Vorming van de vroege japanse staat Yamato (300-645)

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

De specifieke staatsstructuur van Yamato

De koning als vredestichter

Erkenning van China's suzereiniteit

De tumulibouwers van de derde-vierde eeuw na Christus waren verantwoordelijk voor de eerste vorm van politieke eenmaking van Japan. De militaire elite onder leiding van het clanhoofd (uji no kami 氏の上) oefende ten opzichte van de andere clanleden een steeds groter wordende macht en gezag uit, en ook tussen de verschillende clans onderling groeiden rivaliteit en strijd. Als gevolg daarvan werden de verhoudingen van dominantie en onderworpenheid steeds nadrukkelijker. Uit de behoefte om hun macht te bestendigen groeide stilaan een vorm van staatsstructuur. Reeds in de eerste eeuw na Christus was er onder de meer dan honderd "rijken" van Noord-Kyūshū een rijk Na (奴国), wiens "koning" een gezant zond naar het hof te Luo-yang. In ruil voor de erkenning van de Chinese suzereiniteit kreeg hij van de Han-keizer een gouden zegel met de inscriptie “Koning van Na in het land van Wa onder de Han” (gemeld in de Hou-Han shu 後漢書). (Het zegel werd overigens tijdens de Edo-periode op het eiland Shikanoshima (志賀島) weergevonden). Deze Chinese titel verhoogde uiteraard het gezag van de koning van Na.

Himiko (卑弥呼)

De vele rijkjes streefden naar gebiedsuitbreiding en kwamen steeds vaker met elkaar in botsing. Door een proces van eliminatie en annexatie bleven slechts enkele grotere rijken over. Eén daarvan was het rijk van Yamato (of Yamatai 邪馬台国), dat tot ontwikkeling kwam in de eerste helft van de derde eeuw en vermeld wordt in de Chinese dynastieke geschiedenis Wei-zhi (魏志). Volgens deze bron omvatte het rijk van Yamato 28 kleinere staatjes. Het werd geregeerd door een mannelijke vorst, maar na jaren van strijd kwamen de machthebbers overeen Himiko, een vrouw, tot koning uit te roepen. Zij was een soort sjamaan, bekleed met religieus, sacerdotaal gezag en fungeerde als vredestichter. De feitelijke macht berustte bij haar broer.

Hieruit blijkt dat er nog geen mannelijk erfrecht op de troon bestond en dat de Yamato-staat een confederatie van clans was, waarvan de clanhoofden in gemeenschappelijk overleg over de troonopvolging beslisten. Om de staat samen te houden was sacerdotaal gezag nog belangrijker dan politieke en militaire macht. Dat de koning bovendien een vrouw is, wijst op de nawerking van de matriarchale clanmaatschappij. Haar gezag was evenwel niet voldoende. Om de stabiliteit te verzekeren in een maatschappij waarin de koning en de edelen (taijin 大人) in toenemende mate het gewone volk (geko 下戸) en de slaven domineerden, was er behoefte aan controleorganen, zoals leger en politie. Degenen die de controle uitoefenden waren niet-productief. Zij dienden bijgevolg onderhouden te worden door het heffen van belastingen. Het beheer over deze instellingen (leger, beheer, belastingsdienst) werd overgelaten aan Himiko's broer, die dus optrad als een soort regent. In 239 zond Himeko een gezant naar Luo-yang, toentertijd de hoofdstad van de Wei-dynastie, met als geschenken slaven en weefsels. In ruil kreeg zij de titel van “koning van Wa”, alsmede giften van zijde, goud, zwaarden en spiegels. De koningstitel verhoogde uiteraard haar gezag ten aanzien van de andere clanhoofden.

Van oudsher bestaat er discussie over de precieze ligging van de Yamato-staat: was het Noord-Kyūshū of de Yamato-vlakte in de Kinai-regio? Zoveel is zeker, dat er in dit laatste gebied vanaf het midden van de derde eeuw een staat tot ontwikkeling kwam die beantwoordt aan het signalement van Yamato of Yamatai dat hierboven gegeven werd. Tegen het midden van de vierde eeuw strekte zijn gezag zich uit van Noord-Kyūshū in het westen tot de Kantō-vlakte in het oosten. De legende van Yamato Takeru no Mikoto (日本武尊・倭建命) zou een weerspiegeling van die historische werkelijkheid zijn.

Interventie in Korea

In het midden van de vierde eeuw drong het gezag van Yamato door tot in Zuid-Korea, waar een kolonie, Mimana (任那) genaamd, gesticht werd. Vervolgens sloot het een verbond met het Koreaanse rijk Paekche (百済, Japans: Kudara), gericht tegen de twee andere rijken op het schiereiland, met name Silla (新羅, Japans: Shiragi) en Koguryŏ (Chinees: Gao-ju-li; Japans: Kōkuri 高句麗). In deze tijd stond het noordelijke deel van China onder niet-Chinese (zogenaamde barbaarse) heerschappij. Als gevolg daarvan had China zijn invloed in het Koreaanse schiereiland verloren. Yamato maakte hier dankbaar gebruik van om er zijn eigen macht en invloedssfeer uit te breiden. In de traditie van de koning van Na erkende het de suzereiniteit van de Chinese keizer om in ruil daarvoor de titel van koning te krijgen met gezag over Zuidelijk Korea. In de Songshu (宋書), de dynastieke geschiedenis van de Liu-Song (劉宋; 420-479), is sprake van vijf koningen van Wa, die de Song-keizer verzochten om de titel van militair gezagvoerder over de zes staten: Wa (= Japan), Kudara, Silla, Mimana, Qin-Han (秦韓) en Mu-Han (慕韓), met bovendien de titel van generalissimo, beschermer van het oosten, en die van koning van Wa.

De periode van de vijf koningen (vijfde eeuw) valt samen met het toppunt van de Japanse macht in Korea. In die tijd werden vele technici, ambachtslieden en handwerkslieden als slaaf naar Japan meegevoerd. Ook ontgonnen de Japanners ijzererts in Zuid-Korea, wat een sterke toename van de ijzerproductie tot gevolg had. Nieuwe technieken en voorwerpen deden hun intrede in Japan. Zo ook ondermeer de rekenkunde en het schrift. De koning maakte gebruik van een Koreaan om zijn officiële brieven aan de Chinese keizer in het klassiek Chinees op te stellen. De Nihonshoki (日本書紀, Kronieken van Japan) verhaalt dat tijdens de regering van keizer ōjin (応神; geïdentificeerd met de eerste van de vijf koningen) de kroonprins van een geleerde, Wani (王仁) genaamd en afkomstig uit het Koreaanse rijk Kudara, onderricht kreeg in de Analecta (Lun-yü 論語) van Confucius.

Tumuli en haniwa (埴輪)

Uit de Yamato-staat, die in de derde eeuw ontstaan was als een confederatie van clanhoofden, was in de loop van meer dan een eeuw van binnenlandse en buitenlandse oorlogen, een vrij machtig rijk gegroeid, bestuurd door een erfelijk en mannelijk vorst, die ōkimi (大君), groot vorst, genoemd werd, in contrast tot andere clanhoofden die als kimi (君), vorst, werden aangeduid. De meest indrukwekkende getuigenis van de macht van deze vorsten zijn de reeds vermelde tumuli, die vooral in de vijfde eeuw een grote bloei kenden. Dit waren kunstmatige heuvels, vierkant aan de ene kant, rond aan de andere, die het graf van een vorst bevatten en door één of meerdere grachten en wallen omringd waren. Rond de grafheuvel werden beelden van aardewerk opgesteld die krijgers, boeren, dieren, huizen, boten of gebruiksvoorwerpen voorstellen (haniwa 埴輪). In het graf zelf treft men, naast allerlei ijzeren gereedschap, vaak een bronzen spiegel, juwelen van jade (magatama 曲玉) en een zwaard van ijzer aan. Dit zijn juist de drie soorten voorwerpen die later de drie heilige voorwerpen van het Japanse keizerschap zullen worden. Zij werden in China aangekocht in ruil voor slaven.

Interpretatie van de mythologie

De Japanse bronnen

De Japanse bronnen die over deze periode handelen dateren uit de achtste eeuw en zijn dus van veel latere datum dan de Chinese en bovendien hoofdzakelijk van mythologische en legendarische aard. Deze mythen en legenden verhalen over het begin van de wereld en de afstamming der goden tot aan de eerste keizer Jinmu (神武), afstammeling van de zonnegodin. Deze verhalen bevatten een kern van waarheid. Zij weerspiegelen het historische feit van een machtige clan in Yamato, geleid door de chef van de stamlijn van de zonnegodin, die haar hegemonie vestigt over het kernland van Japan.

De clan (uji 氏)

De Yamato-hegemonie was op bijzondere wijze gestructureerd. Aan het hoofd stond de leider van de stamlijn die rechtstreeks van de zonnegodin afstamde. Om hem heen was een groep van families geschaard die nauw met elkaar verwant waren en als geheel de clan (uji) van de zonnegodin vormden. De heersende clan werd gesteund door een grote groep van dienende clans. Deze clans vormden de bovenlaag van de maatschappij. Zij hingen af van een substratum van gemeenschappen van gewone werkers (be 部) die gegroepeerd waren volgens buurt of beroep. De derde sociale groep waren de slaven (yakko 奴), gehecht aan de huishoudens van de uji.

Religie

De religie speelde een belangrijke rol omdat ze de maatschappelijke structuur wettigde in bovennatuurlijke termen. De leider van de stamlijn van de zonnegodin bood, dankzij de werkzaamheid van deze laatste, het hele land bescherming, terwijl de leiders van de vazal-clans door hun meer gelokaliseerde clan-goden, plaatselijke bescherming boden en zodoende hun recht lieten gelden op plaatselijke heerschappij. Dat recht was ingebed in de eredienst aan die respectieve goden. Regering en eredienst waren één, en er was maar één woord (matsurigoto 政) voor beide begrippen.

De sociale structuur, de politieke organisatie en de godsdienst van de vroege Yamato-staat (tweede tot vijfde eeuw) zijn typisch voor het Japanse volk en op het continent waren geen vergelijkbare praktijken aanwezig. Deze structuur vormde de matrijs voor alle latere vormen van maatschappelijke organisatie, ondanks de sterker wordende Chinese invloed vanaf de zesde eeuw.

De Yamato-staat en de stijgende Chinese invloed

De Yamato-hiërarchie in gevaar

Interne spanningen tussen de leidende clans

Hoewel de Japanners in 562 uit Mimana verdreven werden, hielden de intense contacten met het continent aan. Binnenlands beginnen nieuwe clans aan invloed te winnen of verwerven in afgelegen gebieden een grote mate van autonomie. Hierdoor komen ze in botsing met de Yamato-clan die er juist naar streefde de federatie van clans om te buigen tot een meer gecentraliseerde staatsstructuur. De clanleider eiste meer abstracte en absolute prerogatieven voor zich op en een nieuw systeem van titels en rangen werd uitgewerkt. Bovendien vergrootte de heersende clan haar economische macht door annexatie van nieuwe be.

Het boeddhisme en zijn politieke implicaties

Het groeiende antagonisme leidde tot een eerste confrontatie naar aanleiding van de officiële introductie van het boeddhisme in Japan (in 538 na Christus). De strijd werd geformuleerd in termen van superioriteit van de Boeddha over de autochtone shintō (神道)-goden, de kami, maar dit was de façade waarachter de Soga (蘇我), een vrij recente zijtak van de Yamato-clan, de traditionele elite van de macht poogde te verdringen. De strijd werd beslecht in 587 ten voordele van de Soga-clan, die nu de touwtjes in handen nam. Hij zette een vrouwelijke heerser op de troon, Suiko (推古), en benoemde Shōtoku Taishi (聖徳太子) tot regent.

China als institutioneel voorbeeld

Shōtoku Taishi

Hoewel gehuwd met een Soga-dame, stelde Shōtoku Taishi (574-622) alles in het werk om de belangen van de heersende clan te vrijwaren. Daartoe poogde hij de Yamato-staatsstructuur om te bouwen tot een gecentraliseerde bureaucratie in dienst van een soevereine heerser naar het model van de Chinese dynastieën Sui (隋 589-618) en de Tang (唐 618-907).

In 603 kondigde hij een nieuw systeem van hofrangen af en in 604 vaardigde hij een code van 17 artikelen (Jūshichijō no Kenpō, 十七条憲法) uit, waarin hij een nieuwe politieke ethiek formuleerde op basis van het Chinese confucianisme. Het boeddhisme werd sterk bevorderd als een kracht die kon bijdragen tot de consolidatie van de eenheid van de staat.

Staatsgreep

Shōtoku Taishi's werk werd verdergezet door een factie van clans onder leiding van Naka no Ōe (中大兄). In 645 plegen ze een staatsgreep en kondigen ze het Edict van de Grote Hervorming (Taika no Kaishin 大化の改新) af. Dit moest het land organiseren op Chinese leest met aan het hoofd de soevereine keizer. Het duurde evenwel tot de regering van keizer Tenmu (天武, regeerde van 672 tot 686) voor dit programma in de praktijk gebracht kon worden. Binnen enkele decennia had Japan zijn eerste permanente hoofdstad Heijōkyō (平城京) met een heuse burgerlijke bureaucratie en een geheel van codes en reglementen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo