Voortgaande plaatselijke autonomie

Uit GeschiedenisJapan

Voor boeren en samurai

Rond deze tijd grijpt er een differentiatie plaats in de klasse van de myōshu-boeren. De bovenlaag wordt ofwel gemilitariseerd en ontwikkelt zich tot bushi ofwel verrijkt ze zich met de handel of geldleningen. Deze sociale groep wordt o.m. als kokujin 国人, kunishū 国衆 of jizamurai 地侍 aangeduid. De andere myōshu-boeren vervallen meer en meer tot keuterboeren. De genin van hun kant, die oorspronkelijk als slaaf toebehoorden aan de rentmeester, slagen er ook in autonomer te worden. Zij mogen hun eigen landbouwwerktuigen hebben en krijgen 3 à 5 tan 段 (1 tan = 991,7 m²) land om voor zichzelf te bewerken.

De bovenlaag van de myōshu of jizamurai organiseren de groter geworden groep van autonome keuterboeren per dorp, onafhankelijk van de shōen, in hechte verbanden, 惣 genaamd, waarmee zij beter tegen landheren (ryōshu) en rentmeesters (jitō) weerstand kunnen bieden. Zij slagen erin de corvee te doen verlichten en de landheer en rentmeester vrede te doen nemen met een vaste jaarlijkse rente in natura.

De boeren kunnen daardoor hun maatschappelijke status in aanzienlijke mate verbeteren. Van slaven en horigen evolueren ze tot een soort pachtboeren, die jaarlijks een vastgestelde rente betalen. Terzelfdertijd ontwikkelen zich dorpen los van de shōen en de publieke domeinen, m.a.w. los van het grootgrondbezit.

Als de landheren op deze sociale veranderingen wilden inspelen en de nieuwe bovenlaag van de dorpen in hun gezagsstructuur wilden onderbrengen, dan moesten zij zich in die dorpen integreren. Voor de klasse van de bakufu-vazallen (gokenin) viel dit bijzonder moeilijk. Zij waren georganiseerd in grote patriarchale families, waar meervoudig erfrecht gebruikelijk was. Alle zonen hadden recht op een deel van de erfenis, land en bezittingen, maar het belangrijkste deel ging naar de oudste zoon, die de volgende pater familias werd. Hij had gezag over alle andere leden van de familie en was als zodanig aansprakelijk tegenover het bakufu. In de meeste gevallen bestond de erfenis niet zozeer uit landeigendom dan wel uit rechten op land, die ambtshalve verbonden waren aan de ambten van rentmeester en shōen-beheerder. Door de vorming van de hechte dorpsgemeenschappen kon men nu niet langer de opbrengsten van de rechten innen, tenzij men terplaatse gevestigd was. Dit had voor gevolg dat de verschillende erfgenamen zich gingen vestigen in hun respectievelijke erfgebieden en daardoor een grotere onafhankelijkheid tegenover de oudste zoon, de pater familias gingen aan de dag leggen. Om dat tegen te gaan, streefde deze laatste naar een onverdeeld erfrecht voor de oudste. Interne familietwisten om erfenissen werden dan ook steeds heviger en bloediger naar het einde van de Kamakura-periode toe. De bakufu slaagde er niet in de vele betwistingen om het erfrecht te beslechten en dit verzwakte haar controle over de vazallen.

Voor rentmeesters en landgoed-beheerders

De rentmeesters, shōen-beheerders en de plaatselijke landheren in het algemeen waren hoe langer hoe minder geneigd om de geïnde belastingen door te sturen naar de honjo en de ryōke. Dit creëerde uiteraard gedurig twisten tussen de rentmeesters enerzijds en de eigenaars anderzijds, maar de eerstgenoemden woonden op de landeigendom zelf en dit was hun sterkte. Daardoor konden zij vanaf het midden van de dertiende eeuw geleidelijk aan het systeem ombuigen in hun voordeel. Door middel van een soort overeenkomst, jitō-uke 地頭請 genaamd, verbond de rentmeester er zich toe ieder jaar een vast bedrag belastingen over te dragen aan de honjo en de ryōke, ongeacht de opbrengst van de oogst. In ruil daarvoor kreeg de rentmeester de vrije hand in de shōen en mocht hij verder zoveel belasting van het volk vorderen als hem dat beliefde. Het ging nog verder en heel vaak werd het landgoed in twee helften verdeeld (shitaji-chūbun 下地中分), één voor de eigenaar en één voor de rentmeester. Dit vergrootte de macht van deze laatste maar leidde ook tot de ontbinding van de shōen. Zo zien we hoe traag maar zeker het meervoudig grondbezit, zoals dat tijdens de Heian-periode tot stand was gekomen, gewijzigd en omgebogen wordt in het voordeel van de lagere echelons in de bezitshiërarchie, omdat zij terplaatse gevestigd zijn.

Gemilitariseerde benden

Lang niet alle rentmeesters, beheerders en gokenin slaagden in deze transformatie naar het statuut van plaatselijke landeigenaar. Een groot gedeelte miste de boot en verarmde, waardoor ze hun gronden moesten verpanden of afstaan. De ernstige aderlating die de bushi geleden hadden door de oorlog tegen de Mongolen en het verlies aan gezag dat het bakufu geleden had door zijn onmacht om de oorlogverdiensten te belonen, versnelden dit proces nog. Zowel de landheer geworden gokenin als de verpauperde gokenin versterkten nog hun uitbuiting van de myōshu-boeren.

Dit stimuleerde de reeds aan de gang zijnde differentiatie van deze klasse in kokujin en jizamurai enerzijds en zelfstandige keuterboeren anderzijds en hun integratie in -verbanden. In de veertiende eeuw kende de vorming van deze -verbanden een enorme opgang. Zij waren plaatselijke fenomenen, die tot stand kwamen ongeacht de geografische scheidingslijnen van de landgoederen. De landeigenaars noemden deze verbanden "benden van kwaad" (akutō 悪党). Zij bestonden (zoals men kon verwachten) oorspronkelijk uit bushi die geen gokenin waren. Naderhand echter zullen talrijke gokenin zich opwerpen tot leiders van deze benden. De politie-commissarissen (shugo) van hun kant, die geacht worden deze benden te controleren, zullen ze integendeel beschermen en tot hun eigen dienaars maken, en hun gronden bij de hunne voegen. Zo zullen de shugo evolueren tot grote feodale landheren, die landheer geworden rentmeesters en “benden van kwaad” tot hun vazallen maken.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo