Yōga (洋画) en Nihonga (日本画) tijdens de eerste helft van de Meiji-periode (tot 1900)

Uit GeschiedenisJapan

Kuroda Seiki, Lakeside, 1897

Tijdens de Meiji-periode (1868-1912) en aanloop hiervan (1853-1868) onderging de Japanse schilderkunst grote verandering onder invloed van het westen. Het overnemen en gebruiken van westerse stijlen heet Yōga (洋画). Japanse schilders bewonderden westerse schilderijen, schakelden over op de westerse technieken, en verwaarloosden zo hun eigen kunstwerken en schatten. Hiertegen kwam in het tweede decennium van de Meiji-periode geleidelijk reactie, geleid door de Amerikaan Ernest Fenollosa en de Japanner Okakura Tenshin (岡倉天心). Zij zijn erin geslaagd de waardering voor de eigen Japanse kunst opnieuw leven in te blazen: Nihonga (日本画).

Inhoud

Historische achtergrond

In 1854 onderging het Japanse leven een hele verandering door het openstellen van de havens. Gedurende een periode van ongeveer 250 jaar had Japan in een volledig isolement van de rest van de wereld geleefd. De enige (zij het beperkte) contacten waren met Nederland. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de komst van de Amerikaan Perry, met een verzoek de havens open te stellen, een hele ommekeer in de Japanse samenleving teweegbracht.[1] Ook de politieke structuur in Japan kreeg het zwaar te verduren: de keizer won opnieuw aan belang en in 1868 viel het bakufu (幕府) (de regering van Shōgun) na vele moeilijke jaren. 1868 luidde de Meiji-periode in, die eindigde in 1912 met de dood van keizer Meiji. De woelige periode vóór 1868 wordt de Meiji-restauratie (明治維新, Meiji-ishin) genoemd.

Aangezien het bekomen van westerse geschriften niet veel moeite meer kostte en men zonder problemen naar de rest van de wereld kon reizen, kreeg de westerse kunst meer aandacht en begonnen Japanse kunstenaars deze toe te passen in hun eigen werk (Yōga). Hierdoor kwam het 'westerse renaissanceschilderen' aan land in Japan.

Bloei van Yōga (vroege Meiji-periode)

De westerse invloed, die een gevolg was van het openstellen van de grenzen, beperkte zich niet enkel tot politiek of economie. Ook de cultuur, waaronder zowel de kunst (schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, literatuur,...) als het dagelijkse leven, begon aandacht te schenken aan het westen.

Ontstaan van Yōga

Het is moeilijk om een vaste datum voor het onstaan van Yōga te geven, aangezien deze stijl langzamerhand tot stand is gekomen. Reeds vóór de Meiji-restauratie was er een, weliswaar zeer minieme, invloed van Portugese en Nederlandse schilders. Het openen van de grenzen vergemakkelijkte de contacten, waardoor westerse schilderijen ook in Japan bekend werden. Die schilderijen werden met open handen ontvangen en ze werden nagebootst door plaatselijke schilders.

De gebruikte technieken ondergingen ook een transformatie: Japanse schilders begonnen te schilderen met olieverf op canvas, zoals het de gewoonte was in het westen. Ook maakten ze gebruik van westerse penselen.[2] Japanse schilders imiteerden niet enkel de westerse werken, ze trachtten die werken nog te verbeteren en te moderniseren door er een eigen interpretatie en gevoel aan te geven. De Meiji-kunst staat ook bekend om de meerwaarde die de schilderijen hebben. Ze stonden niet zomaar op zichzelf: de schilders schetsten in hun werken de sociale problematiek en ze beseften eens te meer dat schilderijen een bijzondere boodschap konden overbrengen naar het grote publiek.

De westerse schilderkunst werd als superieur beschouwd en de Japanse kunstenaars vonden het nodig hiervan te leren, aangezien zij met hun gekende technieken en stijlen niet verder konden evolueren. De meeste kunststijlen die populair waren in die periode in Japan, zoals Bunjin (文人), Ukiyo-e (浮世絵), werden ook beïnvloed door het westen.

De bewondering voor de westerse kunst kwam niet enkel voor bij de kunstenaars, ook de regering voelde zich hiertoe aangetrokken. In 1857 lieten ze de westerse kunst bestuderen in Bansho shirabesho (蕃書調所, Office for Study of Western Documents), waarbij Kawakami Tōgai (川上冬崖) de leiding had.

Aanvankelijk werd de westerse cultuur enkel aan privé-scholen onderwezen.[3] Later echter in 1876 stichtte de regering de Kōbu Bijutsu Gakkō (工部美術学校) waar volop westerse technieken werden onderwezen.[4] Hiervoor werd er een beroep gedaan op Europese kunstenaars, waaronder Antonio Fontanesi.

In het algemeen kan aangenomen worden dat de westerse tendens plaatsvond tot 1877.

Belangrijke personen[5]

Belangrijke Yōga-schilders uit de eerste helft van de Meiji-periode zijn de eerder vermelde Kawakami Tōgai en de zeer befaamde realistische schilder Takahashi Yuichi. De Italiaanse leraar Antonio Fontanesi is ook het vermelden waard. Uiteraard kende deze periode nog meer schilders die de westerse idealen nastreefden en imiteerden, maar we houden ons voorlopig bij enkele van de schilders met de grootste invloed. Aangezien kunstenaars de belangrijkste personages zijn in een kunststroming, is het belangrijk deze grondig te bespreken.

Kawakami Tōgai (川上冬崖) (1827-1881)

Kawakami Tōgai wordt beschouwd als één van de eerste Yōga-schilders uit de Meiji-periode.[6] Tōgai had een grote bewondering voor Bunjin, de traditionele Chinese stijl, die vooral landschappen afschilderde.[7] Hierdoor was het enigszins verwonderlijk dat Tōgai als één van de eersten de westerse stijl ging nabootsen. Toch bleef hij ook de Bunjin-stijl verderzetten. Langzamerhand vermengden de twee stijlen zich met elkaar. Hij was ervan overtuigd dat hij het westerse denken moest gebruiken voor de vele facetten in zijn leven. Hij leerde zelfs de Nederlandse taal, omdat hij dacht dat dit de manier was om het westen nog beter te kunnen bestuderen.

In 1857 werd zijn talent voor de westerse schilderkunst opgemerkt, waardoor hij een vooraanstaande positie kreeg om dit nader te onderzoeken aan het Bansho shirabesho, het Instituut voor Westerse Studies. In 1863 veranderde de naam van dit instituut in Kaiseijo (開成所) en de invloed breidde uit. Ook Takahashi Yuichi werd lid van dit instituut. Het bleef niet enkel bij schilderen; Tōgai probeerde zijn kunnen over te brengen naar andere kunstenaars: hij werd lesgever aan Chōkōdokuga-kan (超購読が間, opgericht in 1869), een privé-school. De schilder Koyama Shōtarō was leerling op die school.[8] Eveneens was hij lesgever aan de hierboven vermelde Kōbu Bijutsu Gakkō. Hij creëerde Shakei hōhan (写景法範), een reeks steendrukprenten, waarvan hij zichzelf de techniek had aangeleerd door het bestuderen van Nederlandse boeken. Hierdoor kreeg hij nog meer aanzien.

Tōgai kreeg in 1877 van de regering een eervolle aanstelling als hoofd van de jury van de “First National Industrial Exhibition”. Deze tentoonstelling bracht echter het einde van de grote westerse bloei teweeg, aangezien alle grote prijzen werden geschonken aan traditionele Japanse kunstenaars. Hoewel zijn stijl volledig aanleunde bij die van westerse kunstenaars, bleef hij vaak Japanse thema’s verwerken. Toch blijft hij één van de voortrekkers van de Yōga-bloei.

Antonio Fontanesi (1818-1882)

Omdat de regering ook enige interesse kreeg in het westerse gedachtegoed, werd de Italiaan Antionio Fontanesi in 1876 uitgenodigd als docent aan de Kōbu Bijutsu Gakkō wegens zijn faam als (romantische) landschapschilder.[9] Hij had zijn opleiding genoten in Turijn en Parijs. Hij stond bekend als een zeer geliefd persoon en zijn invloed op de Japanse leerlingen is niet te onderschatten. Door zijn komst voelden velen zich meer aangetrokken tot het westerse schilderen dan voorheen. Uit Europa had hij vele boeken meegebracht en hij onderrichtte zijn leerlingen hoe ze op een correcte wijze westerse schilderijen konden nabootsen. Ze leerden de westerse kunst niet enkel praktisch kennen, ook theoretisch werden ze via lezingen onderwezen. Een primeur voor de Japanse kunst was het “officiëel” gebruiken van naaktmodellen. Kawakami Tōgai had veel respect voor Fontanesi, waardoor hij enkele van zijn leerlingen naar hem zond, waaronder ook Koyama Shōtarō, die Fontanesi’s assistent-lesgever werd.

Na een driejarig verblijf in Japan keerde Fontanesi in 1878 noodgedwongen terug naar Italië wegens zijn beroerde gezondheid.

Takahashi Yuichi (高橋由一) (1828-1894)

De Japanner die de grootste faam krijgt in het uitvoeren van de westerse kunst is Takahashi Yuichi.[10] Hoewel Kawakami Tōgai ook als meester werd beschouwd, was Takahashi een getalenteerder schilder en hij werd dan ook één van de grootste invloeden tijdens de Meiji-periode.

Vóór de Yōga-periode had hij de traditionele Japanse technieken goed onder de knie. Hij studeerde aan de Kanō-school. Rond 1854, door het openstellen van de havens, kwam hij in contact met de westerse natuurschilderijen en bewonderde hun realisme. Waarschijnlijk ging het om Nederlandse realistische schilderijen, die al eerder werden ontdekt door Shiba Kōkan (司馬江漢) en Aōdō Denzen (亜欧堂田善). Takahashi probeerde zichzelf de westerse technieken bij te brengen en copieerde enkele bestaande werken. Ook hij gebruikte Nederlandse boeken. Hij kreeg les van Kawakami Tōgai, maar Takahashi ging verder: hij nam niet enkel de techniek, maar ook de westerse denkwereld over. Hij leerde ook veel van de kunstenaar Shiba Kōkan, die eveneens een pionier was in het westerse denken.[11] Zowel Takahashi als Kōkan deelden de mening dat de waarheid enkel kon vastgelegd worden in westerse schilderijen (dus niet in Japanse), door hun gebruik van licht en compositie. De nadruk werd vooral gelegd op de realiteit (een zo realistisch mogelijke voorstelling geven van de werkelijkheid).

In 1871 begon hij les te geven aan de Daigaku Nankō (大学南校) en in 1873 opende hij zelf een privé-school, namelijk Tenkai-rō (天絵楼), die enkele jaren later bekend werd als Tenkai Gakusha (天絵学舎). Zijn school werd een plaats waar talrijke nieuwe kunstenaars onderwijs volgden en hiermee zette Takahashi zijn reclame voor de westerse stijl verder. Vanaf 1877 nam hij ook deel aan de jaarlijkse National Industrial Exhibition en in 1879 maakte hij een schilderij van Keizer Meiji. Dit alles werd gerealiseerd met een nationalistische ondertoon.

Takahashi spoorde zelfs aan een nieuw museum op te richten, met eveneens moderne werken, waarin hij een wentelende trap voorstelde.[12] In 1893 organiseerde Takahashi een tentoonstelling met werken van de meest vooraanstaande schilders die de nieuwe stijl mee tot stand hadden gebracht.

Takahashi Yuichi heeft niet enkel de westerse stijl overgenomen, zoals velen denken en dachten, maar hij ging verder: hij nam ook de symboliek en de thematiek over, waardoor hij als één van de grootste Yōga-schilders uit de Meiji-tijd mag beschouwd worden.

Reactie (tweede decennium)

Een deel van de Japanse schilders had interesse voor de nieuwe ontstane stijl van de westerse techniek en men was volop bezig deze technieken over heel Japan te verspreiden. Zoals elke verandering op het gebied van kunst, leidde ook deze tendens tot zware reacties van tegenstanders. De bekendste vertegenwoordigers zijn de Amerikaan Ernest Fenollosa en Okakura Tenshin, die zich hevig hebben verzet tegen het Yōga en pleitten voor de herinvoering van het Nihonga (de originele Japanse technieken) uit vrees dat de waarde van de traditionele werken verloren zou gaan.

Vanaf 1878 kwam deze reactie op gang, aangezien de Yōga-tijd zijn belangrijkste bloeiperiode achter de rug had (zij werd nog nagevolgd, maar niet in extreme mate zoals in de periode voorheen).

Terugkeer naar traditie

In 1878 werd een privé-groep opgericht om de Japanse kunst opnieuw te promoten, die een jaar later Ryūchikai (龍池會) werd genoemd. De groep organiseerde vaak tentoonstellingen met zowel nieuwe als oude schilderijen. In 1882 kregen ze ook steun van de regering en zo kwam de eerste nationale tentoonstelling van Japanse traditie tot stand: Naikoku Kaiga Kyōshinkai (内国絵画共進会). Eind jaren 90 werden nog twee nieuwe scholen opgericht: Tōkyō Bijutsu Gakkō en Nihon Bijutsuin.

Schilders gingen zich opnieuw meer en meer vinden in de Japanse stijlen, maar de westerse technieken werden niet helemaal aan kant geschoven: het besef dat ze hun eigen traditionele kunst niet mochten verwaarlozen bleef namelijk het belangrijkste punt.

Eén van de bekendste Nihonga-schilders is Yokoyama Taikan (横山大観). Hoewel Okakura en Fenollosa langzamerhand het mengen van de verschillende tradities nastreefden, schilderde Taikan in de zeer klassieke traditionele stijl. Hij bleef tot in het midden van de twintigste eeuw bekend als één van de beste Nihonga-kunstenaars.

Ernest Fenollosa en Okakura Tenshin

De Amerikaan Ernest Fenollosa kwam in 1878 voor de eerste keer naar Japan. Hij had gestudeerd aan de Universiteit van Harvard en kwam nu als filosofieleraar naar de Universiteit van Tokio. Eenmaal aangekomen was hij getuige van de nieuwe stijl in de Japanse kunst (Yōga), waar hij totaal niet mee begaan was. Hij was een liefhebber van de Japanse kunsten en dus voorvechter om de authentieke cultuur opnieuw te beleven en hij ijverde voor het verzamelen van de traditionele kunstwerken. Hij was niet zozeer tegen de westerse techniek zelf, maar dat de schilders hun eigen traditionele kunstwerken verwaarloosden, was voor hem onbegrijpelijk.

Vanaf zijn aankomst in Japan, begon hij allerlei kunstvoorwerpen te verzamelen. Waarschijnlijk werd zijn belangstelling voor Japanse kunst extra geprikkeld door de lezingen in de Japan Asia Society, opgericht door buitenlanders, wonende in Japan. Hoe meer hij de Japanse kunsten bewonderde, hoe meer hij ervan overtuigd was dat er een heel grote waarde zou kunnen verloren gaan door Japan te willen moderniseren. Een bondgenoot, die dezelfde gedachte deelde, vond hij in de Japanner Okakura Kakuzō (岡倉覚三), vooral bekend als Okakura Tenshin. Hij was student van Fenollosa en na het behalen van zijn diploma vergezelde hij Fenollosa, voor wie hij ook de belangrijke rol had als vertaler. Samen trachtten zij de Japanse schilders te laten inzien dat het westen niet superieur was, dat de Japanse kunsten ook betekenis hadden en deze technieken niet verloren mochten gaan. Zoals eerder gezegd heet het schilderen met typische Japanse middelen Nihonga (in tegenstelling tot Yōga).

Fenollosa en Okakura hadden een grote belangstelling voor de Kanō-school, waar Kanō Hōgai (可能法外) en Hashimoto Gahō (橋本雅邦) de beste lesgevers waren.[13] In het eerste decennium van de Meiji-periode werd hun werk verwaarloosd, maar dankzij de groeiende populariteit van de Nihonga-stijl werden zij opnieuw de Japanse schilders bij uitstek.

In 1884 richtte Fenollosa met drie andere personen de Kangakai (巻が絵, Painting Appreciation Society) op, wat eveneens een grote impact had op het populariseren van de traditionele stijl.[14] Het doel was om oude traditionele werken opnieuw voor het publiek ten toon te stellen, lezingen over kunstgeschiedenis te organiseren en advies te geven in verband met de authenticiteit van werken. Kangakai werd één van de meest vooraanstaande plaatsen die het Nihonga bleven promoten en nastreven.

Oprichting Tōkyō Bijutsugakkō / Nihon Bijutsuin

De drang om een eigen kunstschool op te richten werd groter en groter en met het zicht hierop bezochten Fenollosa en Okakura in 1886 verschillende buitenlandse scholen, wat dan uiteindelijk leidde tot het openen van een eigen school in 1889: Tōkyō Bijutsu Gakkō (東京美術学校) , waarvan Okakura in 1890 directeur werd. Aanvankelijk liet hij enkel Japanse technieken toe, maar op vraag liet hij een westerse afdeling openen. Later werd Tōkyō Bijutsu Gakkō Tōkyō Beijutsu Daigaku (東京米術大学). Ook Yokoyama Taikan gaf les in deze School voor Schone Kunsten.

In 1898 echter werd Okakura Tenshin gedwongen de school te verlaten, wat enige commotie teweegbracht. Okakura werd vaak verweten door de zeer conservatieven dat het westerse gedachtegoed te diep in hem geworteld was.[15] Uit protest voor zijn ontslag verlieten nog 17 andere personen de Tōkyō Bijutsu Gakkō, waaronder lesgevers, zoals Taikan en de meest vooraanstaande studenten.

Aangezien Okakura zijn carrière in de kunst verder wilde zetten, zocht hij naar een nieuwe oplossing en die resulteerde in het oprichten van Nihon Bijutsu-in (日本美術院, de Japanse Kunst Academie). Hun schilderijen verkochten goed en Japanse en Amerikaanse vrienden zorgden voor extra financiële middelen, waardoor de mogelijkheid ontstond een nieuw gebouw op te richten. Ze organiseerden ook grote tentoonstellingen, inten (院展), waar onder andere Taikan prijzen wegkaapte.

Navolging

Na het vertrek van Fenollosa bleef Okakura Tenshin de Nihonga-stijl aansporen. Toch raakte die meer en meer vervlochten met westerse stijlen. Yōga kwam opnieuw in de belangstelling: vele Yōga-kunstenaars, die gedurende enkele jaren in Europa of de Verenigde Staten les hadden gevolgd, waren terugkeerd naar Japan. Ook bleven privé-scholen westerse technieken onderrichten. Het belangrijkste verschil echter met de eerste Yōga-periode was dat de traditionele stijl niet meer als "slecht" beschouwd werd. De Yōga-schilders pasten ze gewoon niet toe.

Zowel Yōga als Nihonga zijn twee zeer belangrijke stromingen geweest in de Japanse schilderkunst rond de Meiji-periode. Yōga zorgde voor een vernieuwing binnen de kunst, maar Nihonga schonk nog aandacht aan de traditionele Japanse stijl, waardoor musea over heel de wereld over prachtige Japanse kunstwerken beschikken.

Voetnoten

  1. Commodore Perry voer zowel in 1853 als 1854 naar Japan met de eis de Japanse havens open te stellen voor bevoorrading van Amerikaanse schepen. Hierdoor werd een, volgens de Japanners oneerlijk, Japans-Amerikaans vriendschapsverdrag (日米和親条約, Nichi-Bei Washin Jōyaku) gesloten en later een handelsverdrag.
  2. De traditionele Japanse schilderkunst bestond uit het gebruik van fijn papier, gouden en zilveren bladen, zeer fijne borstels van konijnen- of dassenhaar en zeer fijne kleuren.
  3. Deze tijd werd gekenmerkt door privéscholen (daarom ook Shijukujidai, 私塾時代 genoemd, wat verwijst naar ‘de tijd van de prive-instellingen’) waar het westerse gedachtegoed (zowel taal, als cultuur) werden bijgebracht.
  4. Waarschijnlijk was Itō Hirobumi de hoofdpersoon in de stichting.
  5. De manier van verwijzen naar personen is overgenomen uit het boek 'Tradition and Modernization in Japanese Culture' (zie bibliografie)
  6. Bij Meiji-periode wordt ook de aanloop, beginnend van begin 1850 , gerekend.
  7. Bunjin: Aanvankelijk heette deze stroming Nanga, wat letterlijk ‘zuidelijke schilderkunst’ betekent. Dit groeide uit tot Bunjinga (文人画) (letterlijk ‘schilderkunst van de geletterde mens’) (In het Chinees Wenjun-hua). De eerste Nanga-kunstenaars werden opgeleid in de Kanō-school (zie later).
  8. Koyama Shōtarō wordt ook altijd bij de Yōga-schilders gerekend, maar hij heeft zijn succes vooral te danken aan het feit dat hij leerling was van Kawakami Tōgai.
  9. De Italiaan Vincenzo Ragusa werd gevraagd als beeldhouwer en G.V. Cappelletti, eveneens uit Italië afkomstig, werd aangetrokken als archtitect.
  10. In “Tradition and Modernization of Japanese Culture” p 221 (zie bibliografie) wordt vermeld dat aan Takahashi Yuichi aanvankelijk door Japanse kunsthistorici niet veel aandacht werd besteed. Pas 70 jaar na zijn dood werd hij voor zijn kunnen gewaardeerd.
  11. Shiba Kōkan heeft ook een belangrijke rol gespeeld bij het overnemen van westerse technieken, maar hij is vooral bekend om zijn ‘copper-cut print’, die hij realiseerde in 1873.
  12. Dit idee is terug te vinden in het Guggenheim Museum in New York: het museum is gebouwd als een grote wenteltrap.
  13. De stichter van deze school was Kanō Masanobu (狩野正信). De Kanō-school wordt als een zeer belangrijke school beschouwd van de Chinese kunst kanga. Zij werd ook de officiële schilderschool van de Tokugawa-shōguns. De Kanō-school verloor in de Meiji-periode aan populariteit door het Yōga.
  14. Fenollosa had enkele pogingen ondernomen om de Japanse kunst in de Verenigde Staten populair te maken. Hij verkocht zelfs zijn eigen Japanse collectie, die terechtkwam in het Museum of Fine Arts in Boston. In 1890 kreeg Fenollosa een aanbod uit Boston om in het museum te werken, waardoor hij een einde maakte aan zijn twaalfjarig Japans avontuur.
  15. Okakura werd vaak verweten dat hij niet consequent was in zijn nastreven van de herwaardering. Maar Okakura bevond zich tussen de twee tendenzen: hij wilde zeker de traditie behouden, maar hij aanvaardde de westerse stijl.

Opmerkingen

  • Het is verwonderlijk dat zowel in de Yōga- als Nihonga-periode (Japanse richtingen) Westerlingen op de voorgrond treden. Bij de Yōga-periode heeft de Italiaan Antonio Fontanesi een belangrijke rol gespeeld door de westerse technieken te onderrichten. Tijdens de Nihonga-periode was een Amerikaan (Ernest Fenollosa) de voortrekker.
  • In principe kunnen Yōga en Nihonga perfect apart behandeld worden, maar we voelen aan dat ze samen een nog beter beeld kunnen geven van de twee stromingen. Zij zijn immers elkaars tegengestelden en de bloei van Nihonga rond 1880 is tot stand gekomen als reactie op de Yōga-periode.

Externe links

Engelstalige wikipedia Meiji periode [1]

Engelstalige wikipedia Yokoyama Taikan [2]

Enkele kunstwerken: http://www.wisc.edu/arth/ah372/12.html

Bibliografie

boeken

  • Hall, John Whitney. Japan from prehistory to modern times, New York: Dell pub-lishing co., INC, 1982.
  • Hamaekers, Elke. Yoga: de invloed van het westen op de Japanse schilderkunst tijdens de Meiji periode, Leuven: Katholieke Universiteit Leuven, 1994. (thesis, te vinden in Oost-Aziatische bibliotheek Leuven)
  • Hellemans, Karel. Inleiding tot de Japanse Cultuur, Leuven: Katholieke Universiteit Leuven , 2006. (cursus)
  • Morris-Suzuki, Tessa. Re-inventing Japan: time space nation, New York: M.E. Sharp, 1998.
  • Pyle, Kenneth B. The new generation in Meiji Japan, Stanford CA: Stanford University Press, 1969.
  • Rotermund, Hartmut O. Images des Occidentaux dans le Japon de l’ère Meiji, Parijs: Maisonneuve & Larose/Espace du temps présent, 2005.
  • Shively, Donald H. Tradition and Modernization in Japanese Culture, Princeton NJ: Princeton University Press, 1976.
  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: van samurai tot soft power, Leuven: Acco, 2007.

internet

artikels

  • Fischer, Felice. 'Meiji Painting from the Fenollosa Collection', Philadelphia Museum of Art Bulletin: Vol. 88, No. 375 (1992), pp. 1-24

http://links.jstor.org/sici?sici=0031-7314%28199223%2988%3A375%3C1%3AMPFTFC%3E2.0.CO%3B2-X

  • Miki, Tamon. 'The Influence of Western Culture on Japanese Art', Monumenta Nipponica: Vol. 19, No. 3/4 (1964), pp. 380-401

http://links.jstor.org/sici?sici=0027-0741%281964%2919%3A3%2F4%3C380%3ATIOWCO%3E2.0.CO%3B2-H

  • Munsterberg, Hugo. 'Tradition and Innovation in Modenr Japanese Painting', Art Journal: Vol. 27, No. 2 (1967-1968), pp. 151-155

http://links.jstor.org/sici?sici=0004-3249%28196724%2927%3A2%3C151%3ATAIIMJ%3E2.0.CO%3B2-Y

  • Numata, Jiro. 'The Acceptance of Western Culture in Japan. General Observations', Monumenta Nipponica: Vol. 19, No. 3/4 (1964), pp. 235-242

http://links.jstor.org/sici?sici=0027-0741%281964%2919%3A3%2F4%3C235%3ATAOWCI%3E2.0.CO%3B2-X

  • Yamada, Chisaburo. 'Japanese Modern Art', Monumenta Nipponica: Vol. 3, No. 2 (1940), pp. 567-578

http://links.jstor.org/sici?sici=0027-0741%28194007%293%3A2%3C567%3AJMA%3E2.0.CO%3B2-K