Yayoi-periode (tweede eeuw v.chr.-derde eeuw n.chr.)
Uit GeschiedenisJapan
In de derde eeuw voor Christus wordt de Jōmon-cultuur verstoord door de komst van een volk dat cultureel van een heel ander type is: een volk van landbouwers dat met geïrrigeerde rijstteelt en metaal vertrouwd was. Ook zij vervaardigden een karakteristiek soort aardewerk dat Yayoi genoemd wordt, naar de eerste vindplaats. Het is minder geornamenteerd dan dat van Jōmon, maar van een betere makelij, want het is vervaardigd op een draaischijf, en het is meer gevarieerd in grootte.Het Yayoi-volk was ontegensprekelijk van mongoloïde afkomst en het stond in contact met de technisch verder ontwikkelde Chinese beschaving. De mensen leefden in dorpen van dicht op elkaar gepakte hutten. De Yayoi-cultuur verspreidde zich zeer snel door Japan. Hij begon in Noord-Kyūshū en bereikte de Kantō-vlakte tegen het einde van de eerste eeuw na Christus. Ten noorden van deze vlakte leefde een bevolking bestaande uit resten van het Jōmon-volk, waarschijnlijk vermengd met Ainu-groepen van Proto-Kaukasische oorsprong. Hoewel de culturen verschillend waren en gedragen werden door twee volkeren van verschillende etnische samenstelling, kan men toch niet gewagen van een gewelddadige confrontatie, uitgenomen in het noorden. In West- en Centraal-Japan versmolt het Yayoi-volk gewoon met de Jōmon-inwoners.
Het Yayoi-volk kwam waarschijnlijk uit Zuid-Korea. In de derde en de tweede eeuw voor Christus woedden op het vasteland uitgebreide oorlogen, die uiteindelijk uitmondden in de vereniging van een erg expansief en imperialistisch China. De Chinese legers verlegden de grenzen van China steeds verder, hetgeen schokgolven veroorzaakte onder de perifere volkeren, die naar andere streken migreerden. Zulks zou ook met het Yayoi-volk gebeurd zijn. Het contact met de Chinese beschaving leefde verder, ook na de migratie. Daarop wijzen de voorwerpen van Chinese oorsprong die in Yayoi-vindplaatsen werden aangetroffen. Dit belet evenwel niet dat reeds voor het begin van onze tijdrekening het Yayoi-volk begon met het gieten van eigen bronzen artefacten, die van een grote graad van onafhankelijkheid getuigen ten opzichte van het continent.
De aanvankelijk uit China ingevoerde bronzen voorwerpen waren alle zwaarden of speren. Ze werden niet als wapens maar als rituele voorwerpen aangewend. Vanaf het midden van de Yayoi-periode begon men deze bronzen wapens te smelten en opnieuw te gieten. In de streek van Noord-Kyūshū waren de opnieuw gegoten voorwerpen grotere versies van dezelfde wapens, maar in het oosten, in de streek van Yamato, goot men er een soort klokken (zonder klepel) mee, gekend als dōtaku (銅鐸), die eveneens rituele doeleinden hadden. Op hun oppervlak zijn primitieve voorstellingen aangebracht. Het beschavingspeil van de Yamato-vlakte stond toen reeds hoger dan dat van Noord-Kyūshū.
Deze periode was getuige van de eerste stadia van werkverdeling en specialisatie binnen de clanmaatschappij. Bepaalde leden legden zich toe op de vervaardiging van aardewerk (gedraaid op een draaischijf), anderen op houten voorwerpen en nog anderen op ijzeren. Dit had een belangrijke vermeerdering van de productiecapaciteit tot gevolg. Tegelijk met deze ontwikkeling begon zich een diversificatie in bezit, rijkdom en sociale status af te tekenen. De clan werd geleid door een clanhoofd en dominantie van de ene over de andere nam institutionele vormen aan, die de kiemen van een staatsstructuur bevatten. De Han shu (漢書), de dynastieke geschiedenis van de Westelijke Han, geschreven in de eerste eeuw na Christus, maakt melding van een land Wa (倭) in de oostelijke zee, dat verdeeld is in meer dan honderd "rijken". Dit is de eerste vermelding van Japan in historische bronnen. De "rijken" waarvan sprake, wijzen op de gemeenschappen die door de clan-hoofden geregeerd werden in Noord-Kyūshū. Zij stuurden gezanten naar de Chinese commanderie Luo-lang in Noord-Korea en zelfs naar de Chinese hoofdstad Luo-yang (洛陽). Zij zijn de eerste georganiseerde staatsvorm in de Japanse geschiedenis.
De Yayoi-cultuur was van meetaf aan met de verbouwing van gewassen op bevloeid akkerland vertrouwd. Aanvankelijk was dat van nature drassig land, maar vanaf het begin van onze jaartelling werd in Noord-Kyūshū en de Yamato-vlakte gebruik gemaakt van kunstmatige bevloeiing. Daardoor nam de produktie van graangewassen spectaculair toe en dit had een bevolkingstoename zowel als een verhoging van de levensstandaard tot gevolg. De nederzettingen groeiden geweldig aan, maar het woontype was nog steeds de tateana. Naast huizen bouwde men nu ook wel bovengrondse schuren om het graan op te slaan. De landbouwwerktuigen bestonden in hoofdzaak nog uit hout, hoewel ijzer reeds bekend was. Sommige van de ijzeren werktuigen werden ingevoerd, maar tegen het einde van de Yayoi-periode maakte men zeker reeds ijzer in Japan.
Naast het ijzer kende men ook het brons. In de geschiedenis van de beschaving gaat het brons normaliter aan het ijzer vooraf en dat was met name het geval in China. In Japan echter bestonden ijzer en brons naast elkaar, terwijl bovendien ook stenen voorwerpen nog een belangrijke rol speelden. Aldus bestonden twee cultuurstadia tegelijkertijd naast elkaar. Dit kwam omdat boven een reeds bestaande cultuurlaag door import uit China een nieuwe werd geschoven, die dus niet organisch uit de vorige ontwikkeld was, zoals dat wel in China gebeurd was. Het naast elkaar bestaan van meerdere cultuurstrata zal kenmerkend blijven voor de hele Japanse cultuurgeschiedenis.

