Jōmon-periode

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Oorsprong van het Japanse volk en zijn cultuur

Zoals de Britse eilanden is de Japanse archipel bevolkt door een mengeling van volkeren die op verschillende tijdstippen en vanuit verschillende plaatsen op het continent, en zelfs vanuit de eilanden ten zuiden, er zich kwamen vestigen. Vanaf het begin der historische tijden waren zij reeds tot een homogeen volk versmolten, dat zich van zijn continentale buren (Chinezen, Koreanen, Mongolen) onderscheidde in taal, fysiek type, godsdienst, politieke en maatschappelijke organisatie.

Jōmon (縄文)-periode (ca.10.000-250 v.Chr.)

De overgangsperiode.

Na de jongste ijstijd, tijdens de overgang van het diluvium naar het alluvium (± 10.000 jaar geleden) doet in Japan, zoals op de meeste plaatsen ter wereld, de neolithische cultuur haar intrede. Ze wordt voor alles gekenmerkt door de uitvinding en vervaardiging van gebakken aardewerk. In deze periode was de landrug die tijdens het diluvium Japan met het Aziatische vasteland had verbonden, reeds verbroken en was de archipel rondom door zee omgeven. Over hoever in de tijd het oudste Japanse aardewerk teruggaat, bestond lange tijd geen eensgezindheid onder de geleerden. De enen spraken van 10.000 voor Christus, de anderen houden het bij 2500 voor Christus. Nieuwe technieken zoals de thermoluminescentie hebben daar inmiddels meer klaarheid in gebracht. Thans is duidelijk dat men in Japan reeds rond 10.000 v.Chr. aardewerk vervaardigde. We hebben te maken met één van de oudste neolithische culturen van de wereld.

Dat aardewerk is geassocieerd met een cultuur van jagers, vissers en verzamelaars. Men vindt er overblijfselen van over een groot gebied verspreid: van het zuiden van de Ryūkyū (琉球)-eilanden tot het noorden van Japan. De grootste concentratie treft men aan in de Tōhoku (東北)-regio. Het volk dat dit aardewerk vervaardigde, leefde van wild, noten en andere vruchten in het binnenland of vis en schaaldieren aan de kust. Zij gebruikten voorwerpen van steen en been en hadden een gelamineerde boog ontwikkeld. Hun handvervaardigd aardewerk getuigt van een opmerkelijke kunstvaardigheid en kunstzinnigheid. Naar het steeds weerkerende dessin, dat lijkt op de afdruk van een touw, spreekt men van Jōmon (touwpatroon)-cultuur. Het Jōmon-volk zou verwant zijn met de volkeren van de woudculturen van Noord-Oost-Azië en zelfs van Amerika. De mensen woonden in ronde of vierkante hutten die zo in de grond uitgegraven waren (tateana 竪穴) dat alleen het dak ervan boven de grond uitstak. De oudste nederzettingen waren kleinschalig, hadden nog een tijdelijk karakter en waren gesitueerd op plateaus dicht bij de zee. Later werden zij permanenter en treft men ze ook landinwaarts en in de vlakten aan. Alle huizen in een nederzetting zijn even klein en even schamel. De afgestorvenen werden begraven op een gemeenschappelijke begraafplaats, waar alle graven gelijk zijn en even veel (of even weinig) voorwerpen bevatten. Dit wijst erop dat er in de Jōmon-maatschappij nog geen onderscheid was tussen rijk en arm, edel en gemeen. De voornaamste productieve activiteiten zoals jacht, visvangst, het bouwen van huizen en dergelijke, gebeurden gemeenschappelijk. Men neemt aan dat deze primitieve maatschappij uit matriarchale clans bestond.

De Jōmon-cultuur werd uiteindelijk verdrongen door de daaropvolgende Yayoi (弥生)-cultuur, die van het vasteland kwam, maar de mensen die deze nieuwe cultuur introduceerden waren te weinig talrijk om de Jōmon-populatie te verdringen. De twee rassen versmolten gewoon met elkaar. In diezelfde periode werd ook het prototype van de Japanse taal gevormd, waaruit rond het begin van onze jaartelling enerzijds het Japans en anderzijds de taal van de Ryūkyū zijn voortgekomen.