over een belangrijke kennissenkring beschikt, dreigt Yūtenji hem uit de biecht te klappen om meer te kunnen vernemen over de duistere Yodoyama-zaak.
Taalgebruik
Met dit werk bewijst Tezuka dat hij niet alleen bedreven is in de tekenkunst en de opbouw van sterke plots, maar dat hij ook de Japanse taal op verschillende niveau’s beheerst, gaande van scheldwoorden tot idiomen.
Onomatopeeën en mimesis
Zoals het een behoorlijke manga betaamt, staat ook Ayako bol van de onomatopeeën (woord dat de stem of het geluid van een levend wezen of levenloos ding uitdrukt) en mimesis (woord dat het symbolische geluid van een actie of toestand uitdrukt), oftewel giongo (擬音語) en gitaigo (擬態語) in het Japans. Sommige mensen beschouwen deze woorden als kinderlijk taalgebruik, maar binnen het Japans vormen ze een waarlijke categorie van grammaticale uitdrukking. Echter, in tegenstelling tot de doorsnee-manga zijn de tekstballonnen in Ayako niet doorspekt met deze stijlmiddelen. Tezuka gaat hier spaarzaam mee om en heeft de voorrang gegeven aan volle tekst in de vorm van uitgesponnen dialogen, af en toe onderbroken door, zoniet verfraaid met een sterk staaltje proza.
Kindertaal
p.18-20 (II) Sue bedient zich van kindertaal wanneer ze tot peuter Ayako spreekt.
Volkstaal
De Tenge’s mogen zich weliswaar de status van grootgrondbezitters aanmeten, het blijven boeren die op de buiten leven, getuige hiervan de monoloog van moeder Iba.
- p.180 (II): “とうさんはな...えれえ人じゃった。おまえたちがとうさんのことをどう思うとるかわだすはようわかっとったが、どんなかってなことをすても...........とうさんはわだすの大切な人じゃった。”
- Het persoonlijke voornaamwoord 私 neemt verschillende vormen aan: わだす、わし。
- De syllabe し verandert vaak in す:
しても -> すても
わたし -> わだす
- De neiging om van stemhebbende medeklinkers stemloze klinkers te maken en omgekeerd, vind je hier en daar terug.
- In plaats van het werkwoord van existentie いる wordt niet zelden おる gebruikt.
Boeddhistische taal
- p.182-184, 192 (II): “般若波羅蜜多時照見五蘊皆空度一切苦厄舎利子色不異空” ... Tijdens de uitvaartplechtigheid van de overleden pater familias houden boeddhistische monniken een preek. Kenmerkend voor een dergelijk sermoen is het aan een stuk door reciteren van kango (漢語, woorden van Chinese oorsprong), het achterwege laten van woordflexies en partikels waarmee men de functie van een woord binnen de zin kan achterhalen. Wij verkeerden in de onbekwaamheid deze litanie te vertalen.
Yakuzataal
Het is de gewoonte ook in de yakuzataal, zoals bij de jongerentaal, vlotter te spreken en partikels en dergelijke weg te laten. Ook zijn er verschillen in de uitspraak van bepaalde woorden, hoewel deze moeilijk te onderscheiden zijn in geschreven tekst. Deze kunnen wel herkend worden in het veranderen van de klinkers (vb.いい -> ええ) of het inslikken van klinkers (vb.それは -> それや, klinkt als sorea). Ook hebben zij een eigen vocabularium dat tegenwoordig meer binnendringt in het moderne Japans (vb.てめえ、己、野郎、ポリ). Hier volgen enkele voorbeelden uit de tekst, enkel terug te vinden in het volume 3 omdat hier het verhaal zich voor het merendeel in het yakuzamilieu afspeelt.
- p.9 デカ detective
- p.9 ふざけるな 'stop met die rotzooi', 'stop met klooien', 'stop me voor de gek te houden', 'laat me met rust'
- p.17 ええ zoals hierboven staat de klankverandering van いい ("goed") naar ええ
- p.26 チンピラ een pejoratieve term die wordt gebruikt om yakuza van een lage rang te omschrijven of wanna-be yakuza
Streektaal
Volgens het Japans verklarend woordenboek Kōjien is onderstaand woord vooral ingeburgerd in de Tōhoku-streek, daar waar de Aomori-prefectuur en meer bepaald het domein van de Tenge gelegen is.
- p.55 (II) 童衆子 kind
Vrouwen- en mannentaal
- p.144-149 (II) Ichirō maakt gebruik van werkwoorden in de informele woordenboekvorm (普通体 futsūtai) wanneer hij zich tot zijn vrouw Sue richt. Omgekeerd bezigt zij de beleefde masu-vorm (ます形) om haar man aan te spreken. Dit heeft te maken met het feit dat de vrouw een door het confucianisme voorgeschreven ondergeschikte positie in Japan inneemt. Aangezien vrouwen- en mannentaal intrinsiek bepaald wordt door de lager-hoger verhoudingen in de Japanse maatschappij, zijn de hier genoemde voorbeelden ook geschikt voor de paragraaf i.v.m. de beleefde taal.
Onderstaande voorbeelden illustreren wederom het verschil tussen vrouwen- en mannentaal.
- p.31“妙子!!いうことをおきき!!” Sue en Sakuemon worden door Ayako op heterdaad betrapt tijdens het vrijen. Sue beveelt haar kleintje terug in bed te keren. Dit doet ze met “o” gevolgd door de stam waarop de beleefde masu-vorm aansluit (お+連用形).
- p.79 “ ブレーバーってやつから手切れ金をとれ! “ In de gewone imperatieve vorm die voor meerderen, gelijken, en in het bijzonder voor mannen voorbehouden is, beveelt Jirō aan Machiko troostgeld aan Braver te ontfutselen.
Beleefde taal
- p.9 (II) “しるとお涼さんの変死のあとおじょうさんも急性肺炎でなくなれたとおっしゃるのすか?” Commissaris Tanuma is op bezoek bij de Tenge’s om Ayako te ondervragen over Jirō. De familie heeft het kind ondertussen al opgesloten, en met het valse excuus dat ze recentelijk gestorven is aan een longontsteking, proberen ze Tanuma af te wimpelen. Tanuma betuigt zijn innige deelneming in beleefde taal (警護 keigo).
Scheldwoorden
Scheldwoorden vind je in Ayako bij de vleet:
- p.16(II) 馬鹿野郎 idioot!
- p.16 (II) “ババタンゴへおっこちて死んじまえ!” Val in een mesthoop en stik erin!
- p.129 (II)尼子 wijf, mokkel, griet
- p.145 (II)妾 oorspr. maîtresse, mekake; hier : slet
- p.173 (II) くたばれ! Fuck you! Val dood!
Woordenschatlijst
Een verklarende woordenlijst kan worden geraadpleegd via de volgende URL: http://japanologie.arts.kuleuven.be/waranwiki/index.php/Ayako. Deze is niet exhaustief.
Persoonlijke uitwerking: Shimazaki Tōson’s “Ie”
Wie een beetje bekend is met het werk van Shimazaki Tōson (島崎藤村) zal misschien een parallel met Ayako kunnen trekken. In 1910 verscheen namelijk de roman “Ie” (家, De familie), dat handelt over het verval van twee voorname families die zich in de moderne tijd niet meer kunnen handhaven omdat ze zich niet aan de nieuwe eisen van de economie weten aan te passen. De familie met zijn streng afgebakende hiërarchie, waarbinnen de vader of de oudste zoon het voor het zeggen heeft, en de vrouwen hun mond moeten houden, wordt hier onder de loep genomen. De oudste zoon van de Koizumi-familie verzuimt zijn plicht en is het niet waard om de leiderschap over de familie te erven.
“Ie” is een sombere roman over mislukking, eenzaamheid en onbegrip. Het beschrijft in details de banden en de verplichtingen die de verschillende familieleden aan elkaar verbinden. De drukkende last veroorzaakt door een aantal familieleden komt terecht op de schouders van twee leden van de familie wier leven daardoor getekend wordt. Het hoofdthema is dus de remmende kracht van het traditionele familiesysteem op een aantal familieleden, waardoor hun individuele ontwikkeling belemmerd wordt.
Shimazaki probeert aan te tonen dat de oorzaak van verval ook binnen de familie en meer in het algemeen in het familiesysteem ligt. Hij behandelt de periode van 1898 tot 1910, maar beperkt zich tot de gebeurtenissen die zich binnen de familie afspelen. De historische achtergrond van de Meiji-restauratie met haar invloed op de economische, maatschappelijke en politieke verhoudingen komen niet ter sprake.
“Ie” wordt wordt in het algemeen ondergebracht bij het Japans naturalisme, dat niet zozeer het thema van de sociale wantoestanden eigen aan Zola’s naturalisme overneemt, maar dat meer de nadruk op een exploratie van het eigen ik legt. In de Japanse visie zijn individu, natuur en god immers verenigd, terwijl de christelijke zienswijze van het westen het individu in oppositie tot de natuur en het goddelijke plaatst. Japanse naturalistische werken gaan vaak over het ongelukkige leven van de schrijver, wat zeker ook geldt voor “Ie”.
In Ayako behandelt Tezuka ook de teloorgang van een vooraanstaande familie, waarvan hij het gezag van het familiehoofd, d.w.z. vader en oudste zoon, ogenschijnlijk in vraag stelt. Tezuka maakt echter niet deel uit van de lichting auteurs die tijdens de Meiji-restauratie kennis hebben gemaakt met de uit het westen geïmporteerde gedachtestromingen: het individualisme, de beweging voor vrijheid en burgerrechten, het christendom, het romantisme en het naturalisme. Hij zag het licht in de eerste helft van de 19e eeuw en heeft de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. De gruwelen waarvan hij getuige was, hebben hem ertoe aangezet om na te denken over de kostbaarheid van het leven, de betekenis van vrede, enz. Bijgevolg tekende hij Ayako niet zozeer vanuit een individualistische, naturalistische of romantische visie. Voorts situeert hij het verhaal niet in de Meiji-periode, maar na de Tweede Wereldoorlog, een periode waarin nieuwe problemen en vraagstellingen en dus ook andere ideeën hun opgang deden. In tegenstelling tot Shimazaki houdt hij het evenmin bij de familiale geschiedenis, maar betrekt hij het historische toneel van het naoorlogse Japan bij de verwikkeling.
Het is wel zo dat Tezuka, net zoals de auteur van “Ie”, de traditionele familiestructuur aan de kaak stelt en de in “Ie” besproken thema’s aankaart. Ook in “Ayako” dragen enkele zondebokken, en in het bijzonder de hoofdpersonage, de last die door andere familieleden werd veroorzaakt. Maar Tezuka houdt zich niet uitdrukkelijk bezig met de individuele vrijheid; hij bekommert zich om de rechtvaardigheid en de menswaardige aspecten. Al zijn werken dragen de stempel van het hem zo typerende humanisme. Dit valt trouwens te merken aan zijn personages: de slechterik beschikt toch over een aantal goede eigenschappen en de goede begaat af en toe wel wreedheden. Het is trouwens verkeerd om zelfs maar over slechteriken of goeden te spreken wanneer men het over Tezuka’s werk heeft. De peetvader van de manga houdt zich namelijk aan een zo eerlijk en authentiek mogelijke voorstelling van personages: hij schildert ze af als ménsen, m.a.w. wezens waarvan het intrinsiek tot de aard behoort om in de fout te gaan, maar hij velt geen oordeel over hun misstappen.
Bronnen
- Schodt, Frederik L. 2001. Dreamland Japan: writings on modern manga. Collingdale: Diane.
- Shinmura, Izuru (red.) (新村出). 1998.『広辞苑』 (kōjien). Tokio: Iwanami (岩波).
- Tezuka, Osamu (手塚治虫). 1981. Ayako (奇子). Tokio: Kōdansha (講談社). Lalloz, Jacques (vert.). 2004. Ayako. Parijs: Delcourt.
- Vande Walle Willy, Geschiedenis van het Moderne Japan, cursus gedoceerd in het kader van het vak ‘Geschiedenis van het Moderne Japan’, Katholieke Universiteit van Leuven, Leuven, Katholieke Universiteit van Leuven, 2003.
- Vande Walle, Willy, Japanse Letterkunde, cursus gedoceerd in het kader van het vak ‘Japanse Letterkunde’, Katholieke Universiteit van Leuven, Leuven, Katholieke Universiteit van Leuven, 2007.


