Zwanenzang
Uit GeschiedenisJapan
De Tokusō-dictatuur
Om zijn verpauperde vazallen te helpen vaardigde het bakufu in 1297 een wet uit waarbij alle grond die aan niet-gokenin verkocht of verpand was aan de oorspronkelijke eigenaars moest worden teruggegeven, alle aanklachten tegen insolvabele gokenin onontvankelijk werden verklaard, en verkoop of het verpanden van gronden werd verboden. Deze maatregel was erger voor degenen die hij wilde beschermen dan voor degenen die hij wilde treffen en moest na één jaar weer ingetrokken worden. Het bakufu was duidelijk zijn greep op de omstandigheden aan het verliezen. Bovendien was hij de prooi van verhevigde interne strijd. De Tokusō-tak van de Hōjō-familie vergrootte steeds meer zijn macht, zodat bakufu-instellingen die een evenwicht tussen de verschillende machtige clans hadden moeten garanderen, alle effectieve betekenis verloren. Daardoor werd de Tokusō-tak het mikpunt van alle misnoegde groepen in de maatschappij: hovelingen, tempels en heiligdommen, kokujin, jizamurai en gewone boeren. Het verzet diende alleen nog een boegbeeld te vinden, waarrond het zich kon verzamelen en hier kwam keizer Go-Daigo 後醍醐 (leefde van 1288 tot 1339) op de proppen.
Het keizershuis verdeeld
Eigenlijk was ook het keizershuis sterk verdeeld. In 1259 had de ex-keizer Go-Saga 後嵯峨 (reg. 1242-1246), zijn oudste zoon keizer Go-Fukakusa 後深草 van de troon gestoten en vervangen door zijn tweede zoon keizer Kameyama 亀山 (reg. 1259-1274). Het hoeft niet gezegd dat er een bittere rivaliteit bestond tussen de twee broers, en die erfden hun respectieve zonen over. Om een eind aan de aanslepende troonsbetwisting te stellen, besloot het bakufu in 1308 dat de twee takken om beurt de troon zouden bezetten. Omdat Go-Fukakusa in de Jimyōin 持明院 woonde, noemt men zijn tak de Jimyōin-tak, terwijl die van Kameyama, eveneens naar zijn residentie genaamd, als de Daikakuji 大覚寺-tak bekend staat. Deze laatste was niet tevreden met het door het bakufu opgedrongen compromis. Tot deze tak behoorde ook Go-Daigo, die in 1318 op de troon kwam en onmiddellijk begon te ijveren voor het omverwerpen van het bakufu en het herstel van het keizerlijk gezag.
De keizer bewerkt (indirect) de val van de Hōjō
Het complot lekte een eerste keer uit en de Hōjō lieten de samenzweerders vatten, maar de keizer bleef buiten schot. Onmiddellijk begon hij een nieuw complot te beramen. Hij poogde opnieuw een leger samen te stellen uit bushi van keizerlijke en aristocratische shōen en kloosterlegers, maar het plan lekte in 1331 weer uit. De keizer vluchtte naar Nara en kreeg daar onder meer hulp van een bekende jizamurai van de streek, namelijk Kusunoki Masashige 楠木正成 (1294-1336). De keizer werd toch gegrepen en verbannen naar het eiland Oki 隠岐. Daarop zetten de Hōjō keizer Kōgon 光厳 (reg. 1331-1333) van de Jimyōin-tak op de troon. Te laat echter, de vlag van de opstand was gehesen en overal kwamen de anti-Hōjō-krachten in verzet. Ashikaga Takauji 足利尊氏 (1305-1358) was door het bakufu uitgestuurd naar de hoofdstad om de opstandelingen in de Kinai-regio te onderdrukken, maar toen hij de omvang van het verzet zag, veranderde hij van kamp, en keerde zich tegen het bakufu en vernietigde het inspectoraat-generaal van Rokuhara. Ongeveer tegelijkertijd rukte Nitta Yoshisada 新田義貞 (1301-1338) op naar Kamakura en roeide er de Hōjō-clan uit (1333). Daarmee viel het doek over het Kamakura-bakufu.

