Wapens Der Samurai
Uit GeschiedenisJapan
Een korte schets van de wapens die de samurai gebruikten van de Heian-periode tot aan de Edo-periode en hun evolutie.
Inhoud |
Inleiding
Japan is, over de hele wereld gezien, een uniek land in dat het, tot de recentste tijd en op enkele kleine uitzonderingen na, al zijn oorlogen op eigen grondgebied heeft uitgevochten. Geen enkel ander land heeft zo lange periodes van civiele onrust en oorlog gekend. Het is dan ook niet verassend dat de militaire studie in Japan heel hoog aangerekend stond. Dit, en de enorme trots en vastberadenheid van het Japanse volk hebben ervoor gezorgd dat zowel in tactiek als in wapenproductie zij een ongekende perfectie hebben gekend, ongeëvenaard door andere landen.
Heian Periode
Gedurende de 9de periode, toen de Heian cultuur meer en meer zelfvertrouwen verwierf, werd China minder en minder aangehaald als referentiepunt voor inspiratie. Toen in 894 de officiële missie naar China werd afgelast brak Japan zelfs helemaal zijn officiële link met China. Zelfs de overname van Chinese Oorlogsvoering was al aan het minderen en in de Hoofdstad werd er een School voor samurai ("Zij die dienen") opgericht, de Butokukan(部と区間). Hier werden Japanners die samurai wilden worden getraind door Officiers van hoge families.
Kyusen no ie (休戦の家)
Er was echter nog geen sprake van het zwaard als "geest van de samurai". Gedurende de Heian periode was namelijk de Boog het primaire wapen, en het zwaard en de dolk slechts secundair, alleen gebruikt als de boog nutteloos was. De boog gebruiken werd enorm belangrijk in dat zelfs de betekenis van "休戦の家" (Kyusen no ie) kon vertaald worden als "Samurai Familie" maar eigenlijk letterlijk betekende "Familie met Pijl en Boog". De boog werd gehandhaafd van op een paard en zelfs het Harnas,o yoroi (大鎧), was speciaal hierop voorzien.
De Bogen zelf waren van gelamineerd hout maar door de slechte lijm kon de boog niet te hard worden opgespannen. Daarbij moest de boog ook nog een lang zijn zodat ze de stres van de op spanning beter aankon. Bogen, 弓(yumi), waren gemiddeld 2m maar er zijn ook bogen gevonden van grotere, bijna heroïsche afmetingen gaande tot bijna 3 meter. Om zo een enorme boog te hanteren van op de rug van een paard moet enorm moeilijk en onpraktisch geweest zijn ware het niet dat de schutter een enorme vaardigheid ermee had ontwikkeld. De boogpees, 鶴(tsuru), was meestal van plant vezel met een laag was erover om ze hard en glad te maken. Het bovenste einde was altijd bevestigd aan de boog met een lintje van rode zijde en het onderste met eentje van witte. Pijlen waren er in alle vormen en maten, gaande van ingewikkelde ceremoniële tot simpele alledaagse pijlen.
Tachi (太刀)
De zwaarden tijdens de Heian periode werden vooral Tachi (太刀) genoemd, het waren grote, lange zwaarden maar nog lang niet technisch verfijnd. Ze braken nog altijd redelijk gemakkelijk en werden niet zo veel gebruikt. Van op een paard was het ook dikwijls de norm het zwaard onder je arm te steken en het momentum en de kracht van een galopperend paard te gebruiken en zo je tegenstander een snijdende stoot toe te voegen. De zwaarden die de edelen droegen werden Bu Tachi (Militair zwaard) genoemd. Deze waren over het algemeen veel fijner versierd dan de zwaarden van hun onderdanen, de No Dachi (Veld zwaard).
Ook werden speren en soortgelijke wapens gebruikt, de populairste zijnde de naginata (なぎなた), met een lang, krom blad. De speer van de Nara periode, de "te boko", werd toen ook nog gebruikt maar was betrekkelijk kort en kon bij deze alleen van dichtbij gebruikt worden.
Het Harnas, de o yoroi, bestond uit gehard leer met ijzeren plaatjes op. Het bestond uit een Helm, Kabuto(兜), een torso harnas, de Do(胴), schouderplaten, watagami(肩上), en een heel onderhemd met handschoenen, waar later nog de polsbeschermers, Kote(籠手), bijkwamen.
Voetsoldaten speelden weinig tot geen rol. De meeste Heren hadden wel een klein groepje voetsoldaten bij om zijn helm of andere dingen voor hem te dragen.
Kamakura Periode
Heel de Kamakura-periode is gekenmerkt door een hele resem van verschillende bevelhebbers. De keizer was meestal maar een marionet, die achter de gordijnen gestuurd werd door 1 of 2 ex-keizers. Die benoemden op hun beurt dan meestal nog eens een Shogun. Ondanks dit bureaucratisch doolhof was Japan in die tijd toch welstellend en de handel bloeide.
Mongoolse Invasie
In de andere streken van Azië ging het er wat minder rustig aan toe, de mongolen waren bezig met hun veldtochten, en in 1268 keerde Djenghis Khan's kleinzoon Kublai Khan zijn oog op Japan. Een 15.000 man sterke vloot werd richting Japan gestuurd. Toen de vloot aankwam had het Hoofd leger van Japan de kust nog niet bereikt en de weinige locale samurai konden weinig uitrichten tegen de Mongoolse invalsters. De mongolen moesten echter al snel erkennen dat hun gebruikelijke tactiek om de vijand in paniek te brengen geen vat had op de samurai. Enkele dagen nadien werd de Mongoolse vloot uit elkaar geslagen door een storm en was de eerste invasie op Japan een mislukt feit.
Een 2de invasie kwam er 5 jaar later. 150.000 man sterk deze keer moest men Japan veroveren kost wat kost. Maar deze keer hadden de samurai zich voorbereid en een lange muur langs de kust opgeworpen. Opnieuw moest de vloot zich terug trekken en wachten op versterkingen. Toen de versterkingen aangekomen waren werden de 2 vloten totaal vernietigd door een machtige Tyfoon. Deze 2 winden werden door de Japanners Kamikaze genoemd, goddelijke wind.
Tijdens deze 2 invallen van buitenaf hadden de Samurai voor het eerst de mogelijkheid om hun wapens en wapenuitrustingen uit te testen tegen buitenlandse krijgers. De pijl en boog die tot nu toe zo hoog aangeschreven stonden hadden hun nut niet bewezen maar de wapens die op korte afstand gebruikt konden worden des te meer. Vooral het zwaard en de Naginata kwamen uit de strijd als zeer gewilde wapens.
De zwaarden van de Heian periode echter hadden zich bewezen als zijnde snel breekbaar en broos tegen de vreemde harnassen van de vijand, die toen bestonden uit vele vellen leer en dierhuid over elkaar. De zware zwaarden bleven erin steken en met het los wrikken braken er vele punten af. Hierdoor kwamen er veel nieuwe zwaardsmeden die probeerden de zwaarden duurzamer en sterker te maken. De Kamakura periode kende de eerste gouden eeuw van zwaard productie. De appreciatie voor deze kunst kwam van niemand minder dan een ex-keizer. Toen keizer Antoku(安徳) bij Dan No Ura(段の裏) verdronk, werd de troon bestegen door Go-Toba(後鳥羽). Na zijn aftreding en uiteindelijke verbanning, legde hij zich helemaal toe op de kunst van het zwaard smeden. Hij riep van over het hele land de beste zwaard makers tot zich om met hen te discussiëren over de heilige kunst en hij heeft zelfs enkele zwaarden zelf gemaakt. De grote zwaard tradities kwamen uit de provincies Bizen(備前), Sagami(相模) (Soshu宗主) en Mino(身の). Deze provincies werden belangrijke centra voor zwaard productie, alleen in Bizen schat men het aantal gecreëerde zwaarden in deze periode op een 2,5 miljoen terwijl het totale aantal zwaarden van het hele land tijdens deze periode 15 miljoen stuks bedroeg.
De nieuwe zwaarden verschilden sterk van degene gebruikt tijdens de Heian-periode. De dunne, delicate lemmeten van de Heian tijd werden vervangen door zwaardere, langere types, met langere punten. Deze tendens tot langere zwaarden rees tot een toppunt tijdens de Nambokucho-periode, waar men dikwijls zwaarden van ander halve meter droeg. Deze werden op ongeveer dezelfde manier gehanteerd als de Europese tweehanders.
Masamune(正宗)
Tijdens de Kamakura periode waren er vele grote zwaardsmeden maar de grootste van hen allen was waarschijnlijk Goro Nyudo Masamune van Sagami. Hij was de zoon van een smid die was gekozen om met Go-Toba, samen te werken. Masamune vond het heel Belangrijk samen met andere zwaardsmeden te studeren om zoveel mogelijk aspecten ervan te zien en te onthouden zodat zijn kennis over het smeden steeds completer en beter werd. Masamune was zo populair dat hij vele studenten aantrok waarvan enkele zelf grote zwaardsmeden werden. Zwaarden gesmeed door Masamune worden vandaag de dag als nationale schatten bewaard.Ook was hij de maker van een heel speciaal wapen, de hachiwari(八割), wat een dolkachtig wapen was maar ook een haak had aan het handvat die waarschijnlijk gebruikt werd om vijandige slagen mee te pareren. Men neemt aan dat de hachiwari in de 1 hand werd gehouden en het zwaard in de ander.
Muromachi Periode
Het Ashikaga Shogunaat: Civiele Onrust
De Ashikaga, die hun Bakufu hadden opgericht in de hoofdstad, leefden een zeer luxueus leven. Om hun dure voorkeuren te kunnen financieren begonnen ze zware belastingen te heffen. De boeren, die tot dan toe de samurai hadden genegeerd en op hun beurt genegeerd werden door de samurai, begonnen langzaamaan te bezwijken onder de enorme financiele tol die zij moesten betalen aan het shogunaat. Hierdoor kwamen er opstanden, de boeren verzamelden zich onder de locale samurai, de ji zamurai(字侍), en vormden gewapende benden die, als nodig, terugvochten. De lokale heren reageerden hierop door op hun beurt mensen te ronselen, dikwijls ook boeren, die gedreven werden door weinig meer dan buit in plaats van loyaliteit. De bevelhebbers hadden dan ook niet veel aan deze boeren.
De zwaarden en andere wapens die gedragen werden tijdens de Muromachi periode waren veelal nog dezelfde die gedragen werden tijdens de Kamakura periode. Het handvat en het bovenste van de schede waren nog steeds meestal in leer gewikkeld, de sawa zutsumi no tachi(差w湯罪の太刀). Maar er was een kleine tendens dat er meer en meer zwaarden met gevlochten zijde omwikkeld werden, ito maki no tachi (意図巻きの太刀). Ook werden meer en meer kortzwaarden gedragen. Ze werden in de riem met de scherpe kant naar boven gedragen. Deze kortzwaarden werden soms ook gedragen als alternatief tot de Tachi. Ze waren normaal gezien iets van een 0.6m lang en dus beter om als steek wapen te gebruiken dan om mee te snijden. Toen het nut van deze kortzwaarden evidenter werd, werden ze steeds van betere kwaliteit. Deze stijl werd zelfs zo populair dat het later de norm werd om samen met de Katana een chiisa katana of wakizashi te dragen. Waarom het zo populair was is echter nog onduidelijk. Waarschijnlijk was het gewoon comfortabeler het zo te dragen.
Degenen die er de kracht voor hadden gingen te strijd met een enorme Nodachi, maar de meesten prefereerden een speerachtige over een Nodachi. De naginata was nog altijd populair, maar had nu een korter blad. Een aantal Kumade(熊手), een klauwachtige riek, en Kama(鎌), een sikkelvormig handwapen, werden ook nog gebruikt, maar deze waren zeer zeldzaam. De meest gedragen speerachtige was de yari(座利), speer, met een gemiddelde lengte van 1.8m tot 2m.
Edo Periode
Japan in Isolatie
De Edo periode begint officieel met het Tokugawa-Shogunaat te Edo maar het was niet totdat Iyemitsu, Iyeyasu's kleinzoon, aan de macht kwam dat de Periode zijn eigen karakteristieke politiek en levensstijl kreeg. Iyeyasu zelf was nooit een erge tegenstander van het christendom geweest maar zijn zoon en kleinzoon des te meer. Het was onder het Regime van Iyemitsu dat het christendom geheel verbannen werd uit Japan na een opstand van christelijke samurai en boeren in 1637 in Shimabara. Hij stelde een plan samen om de religie middels repressie en verbanningen van de Japanse bodem te vagen. Tezelfdertijd werd een politiek van afzondering gehandhaafd en zo sloot Japan zich bijna hermetisch af van de buitenwereld, met een kleine uitzondering van een klein kunstmatig eiland, Deshima, waar alleen Nederlanders en Chinezen mochten komen.
Intern werd er een wetgeving opgesteld waardoor de hele sociale structuur door werd aangetast. Veel van deze wetten werden echter nooit fatsoenlijk opgetekend en waren als zodoende niet zoveel waard. Voor de Samurai was deze periode de minst actievolle van de Japanse geschiedenis. Er heerste grotendeels vrede in het land en de klasse van krijgers die tot dan toe altijd wel op een gevecht konden rekenen begon langzaam maar zeker zonder werk te geraken. Veel van de Samurai van de Edo periode hadden zodoende ook nooit echt het zwaard gekruist met een levend wezen.
De taken van de Samurai verschoven naar politiemannen en magistraat. Ook een belangrijke positie bekleed door hen was brandweerman. Over heel het land werden speciale brandweer korpsen opgericht onder de leiding van samurai die dan wedijverden om als eerste bij de brand plaats te zijn, zodat ze hun vlag op een naburig dak konden plaatsen en zo het recht verwierven de brandhaard te blussen en zo hun loon te krijgen. Het ging zelfs zo ver dat in bepaalde steden de Daimyo(大名)meededen. Voor de brandbestrijding werden de samurai harnassen lichtjes aangepast om de vlammen beter te weerstaan, en er werden vaker gezicht bescherming gedragen tegen de vonken.
Schermkunst werd er hoofdzakelijk bedreven met een houten zwaard, Bokuto(木刀) of Shinai(竹刀), en later met een soort van harnas. Dit was de geboorte van de Japanse schermkunst Kendo. Door veel Samurai werd dit echter op het begin zeker niet geaccepteerd. Het heeft dan ook een hele tijd geduurd vooraleer deze vorm van zwaard vechten helemaal ingeburgerd was.
Gedurende de Edo periode was nu het voornaamste wapen helemaal het zwaard geworden. Alleen de samurai mochten de daishou(代償), de combinatie van 2 zwaarden, dragen maar elke koophandelaar, artiest of ambachtsman die het geld ervoor had droeg een kortzwaard of een variatie van een dolk, Tanto(担当), het enige dat men mocht dragen als niet-samurai. Velen van deze zwaarden en hun scheden waren prachtig versierd en werden meer en meer een status symbool in plaats van waarvoor ze echt bedoeld waren. De vrouwen van de samurai droegen meestal een kleine Tanto, verborgen in hun kimono. Deze waren bedoeld als laatste verdediging maar vaker als laatste methode sepukku(切腹), zelfmoord, mee te plegen.
Omdat er zo weinig mogelijkheden waren een zwaard uit te testen wist men van velen niet of ze van goede kwaliteit waren. Sommige samurai testten hun zwaarden uit op boeren die iets kleins hadden misdaan. Op zich was dit geen misdaad maar het werd zeker niet alom aanvaard. Andere methoden om de scherpte van een zwaard te meten waren een bundel van nat stro, vast gebonden aan een bamboe paal, of lijken van misdadigers.
Na de aankomst van Matthew Perry in het midden van de 19de eeuw, begon de samurai klasse en hun traditionele wapens helemaal af te brokkelen met als gevolg dat deze een tijdje na de Meji-restauratie helemaal werd afgeschaft.
Bronnen
Boeken
- I. Bottomley & A.P. Hopson, Arms & Armour of the Samurai, Defoe Publishing, 1988
Colleges
- Vande Walle, Willy. Geschiedenis van Japan tot 1868, cursus en colleges gedoceerd voor de Katholieke Universiteit Leuven, academiejaar 2006-2007.
- Hellemans, Karel. Inleiding tot de Japanse cultuur, cursus en colleges gedoceerd voor de Katholieke Universiteit Leuven, academiejaar 2005-2006


