Volledige feodalisering van Japan

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

De macht ontglipt de Minamoto

Na de vernietiging van de Taira consolideerde Yoritomo stap voor stap zijn macht. Onder het voorwendsel de laatste haarden van Taira-verzet uit te roeien, stelde hij in alle provinciën van Kyūshū politiecommissarissen (sō-tsuibushi 総追捕使) aan. In 1189 schakelde hij zijn jongere broer Yoshitsune uit en in 1192, bij de dood van Go-Shirakawa kreeg hij officieel de titel van ‘shōgun.

De economische grondslagen van het bakufu-regime vertoonden ondanks alles veel gelijkenis met die van de Taira. Enerzijds waren er de shōen die het van de Taira geconfisqueerd had, en de chigyōkoku die Yoritomo in het Kantō-gebied verworven had. Anderzijds waren er de shōen waar hij het recht had rentmeesters (jitō ) te benoemen. Dit systeem verschilt niet wezenlijk van de aristocratische bezitsvorm, zoals die tijdens de Heian-periode was gegroeid. Yoritomo's macht lag in de eerste plaats in het feit dat hij de eigenaars van rechten op land, met name de gemilitariseerde beheerders en naambezitters (myōshu), die praktisch voor de productie instonden, die het volk controleerden en over een militaire macht beschikten, aan zich als zijn vazallen (gokenin) wist te binden.

Na Yoritomo's dood in 1199 ontstond er een machtsstrijd tussen zijn voornaamste vazallen. De familie van zijn weduwe, Hōjō Masako 北条政子 (1157-1225), wist het laken naar zich toe te trekken. Haar vader werd in 1203 regent (shikken 執権) van het Administratief Bureau (kumonjo, later mandokoro genoemd), de hoogste positie in de bakufu-administratie. De Hōjō-familie wist deze positie te monopoliseren tot aan het einde van het Kamakura-bakufu in 1333. De shōgun diende alleen nog als een soort façade en had niet de minste feitelijke macht meer. In 1219 reeds waren alle directe nakomelingen van Yoritomo uitgeschakeld. Een Fujiwara-hoveling, twee jaar oud en vaag met Yoritomo verwant werd uit Kyōto gehaald om als shōgun dienst te doen. Vanaf 1252 waren het prinsen van den bloede die tot "shōgun" benoemd werden. De Hōjō waren nu meer dan ooit heer en meester.

Het Jōkyū-incident (承久の乱)

Keizer Go-Toba 後鳥羽 (1180-1239) deed in 1198, op achttienjarige leeftijd, troonsafstand. Hij koesterde de ambitie om de dyarchie ongedaan te maken. Dit was natuurlijk de droom van elke keizer die met de dyarchie te maken kreeg, maar Go-Toba deed er ook wat aan. Als ex-keizer ontwikkelde hij een koortsachtige activiteit om zijn machtsbasis uit te breiden en hij slaagde daar aardig in ook. Zijn In-no-chō werd de voornaamste instantie van politieke besluitvorming in de hoofdstad, en hij rekruteerde vazallen van het bakufu en andere krijgers voor zijn persoonlijke wacht. In 1221 voelde hij zich sterk genoeg om een confrontatie met het rivaliserende machtscentrum Kamakura aan te gaan. Hij vaardigde een decreet uit dat tot een strafexpeditie tegen de Hōjō opriep. Hij misrekende zich echter schromelijk. Zijn troepen bleken weinig samenhang te hebben en weinig strijdlust, aangezien er ook weinig buit in het vooruitzicht gesteld kon worden. Hij had ook gerekend op een massale mobilisatie van de bushi die geen vazal waren van het Kamakura-bakufu, en de kloostermilities, doch zulks gebeurde niet. De hoofdstedelijke aristocratische eigenaars van de shōen voelden weinig sympathie voor Kamakura dat de rentmeesters aanstelde die steeds meer rechten op hun landgoederen gingen usurperen. Hij kon dus op hun massale steun rekenen, geloofde hij, maar ook zij hielden zich gedeisd. De Hōjō-legers hadden niet de minste moeite om de keizerlijke troepen te verslaan en de hoofdstad te bezetten.

Het incident had belangrijke gevolgen. De regerende keizer werd afgezet en drie ex-keizers, waaronder Go-Toba zelf, werden verbannen. Er werd een Inspecteur-Generaal (tandai 探題) aangesteld met zetel te Rokuhara 六波羅 (Kyōto), die op het keizerlijk paleis toezicht moest houden. Dit ambt werd eveneens door de Hōjō-familie gemonopoliseerd. Voortaan gaven zij zelfs hun zegen over iedere troonsopvolging en iedere verandering van naam van regeringsperiode (nengō ). Bovendien confisqueerden zij ongeveer 3000 landgoederen van de in , de aristocratie en andere medestanders van Go-Toba, en plaatsten ze onder het beheer van rentmeesters (jitō), die gekozen werden onder bakufu -vazallen. Zij kregen een elfde van de oppervlakte van de shōen toegewezen en op deze grond dienden zij geen pachtrente (nengu ) of andere rechten te betalen. Deze fiscaal vrijgestelde gronden (menden 免田) werden de basis van waaruit de rentmeesters steeds verder de shōen gingen aanvreten. Het cijfer 3000, dat uit de historische bron Azuma Kagami (吾妻鏡・東鑑) afkomstig is, is zeer waarschijnlijk overdreven, maar feit is in elk geval dat er een belangrijke verschuiving van de bezitsverhoudingen plaatsgreep.

De Jōei-code

Met de Hōjō kwam in Japan een nieuwe klasse aan de macht. Zij waren niet zoals de Taira of de Minamoto de nakomelingen van een beroemd geslacht, maar stamden van kleine grondbezitters in Izu 伊豆 af. De bushi waren nu de machtigste klasse in Japan. In 1232 vaardigde Hōjō Yasutoki 北条泰時 (1183-1242) een eigen 'grondwet' uit, bekend als de Jōei-code (Jōei Shikimoku 貞永式目). Hij bestond uit 51 artikels die richtlijnen bevatten voor de vazallen die het bakufu dienden. Hij was gebaseerd op het gewoonterecht zoals dat gangbaar was onder de bushi -klasse en mag als de eerste codificatie van samurai-recht aangezien worden.

Een van de voornaamste taken van het bakufu was het beheersen van conflicten tussen zijn vazallen. Het slaagde erin zijn vazallen ervan te weerhouden hun geschillen op het slagveld uit te vechten en zich aan het oordeel van de rechtspraak te onderwerpen. Dit mag als een belangrijke verwezenlijking van het bakufu beschouwd worden.

Typisch Japans is dat de Jōei-code de Taihō-code niet verving. Deze laatste bleef verder kracht van wet hebben voor de civiele ambtenaren, de grote kloosters en de bushi die geen vazal waren van het bakufu. De Jōei-code gold alleen voor de feodale domeinen die onder bakufu-administratie stonden, die dus bestuurd werden door rentmeesters (jitō) en politiecommissarissen (shugo), maar naarmate de macht van de bushi aangroeide, won de Jōei-code ook aan belang en verruimde haar toepassingsveld. Voor geschillen tussen militaire ambtenaren (jitō en shugo) en aristocratische grootgrondbezitters, gingen deze laatsten meer en meer beroep doen op de rechtspraak van het bakufu, daar die van het keizerlijk hof vaak weinig effectief was, of nog, omdat zij volgens de Jōei-code wel een vazal van Kamakura konden aanklagen, maar er zelf niet onder de rechtspraak van vielen. Zo breidde het toepassingsveld van de Jōei-code zich de facto uit.

Feodale staat

De machts- en staatsstructuur van het Kamakura-bakufu verschilde fundamenteel van de keizerlijke eenheidsstaat. Voorheen heerste de monarch door middel van een bureaucratie over elke onderdaan in het land. Nu waren het de plaatselijke grote en kleine eigenaars van rechten op land die, onafhankelijk en zonder inmenging van het centrale gezag, rechtstreeks de boerenbevolking controleerden. De boeren waren alleen verantwoording aan de grondbezitter verschuldigd. Dit kon een aristocratische eigenaar zijn, een vazal van Kamakura, of een als rentmeester aangestelde vazal van hetzelfde Kamakura.

De centrale administratie van het bakufu was niet opgesplitst in uitvoerende ministeries, maar bestond in wezen uit vijf bureaus. Drie ervan waren door Yoritomo ingesteld:

  1. samurai-dokoro 侍所, belast met de militaire en politionele zaken en de controle over de vazallen;
  2. monchū-jo (of monjū-sho 問注所), juridische instelling om geschillen tussen de vazallen te beslechten;
  3. kumon-jo of mandokoro 政所, bureau voor algemeen politieke en financiële zaken, verantwoordelijk voor de uitvaardiging van de meeste edicten van de shōgun. Hōjō Yasutoki, algemeen beschouwd als de grootste regent van de Hōjō creëerde nog het:
  4. hyōjōshū 評定衆 of de Staatsraad, een college van raadgevers dat het hoogste gezag van het bakufu uitoefende. Onder Hōjō Tokiyori 北条時頼 (1227-1263) werd daar in 1249 het volgende bureau aan toegevoegd:
  5. hikitsukeshū 引付衆, het Bureau der Coadjutoren, een instelling belast met het onderzoek van aanklachten, ondergeschikt aan de Staatsraad.

Opvallend is dat rechtspleging veruit de voornaamste functie is van de instellingen van het bakufu. Deze vijf instellingen hadden directe bevoegdheid over de vazallen, dus de bushi die in hun eigen regio optraden als de plaatselijke bestuurder en er direct gezag over de boerenbevolking uitoefenden. Het bakufu was een soort arbitrage-instelling die de vrede en de orde tussen de militaire landheren moest handhaven.

De macht op het lokale vlak, in het dorp, werd gedeeld door de plaatselijke landheer en de rentmeester, maar de twee ambten vielen meestal samen in dezelfde persoon. Hij beschikte over een aantal slaven, maar de overgrote meerderheid van zijn onderdanen waren myōshu-boeren, die hij onder militaire dwang aan hun gronden bond en van wie hij pachtrente (nengu) en corvee opvorderde. Zij hadden dus een horige status. De klasse van de grondbezitters zelf was ook sterk gestratifieerd. Zij stonden in een onderling verband van dienaar en heer, m.a.w. van leenman en leenheer. De leenheer was dan op zijn beurt weer vazal van het bakufu. We hebben hier bijgevolg te maken met een feodale staats-en maatschappijvorm.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo