Yukio Mishima (三島由紀夫) 1925-1970

Uit GeschiedenisJapan

foto van Shirou Aoyama (1956)

Yukio Mishima (Mishima Yukio 三島 由紀夫) is het pseudoniem van de bekende Japanse schrijver en regisseur Kimitake Hiraoka ( Hiraoka Kimitake 平岡 公威, 14 januari 1925 – 25 november 1970). Hij werd wereldberoemd door de vele romans, toneelstukken, essays en gedichten die hij schreef, de films die hij regisseerde en, niet in het minst, door zijn dramatische zelfmoord.

Inhoud

Jeugd

Toen hij pas vijf dagen oud was, werd Mishima door zijn grootmoeder weggenomen bij zijn moeder. Natsu Nagai, oorspronkelijk afkomstig uit een familie van bushi (haar grootvader was Matsudaira Yoritaka), voedde haar kleinzoon de eerste twaalf jaren van zijn leven op in een duistere kamer. Hij kwam zelden buiten, deed niet aan sport, maar kreeg wel een grote liefde voor literatuur, in het bijzonder voor Kabuki-theater. Natsu hoopte, door hem de traditionele adelijke waarden mee te geven, verder te leven in Mishima. Zijn biograaf, Henry Scott-Stokes, schreef na haar dood over Natsu: ‘Haar invloed op haar kleinzoon was groot geweest. Zij had hem grootgebracht als een Japans meisje, maar zij had hem ook fierheid geleerd en hem de samoerai-geest van haar voorouders ingeprent’ . [1]
De bron van Mishima’s obsessie voor fysieke pijn, bloed en dood ligt voor een groot deel in de opvoeding door Natsu. Toen hij 12 was, keerde Mishima terug naar zijn ouders. Vader Azusa Hiraoka, een ambtenaar, vond de literaire interesse van zijn zoon vrouwelijk, en onderschepte vaak manuscripten uit diens kamer.

Wanneer Mishima op 16-jarige leeftijd zijn eerste boek Hanazakari no Mori (Het bloeiende woud) publiceerde, vonden zijn leraars het daarom beter dit onder een schuilnaam te doen. 'Yukio Mishima' was geboren. Het verhaal verscheen oorspronkelijk in afleveringen in het literaire tijdschrift Bungei Bunka, zoals toen de gewoonte was in Japan.

Opleiding

Hanazkari no Mori is een kortverhaal, dat Mishima oorspronkelijk had geschreven voor het tijdschrift van de Peers School, waar hij op dat moment leerling was. Toen hij in september 1944 afstudeerde, ontving hij uit handen van de keizer het gindokei, zilveren horloge, als beloning voor zijn prestaties.
Net als alle Japanse jongens in die tijd, moest ook Mishima toetreden tot het leger. Hij werd echter geweigerd omwille van tuberculose, terwijl hij slechts verkoudheid had. Hij had zich bij deze beslissing dus niet hoeven neer te leggen, maar blijkbaar was zijn vaderlandsliefde toch niet zo groot dat hij bereid was ervoor te sterven.[2]
Mishima kon dus gewoon blijven schrijven, terwijl hij Duits Recht studeerde aan de Keizerlijke Universiteit.

Volwassen leven

Het volwassen leven van Mishima hing aaneen van de contradicties. Zo was hij getrouwd (met Yoko Sugiyama)en had hij kinderen, maar vertoont zijn autobiografie Kamen no Kokuhaku (Bekentenissen van een gemaskerde, 1949) duidelijke tekenen van homoseksualiteit. Volgens sommigen was zelfs zijn privéleger (zie lager) een manier om uiting te geven aan zijn homoseksuele fantasieën.
Daarnaast jaagde hij (tot zijn grote teleurstelling tevergeefs) bewondering na in het Westen en hield hij er een luxueuze westerse levensstijl op na, terwijl hij protesteerde tegen het verdwijnen van traditionele Japanse waarden ten koste van westers kapitalisme. Ook las hij veel westerse romans (onder andere Rilke, Oscar Wilde, Proust en Thomas Mann), maar was hij ook een echte kenner op vlak van Japanse klassieken.
Ten slotte was hij niet enkel intellectueel zeer begaafd, maar ook fysiek erg actief: hij behaalde (na jarenlange training) een hoge graad in de klassieke zwaardsport kendo (wat ook past in zijn samoerai-ambities). Elke middag trainde hij in de kendo-oefenzaal of de turnzaal. Hij was bijzonder narcistisch, en toonde zijn gespierde lijf graag op foto’s, waarvoor hij graag martiale poses aannam, als was hij een echte samoerai.

Werk

Mishima schreef honderden romans, essays, gedichten, toneelstukken en zelfs een libretto. Zijn meesterwerk is de tetralogie Hojo no umi (De zee van de vruchtbaarheid). In de verschillende delen van dit omvangrijke werk (achtereenvolgens Haru no Yuki (Lentesneeuw, 1968), Honba (Springende paarden, 1969), Akatsuki no tera (Tempel van de dageraad, 1970) en Tennin Gosui (De degeneratie van een engel, 1970)) ontmoet het hoofdpersonage Honda in elk volgend deel de reïncarnatie van een personage van het vorige deel.
Soms had Mishima aan een krantenartikel genoeg om een volledig verhaal te schrijven. Getuige hiervan zijn Kinkakuji (Het gouden paviljoen, 1956) en Utage no ato (Na het banket, 1960). Andere romans hebben meer iets weg van een Griekse tragedie, zoals Ai no kawaki (Dorst naar liefde, 1950) en Gogo no eiko (Een zeeman door de zee verstoten, 1963).
Mishima’s stijl is zeer rijk tot barok te noemen. In de inleiding tot zijn vertaling van Kinkakuji beschreef C. Ouwehand deze taal als volgt: “Mishima’s stijl van schrijven is niet gemakkelijk, het taalgebruik grammaticaal niet altijd zuiver Japans en zijn woordkeus en voorkeur voor moeilijke, weinig gebruikte schrifttekens soms op het pretentieuze af”.[3]

Hoewel hij er drie keer voor werd genomineerd, heeft Mishima nooit de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen. Die eer ging in 1968 naar zijn vriend en mentor Yasunari Kawabata (Kawabata Yasunari 川端 康成)[4]. Volgens Henry Scott-Stokes was de relatie tussen Mishima en Kawabata niet echt vriendschap te noemen: “Ze hadden zoiets als een literair verbond gesloten, gebaseerd op wederkerig begrip en waardering veeleer dan op vriendschap.” Die waardering blijkt ondermeer uit een essay dat Mishima in 1949 over het werk van Kawabata schreef, en de lovende kritieken van Kawabata op Mishima’s verhalen. Zo zorgde hij er in 1946 voor, dat het verhaal Tabako (De sigaret) in het belangrijke tijdschrift Ningen werd gepubliceerd.

Ondanks het feit dat hij de Nobelprijs niet won, was Mishima’s carrière zeker succesvol. Hij won verschillende andere prijzen en was (en is nog steeds) tot ver buiten Japan beroemd. Hij nam in 1948 reeds ontslag op het ministerie van financiën, en vanaf dan leefde hij rijkelijk van de pen. Hij gaf veel feestjes, woonde in een kitscherige villa en onderhield zelfs een privé-leger.

Zelfmoord

Tate no kai

Mishima opperde in oktober 1967 bij studenten van het Controversy Journal het idee van een burgerleger, dat het ASDF zou kunnen helpen bij een plotse aanval. Dit idee moest hij, ondermeer door een gebrek aan steun van het ASDF zelf, al snel laten varen. Hij besloot daarom een leger te starten dat net zo groot was, dat hij het zelf kon financieren. Hij dacht aan zo’n honderd man (wat van Mishima dus een centurio zou maken). Het doel van dit leger zou zijn om de keizer te beschermen, al moest men daar het eigen leven bij laten.
Mishima liet uniformen ontwerpen en foto’s maken, en trainde studenten in een ASDF-kamp op de Fuji-berg. Op 3 november 1968 kozen de studenten (op dat moment waren dat er 40) naam ‘Tate no kai’ (楯の会, Gilde van het Schild) als naam voor hun legertje.
De ‘soldaten’ (vanaf maart 1970 met zo’n honderd) kwamen elke maand samen (behalve in maart en juli, wanneer ze op trainingskamp waren) om te discussiëren en te trainen.

Zelfmoord

Na maandenlange voorbereiding, bezocht Mishima met vier van zijn cadetten de commandant van de JSDF. Nadat ze hem hadden vastgebonden in zijn kantoor, moesten de soldaten van het tweeëndertigste garnizoen zich onder het balkon verzamelen, om naar Mishima’s toespraak te luisteren. Hij stak een rede af over vaderlandsliefde, en de verloedering van het Japanse volk en haar verdedigers (zijnde het leger).
Na deze toespraak stapte hij door een raam terug het kantoor binnen, waar hij seppuku pleegde. Het oorspronkelijke plan was dat Masakatsu Morita hem het hoofd zou afhakken en daarna ook seppuku zou plegen. Omdat hij echter niet met het zwaard omkon, heeft Hiroyase Koga (Koga Hiroyase古賀浩靖) beiden onthoofd.

Voetnoten

  1. Scott-Stokes, Henry, The Life and Death of Yukio Mishima. Cooper Square Press, 2000.
  2. “I’d always dreamed of dying on the battlefield, so why did I exaggerate my illness? My words were lies: I never really wanted to die.” (citaat uit: Schrader, Paul: Mishima: a life in four chapters (video). 1985.
  3. Citaat uit: Mishima, Yukio: Het gouden paviljoen, vertaald en ingeleid door dr. C. Ouwehand. Amsterdam: Meulenhoff, 1966.
  4. Een uitgebreider artikel over deze auteur staat op de Engelstalige wikipedia.

Opmerkingen

In Japan komt de voornaam doorgaans na de familienaam. Op Wikipedia wordt echter de Westerse volgorde gerespecteerd voor Japanse namen van personen die geboren zijn vanaf het begin van de Meijitijd (1868). Uit: Help:Japanese. In mijn artikel staan in de Japanse namen, de voornamen vooraan. Tussen haakjes volgen de Japanse volgorden.

Bronvermelding

Boeken

  • Boenders, Frans, Yukio Mishima: informatie. Amsterdam: Meulenhoff. 1985.
  • Herreweghe, van, Jan, Literatuur uit Japan (in Nederlandse vertaling). Harelbeke: Stedelijke Openbare Bibliotheek, 1989.
  • Mishima, Yukio: Het gouden paviljoen, vertaald en ingeleid door dr. C. Ouwehand. Amsterdam: Meulenhoff, 1966.
  • Nathan, John, Mishima: a biography, Boston: Little, Brown, 1974.
  • Schrader, Paul, Mishima: a life in four chapters (video). 1985.
  • Scott-Stokes, Henry, The Life and Death of Yukio Mishima, Cooper Square Press, 2000.

Cursussen

  • Hellemans, Karel, Inleidibg tot de Japanse cultuur en literatuur, cursus KULeuven, 2007.

Films

  • Schrader, Paul, Mishima: a life in four chapters (video). 1985.

Websites