Westerse Levensstijl

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Import van Westerse levensstijl

Leidraad

De actieve garing van kennis over het Westen, gebeurde onder het motto bunmei kaika 文明開化"Beschaving en Verlichting. Het strekte zich over alle mogelijke domeinen van het leven uit: kleding, voeding, en levensstijl. Het dagelijkse leven ging steeds meer Westerse trekjes vertonen. Er kwam een uitgebreid algemeen onderwijsnet en er werden allerlei soorten scholen opgericht. Ook op straat legde men grote belangstelling aan de dag voor het Westerse denken. De publikatie van kranten en tijdschriften had een grote invloed op de levensstijl. Naarmate de kennis van het Westen toenam, ontstonden er echter ook negatieve tendensen. De overheid begon steeds meer kentrekken te vertonen van een door enkele voormalige Han beheerste oligarchie en onderdrukte bepaalde Westerse invloeden. Zij bezondigde zich aan indoctrinatie, hetgeen een volledige emancipatie van het volk in de weg stond.

Overname van Westerse voorbeelden

De overheid verzamelde actief zoveel mogelijk westerse kennis via voorwerpen en boeken, met het doel het volk te onderwijzen. Alleen via een breed onderwijs van het volk kon de basis gelegd worden om een "Rijk land en een sterk leger uit te bouwen. De positieve ingesteldheid van de overheid bevorderde dus zeker de verspreiding van Westerse kennis. Aanvankelijk ging het wel eens om kritiekloze nieuwlichterij, en Tōkyō nam daarin het voortouw. Toch verbeterde de levensstandaard, en nam de kennis van begrippen als sociale gelijkheid en dergelijke toe. Dit laatste werd echter niet aangemoedigd door de overheid en zou het voorwerp worden van een hardnekkige repressie.

Wijzigingen in het dagelijks leven

Op enkele jaren tijd verspreidde zich de westerse stijl in kleding, schoeisel, hoeden, paraplu's, enz. Aan het einde van het Bakufu waren reeds Westerse uniformen ingevoerd om te tonen hoe een efficiënt leger eruit moest zien en van 1872 af werd Westerse kledij verplicht in de ambtenarij. Ook in de eetgewoonten vond een revolutie plaats: melk, rundvlees, brood, bier, ... waren tot dan vrijwel onbekend en werden nu normale voedingswaren. Sukiyaki すき焼きwerd een Japanse delicatesse, terwijl Westerse restaurants en theehuizen (kissaten 喫茶店 ) als paddestoelen uit de grond schoten. De leefgewoonten werden aangepast: er verschenen bakstenen gebouwen, tafels en stoelen, gaslantaarns op Ginza 銀座 (1872), elektrische stadsverlichting (1882). In de sector van het vervoer werden jinrikisha 人力車, paardentrams, fietsen, elektrische en stoomtrams symbolen van de vooruitgang.

In 1871 stond de overheid aan alle burgers toe hun haar naar eigen goeddunken te knippen, ook in de samurai-stijl (chonmage genaamd). Het dragen van zwaarden in het publiek werd verboden. Deze maatregel werd vrijwel niet opgevolgd, omdat er geen straf op overtreding stond. Daarom werd in 1876 het Haitōrei 廃刀令uitgevaardigd en werd de verplichting bindend. De samurai-stijl raakte in onbruik en de Westerse snit werd zeer populair.

De oorspronkelijke maankalender werd afgeschaft en voortaan berekende men de kalender naar Westerse wijze op basis van de zonnestand. 3 december in het vijfde jaar van Meiji werd uitgeroepen tot 1 januari van het zesde Meiji-jaar (1873), samenvallend met 1 januari elders in de wereld. Tegelijkertijd werd de dagindeling in 24 uren in gebruik genomen en werd in de administratie de zondag een verplichte rustdag.

Veronachtzaming van de autochtone culturele erfenis

De keerzijde van deze enthousiaste modernisering naar Westers voorbeeld was een totale verwaarlozing van de eigen culturele en artistieke tradities, die met achterlijkheid geassocieerd werden. De vijf verdiepingen tellende pagode van de Kōfukuji-tempel in Nara werd zelfs voor 25 yen te koop aangeboden. Alleen omdat de kosten voor afbraak en transport te hoog lagen, werd er geen koper gevonden. Japanse prenten (ukiyoe 浮世絵) waren veel lichter en handiger, zodat talloze meesterwerkjes naar het buitenland verdwenen. Vele kunstenaars schakelden over op Westerse technieken. Zo kende b.v. de Brit Charles Wirgman (1834-1891) veel navolging met zijn olie- en waterverfschilderijen.

Het onderwijs

Verspreiding

In 1872 werd aan het pas opgerichte Ministerie van Onderwijs door een groep geleerden, geleid door Mitsukuri Rinshō, een ex-vazal van de Shōgun, een fundamenteel decreet op het onderwijs, de Gakusei 学制uitgewerkt. De wet had tot doel de volledige ontplooiing van het individu, de gelijkheid van de burgers, en gelijke kansen voor iedereen te waarborgen en stelde voor de algemene leerplicht in te voeren. Het Franse systeem lag aan de basis van de indeling van het onderwijsnet. Het land werd opgedeeld in 8 departementen, elk met een universiteit. Onder deze universiteit stonden 32 middelbare scholen, in elk district één, en onder elke middelbare school dan weer 210 lagere scholen. Omwille van de financiële nood werd het volledige plan nooit uitgevoerd. Als schoolboeken werd er veel gebruik gemaakt van vertaalde Amerikaanse boeken. Het onderwijs was niet gratis. Elk kind moest 50 zeni per maand betalen. Omdat dit voor de boeren een zware last was en zij bovendien in de oogsttijd arbeidskrachten verloren, kwamen zij her en der in opstand tegen de leerplicht.

De onderwijswet

Het onderwijsnet breidde zich niettemin snel uit en in 1873 bedroeg de scholariteit reeds 31 procent en in 1878 41 procent, al dient hierbij vermeld dat de cijfers sterk uiteenlopen van regio tot regio. Het gehele systeem werd in 1879 vervangen na de publikatie van een nieuw decreet op de opvoeding (Kyōikurei 教育令), ditmaal op het Amerikaanse systeem geïnspireerd. Het principe van de regionale autonomie inzake onderwijs werd ingevoerd, zodat een systeem kon uitgebouwd worden dat beter beantwoordde aan de specifieke noden van iedere streek. Deze beleidsoptie was ook geen lang leven beschoren. In 1880 werd via het "Herziene Decreet op de opvoeding (Kaisei kyōikurei 改正教育令) opnieuw voor een centraal systeem geopteerd.

Stichting van vrije scholen en gespecialiseerde scholen

De overheid was echter niet bij machte een volledig onderwijsnet te financieren. Parallel met de oprichting van een officieel onderwijsnet ontstonden er ook tal van vrije scholen. In 1872 werd, onder toezicht van de overheid, een school voor de opleiding van leerkrachten gesticht, de Shihan Gakkō 師範学校, onder leiding van de Amerikaanse pedagoog Scott. Weldra kreeg ze filialen in alle prefecturen. In 1874 kwam er in Tōkyō een school voor de opleiding van onderwijzeressen en in 1886 een school voor de opleiding van leraars middelbaar onderwijs. Alle scholen voor hogere opleiding die bestonden op het einde van de Edo-periode fusioneerden tot een universiteit, de Universiteit van Tōkyō, met 4 faculteiten: geneeskunde, rechten, literatuur, fysica.

De meest bekende privé-scholen waren de Keiō gijuku 慶応義塾, opgericht in 1868 door Fukuzawa Yukichi en tot universiteit gepromoveerd in 1903, de Tōkyō senmon gakkō 京専門学校, door ōkuma Shigenobu gesticht en in 1903 omgevormd tot de Universiteit van Waseda 早稲田, de in 1875 door Niijima Jō opgerichte Dōshisha eigakkō 同志社英学校 , later omgedoopt tot Dōshisha-universiteit, enz. De Amerikaanse pedagoog David Murray bekommerde zich om het onderwijs van vrouwen en stichtte in 1872 een speciale school. De in Amerika afgestudeerde Tsuda Umeko (zie hoger) stichtte de Tsuda eigaku juku 津田英学塾en Naruse Jinzō 成瀬仁蔵richtte de Nihon joshi daigaku 日本女子大学op.

Filosofie en ideologie

Introductie van Westerse wijsbegeerte

In de sfeer van "Beschaving en Verlichting (bunmei kaika 文明開化) werden de eerste filosofische werken uit het Westen in Japan geïntroduceerd. Aanvankelijk bestond er vooral belangstelling voor de Britse utilitaristen en de Franse "republikeinen. Later breidde de interesse zich ook uit tot Amerikaanse humanisten en sociologen die zich inspireerden op het christelijke gedachtengoed en het Duitse nationalisme.

Het utilitaristische denken van Adam Smith, John Stuart Mill, Thomas Malthus, Ricardo, e.a. voerde vrijheid (van het individu, in het economische initiatief etc.) hoog in het vaandel. Fukuzawa Yukichi (zie hoger) vertolkte dit gedachtengoed in werken als Seiyō jijō 西洋事情(De toestand in het Westen), Gakumon no susume 学問のすすめ(Een pleidooi voor de studie), Bunmeiron no gairyaku 文明之概略(Een kort vertoog over beschaving) enz. Nakamura Masanao 中村正直(1832-1891) vertaalde "On Liberty van J.S. Mill, en Taguchi Ukichi 田口卯吉(1855-1905), een uitmuntend economist en historicus, die vrije handel en politieke burgerrechten voorstond, legde de basis van de moderne Japanse geschiedschrijving met zijn Nihon kaika shōshi 日本開化小史. De invloed van deze nieuwe ideologen droeg veel bij tot het vervagen van het feodale denken.

Het gedachtengoed van Montesquieu, Voltaire, Rousseau, enz. inzake de natuurlijke rechten van de mens werd in Japan ingevoerd door Katō Hiroyuki (1836-1916), rector van de Universiteit van Tōkyō, in werken als Shinsei taii 真政大意(Essentie van de ware regering) en Kokutai shinron 国体新論(Een nieuwe theorie over de staat), en door Itagaki Taisuke, ōi Kentaro (1843-1922) en Ueki Emori 植木諮(1857-1892). Vooral "Le Contrat Social van J.J. Rousseau, door Nakae Chōmin 中江兆民 (1847-1901) vertaald als Minyakuron 民約論had een grote invloed op de beweging voor burgerrechten die de door enkele voormalige Han gedomineerde oligarchie onder vuur zou nemen.

De sociaal-humanistische ideologieën uit de V.S., gebaseerd op de christelijke ethiek, werden in Japan verkondigd door Niijima Jō, de stichter van de Dōshisha eigakkō, en door de buitenlandse predikant Larnett. Ook de op de landbouwschool van Sapporo werkzame Clark droeg hiertoe bij. Hij had een grote invloed op een van de eerste Japanse socialisten, Nishikawa Kōjirō, en op een christelijk propagandist Uchimura Kanzō, die beiden navolgers kregen.

Na het utilitarisme en de republikeinse denkbeelden raakte het Duitse nationalistische denken (Bismarck, Stein) in Japan bekend, en oefende een vrij grote invloed op het beleid en de administratie uit. Het was Katō Hiroyuki die vanaf 1876 essays en studies over deze denkrichting publiceerde.

De Meirokusha

Een groepering die een belangrijke rol speelde bij de verspreiding van Westers gedachtengoed was de Meirokusha 明六社, een genootschap dat in 1873 werd gesticht door Mori Arinori 森有礼, een pro-Westers politicus die later door nationalisten werd vermoord om zijn opvattingen. In de verwarde periode van hevige debatten tussen conservatief-feodale opvattingen en Westerse vernieuwing openden de leden van dit genootschap nieuwe wegen, zowel op politiek, economisch, pedagogisch, geschiedkundig als op natuurwetenschappelijk vlak. Coryfeeën van de Meirokusha waren de reeds vermeld Fukuzawa Yukichi, Nishi Amane, vertaler van Mills "Utilitarianism, Mitsukuri Rinshō, Nishimura Shigeki (een ethicus), Tsuda Mamichi, enz. In 1874 begon deze groep met de publikatie van een tijdschrift Meiroku zasshi 明六雑誌, een blad dat het traditionele denken sterk bekritiseerde en het Westerse liberalisme propageerde. Het blad was gematigd progressief, maar werd toch tegengewerkt door de overheid, zodat het in 1875 werd stopgezet. De groep bleef de facto nog bestaan tot 1879, maar hief toen zichzelf op.

Publikatie van kranten en tijdschriften

Op het einde van de Bakufu-periode verscheen er een overheidskrant voor ambtenaren, de Kanpan batabia shinbun 官版バタビア新聞, eigenlijk een vertaling van de Javasche Krant. Daarnaast waren er enkele privé-initiatieven: het door een Nederlander uitgegeven Chūgai zasshi 中外雑誌en het eerste volledig Japanse tijdschrift Seiyō zasshi 西洋雑誌 . Toen na de Meiji-Restauratie Motoki Shōzō 本木昌造met losse karakters begon te drukken, en de overheid een staatsblad begon te publiceren, kwam er een stroom van publikaties op gang.

In 1870 werd de allereerste echte Japanse krant gepubliceerd: de Yokohama mainichi shinbun 横浜毎日新聞, in 1872 gevolgd door de regeringsgezinde Tōkyō nichinichi shinbun 東京日々新聞onder de hoofdredactie van Fukuchi Genichirō 福地源一郎(1841-1906), journalist en kunstkenner die vele Kabuki-stukken moderniseerde. In 1877 verscheen het satirisch ingestelde Maru maru chinbun 団団珍聞 , dat herhaalde malen publikatieverbod kreeg. Vanaf 1879 begon in ōsaka de Asahi Shinbun 朝日新聞te verschijnen.

De journalistiek viel grosso modo in twee groepen uiteen: enerzijds de Daishinbun 大新聞, het ernstige werk, waarin politieke en sociale problemen aan de orde waren, bedoeld om het volk in te lichten en op te voeden; anderzijds de Shōshinbun 小新聞, journalistiek met een voornamelijk verstrooiende functie die het lokale nieuws en allerlei faits divers bracht. Haast alle journalisten werkten in die tijd zelfstandig. Uiteraard kwam er ook snel een uitgebreide waaier van gespecialiseerde en meer intellectuele publicaties, zoals Meiroku zasshi, en kunst- en literatuurbladen, zoals Gakugei shirin 学芸志林.

Godsdienst

Heropbloei van Shintō

Onmiddellijk na de Restauratie kwam er een heropbloei van Shintō, zoals het gepropageerd werd door de Kokugaku-autoriteit Hirata Atsutane. Opvallende leerpunten waren de vergoddelijking van de Keizer en de herwaardering van Japans uniek en heilig mythologisch verleden. Al snel kreeg dit Shintoïsme intolerante trekjes. Radicalen als ōkuni Takamasa, Fukuha Bisei, Yano Gendō e.a. zetten er de overheid toe aan de scheiding van Boeddhisme en Shintō te bevelen (1868) en de eenheid van politiek en de Shintō-godsdienst af te kondigen (1870).

Naderhand plaatste de overheid inderdaad alle Shintō-heiligdommen onder haar bescherming en verhief Shintō tot staatsgodsdienst. De heiligdommen werden onderverdeeld in: Kanpei-sha 官幣社en Kokuhei-sha 国幣社, regionale en nationale heiligdommen. Naast dit door de overheid beschermde Shintō, ontstonden ook nieuwe vormen van Shintō, zoals de sekten Kurozumi-kyō , Konkō-kyō 金光教en Tenri-kyō 天理教.

Boeddhisme

De scheidingen van Boeddhisme en Shintoïsme door het jonge Meiji-bestuur betekende voor de boeddhistische kerk, die bijna drie eeuwen had genoten van een geprivilegeerde status, een zware klap. Het gewone volk maakte hiervan gebruik om zijn frustratie over eeuwen verdrukking onder het Bakufu op de boeddhistische instellingen uit te werken. Er ontstond een ware beeldenstorm onder de leuze Haibutsu-kishaku 廃仏毀釈"Schaf het Boeddhisme af, verwerp de leer van Shaka. Tempels, beelden, relikwieën, sutra's, moesten het ontgelden en zelfs geweldpleging jegens personen die met de boeddhistische zaak werden vereenzelvigd, kwam veelvuldig voor. Deze vervolging werd de aanleiding voor een heroriëntering van het Boeddhisme. Bonzen als Shimaji Mokurai 島地黙雷(1838-1911) trokken naar Indië op zoek naar de spirituele bronnen van het Boeddhisme. Vooral dankzij zijn inspanningen behield het Boeddhisme als geloof toch zijn centrale plaats in het religieuze leven. Andere geleerden die het Boeddhisme filosofisch uitdiepten, waren Hara Tanzan, Inoue Enryō, Nanjō Bunyū, enz. Inoue was een hevig nationalist, die zich ook tegen het Christendom keerde met het verwijt dat het anti-progressief en anti-wetenschappelijk was.

Het Christendom

In de eerste jaren van Meiji bleef het Christendom een verboden godsdienst en trad men tegen de christenen op, bijv. tijdens de Uragami-repressie. Tegen dit beleid kwam veel protest van buitenlandse mogendheden, zodat de overheid de verordeningen tegen het Christendom in 1873 introk.

Na de opheffing van het embargo op de prediking van het Christendom kwamen er vele missionarissen, van alle mogelijke strekkingen naar Japan. Zo ook de presbyteriaan James Hepburn, de uitvinder van het Hepburn-romanisatie-systeem, dat hij gebruikte om een Japans-Engels woordenboek samen te stellen. Vooral leerlingen van de landbouwschool van Sapporo (zie hoger) en van de Kumamoto yōgakkō 熊本洋学校kwamen sterk onder de invloed van hun buitenlandse leraars en zouden op hun beurt een rol gaan spelen bij het uitdragen van de christelijke idealen.

Kunst en literatuur

In het begin van de Meiji-periode stimuleerde de geest van Bunmei kaika 文明開化en van de beweging voor burgerrechten een, zij het oppervlakkige, belangstelling voor Westerse kunst en literatuur. Ze was niet voldoende geïnspireerd om een echt interessante ontwikkeling op gang te brengen.

Literatuur

De klemtoon lag zeker op de politieke en sociale veranderingen. In de literatuur verschenen er vele politieke romans en vele vertalingen van Westerse literatuur. De literaire waarde van deze werken was meestal gering.

De bekendste en productiefste auteur was Kanagaki Robun 仮名垣魯文(1829-1894), schrijver van o.a. Agura nabe 安愚楽鍋. Doorgaans beschreef hij op spitse en komische wijze de nieuwe Westerse trends die de Japanner in zijn dagelijkse leven trachtte te integreren.

De politieke romans werden vooral populair rond 1878 in het kader van de Beweging voor burgerrechten. Het bekendste voorbeeld is Keikoku Bidan 経国美談van Yano Ryūkei 矢野竜渓 , een politicus uit het kamp van ōkuma Shigenobu. Het boek bezingt de democratische rechten en beschrijft het leven van de Thebaanse generaals Epaminondas en Pelopidas, die streden voor democratie en nationale onafhankelijkheid.

Andere schrijvers waren Tōkai Sanshi 東海散士 en Suehiro Tetchō 末広鉄腸. In Kajin no Kigū 佳人之奇遇beschrijft Tōkai Sanshi hoe een Japans samurai staten die ooit welvarend waren, bezoekt en er contacten met patriotten legt. De meeste vroege vertalingen zijn belabberd, zowel qua keuze als qua stijl.

Schone kunsten en muziek

De bewondering voor het Westen leidde in 1875 tot de oprichting van een departement voor Westerse kunst aan de kunstacademie, de Kōbu daigakkō 工部大学校. Italiaanse leraars werden aangetrokken, A. Fontanesi voor landschapschilderkunst en V. Raguza voor beeldhouwkunst. Ze onderwezen de Westerse technieken en hadden een duurzame invloed op hun leerlingen. De Japanse pionier van de Westerse schilderkunst in Japan was Takahashi Yuichi 高橋由一, die zijn stijl verfijnde bij de eerder genoemde Charles Wirgman. In de architectuur kwam baksteen in de mode voor openbare gebouwen en op muzikaal vlak ging de aandacht uit naar militaire marsmuziek en koorzang voor het onderwijs.