Verbod op het christendom en afkondiging van het isolement

Uit GeschiedenisJapan

Vervolging van de christenen

Omdat Ieyasu in zijn wens om de handel aan te moedigen aanvankelijk tolerant was geweest ten opzichte van de verspreiders van het christelijke geloof, kende dit een enorm succes in vrijwel heel Japan. In 1605 schatte men het aantal bekeerden op 700.000 (nu ongeveer 900.000) en waren er zelfs missieposten in het noordelijke Sendai. Op het eiland Amakusa 天草 hadden de jezuïeten een school, waar jonge Japanners onderricht kregen in de christelijke leer en opgeleid werden tot priesters. Er was ook een actieve boekdrukpers die niet alleen boeken over de doctrine in het Japans publiceerde, maar zelfs meesterwerken uit de Japanse literatuur. Ook de invloed op het gebied van de kunst en de wetenschappen was niet gering. Deze enorme expansie van een vreemde religie veroorzaakte evenwel wantrouwen en angst bij het bakufu en vanaf 1612 komt stilaan een anti-missioneringsbeleid tot stand. In dat jaar verbood Ieyasu alle missionering in de gebieden onder zijn rechtstreekse toezicht, een bevel dat hij in 1613 uitbreidde tot heel Japan: het zogenaamde kinkyō-rei 禁教令. Van toen af werden de vervolgingen strenger, aanvankelijk door de priesters en gelovigen te verbannen, maar weldra ook door hen te dwingen hun geloof op te geven, en bij weigering de marteldood te sterven.

De redenen van deze ommezwaai zijn niet eenvoudig aan te geven maar hebben net zoveel te maken met de praktijken van de missionarissen zelf als met de vrees van het bakufu dat deze vreemde religie zich weleens tegen haar autoriteit kon keren, in de zin dat de congregatie van christenen zich zou organiseren in ikki om politieke vrijheden af te dwingen, zoals een eeuw eerder de ikki geleid door de Ikkō-secte. De inhoud van de christelijke boodschap was ook een rechtstreekse kritiek op het reilen en zeilen van de Japanse samenleving. De christenen erkenden slechts één god, keurden zelfmoord, polygamie en het ‘doodsethos’ van de samurai af. Het grote succes van de missionering deed bij het bakufu de vrees rijzen dat de autochtone shintoïstische en boeddhistische liturgie zou bedreigd worden.

Daarnaast, naarmate meer en meer Engelse en Hollandse handelaars Japanse havens aandeden, groeide ook bij Ieyasu het besef dat het katholicisme niét een superieure Europese religie was, en dat handel ook kon gebeuren zonder missionering als een neveneffect te moeten aanvaarden. In dit laatste idee werd hij aangemoedigd door de Engelsen en Hollanders, die de Portugezen en Spanjaarden ervan beschuldigden via de missionering uiteindelijk Japan te willen veroveren. Dit laatste moet voor Ieyasu een duidelijk motief zijn geweest om de zuidelijke barbaren, die toch het gebruik van vuurwapens, kanonnengieten,... kenden, uit zijn rijk te weren.

Dit brengt ons bij een ander motief waarom Ieyasu een antimissioneringsbeleid doordrukte. De tozama-daimyō van Kyūshū en West-Japan maakten enorme winst met buitenlandse handel, en indien het bakufu daaraan geen paal en perk stelde, konden deze wel eens sterk genoeg worden om de macht van het bakufu te ondermijnen, dit met behulp van de Portugezen en de Spanjaarden. De enige manier waarop het bakufu dit kon voorkomen was door alle havens te sluiten voor buitenlandse handel, behalve Nagasaki dat onder zijn rechtstreekse controle stond. Op die manier kon het bakufu niet alleen de hele handel controleren maar monopoliseerde het ook de winsten. Eén van de belangrijkste doelstellingen van de religieuze vervolgingen in Japan was dus eigenlijk een greep te krijgen op de handel en contacten met het buitenland en te vermijden dat anti-bakufu-elementen een coalitie zouden vormen of de middelen zouden verwerven om zich tegen het centraal bestuur te keren.

Het christendom druiste inhoudelijk wel in tegen de feodale structuren en opvattingen van het bakufu, maar de vervolgingen waren politiek geïnspireerd, en niet ingefluisterd door één of ander antireligieus sentiment: de Tokugawa's wilden een stabiel en welvarend regime en schakelden systematisch alle mogelijke factoren uit die deze doelstellingen konden schaden. Aldus werden naast het construeren van een rigide klassenmaatschappij alle invloeden, dus ook Europese, geweerd die deze structuren in gevaar konden brengen. Vandaar religieuze vervolging, beperking van de handel, ...

Sakoku 鎖国: het isolement

De vrees voor verdere uitbreiding van het christelijke geloof naast de angst dat de westelijke daimyō zich militair aan de greep van het bakufu zouden onttrekken bewoog het bakufu ertoe om in 1616 het aantal toegestane havens voor buitenlandse schepen te beperken tot Hirado en Nagasaki. In 1633 verbood shōgun Iemitsu alle schepen zonder officieel visa (= vermiljoenzegel) nog naar het buitenland te varen. Dit verbod werd in 1635 verscherpt en uitgebreid tot alle handelsschepen, gepaard met het verbod voor Japanse emigranten nog naar hun vaderland terug te keren en voor Japanners om te emigreren. In 1636 werd in de baai van Nagasaki het eiland Deshima (ook wel Dejima gespeld) geconstrueerd en voorzien van verblijfsmogelijkheden voor westerlingen. Het waren eerst de Portugezen die gedwongen werden zich daar te vestigen.

In 1637 brak te Shimabara een opstand (Shimabara no ran 島原の乱)voor die in oorsprong een sociaal-economisch probleem aan de kaak stelde maar die door het bakufu als een christelijke opstand werd bestempeld om haar ‘antibuitenlandbeleid’ nog aan te zwengelen. In 1639 kregen de Portugezen verbod nog Japanse havens aan te doen en in 1641 werden de Nederlanders verplicht hun factorij in Hirado te sluiten om alleen nog maar vanuit Deshima in de baai van Nagasaki te opereren. Op Chinese en Nederlandse schepen na mocht geen enkele buitenlandse mogendheid nog Japan aandoen. De repressie die het bakufu uitoefende op de christenen in Japan resulteerde enerzijds wel in een aantal afzweringen van het geloof maar had anderzijds ook tot gevolg dat de gemeenschappen aan cohesie gingen winnen en zich gingen afzetten tegen hun daimyō en het bakufu. Vooral in Noord-Kyūshū, in de streek van Amakusa en Shimabara, waren er veel van deze gemeenschappen. Tijdens de Shimabara-opstand hield een leger boeren het wekenlang uit tegen een machtig leger van westelijke daimyō, op de been gebracht op bevel van het bakufu. De opstandelingen waren grotendeels arme boeren, maar zij werden gesteund door meesterloze samurai en soldaten die onder christelijke generaals hadden gediend in de tijd van Hideyoshi. Men schat hun aantal op ongeveer 40.000 en slechts een honderdtal overleefden het beleg van het fort van Shimabara, waar de opstandelingen zich verschanst hadden. De bakufu-troepen telden ongeveer 100.000 man, maar zij leden ook grote verliezen, wat wijst op onbekwame militaire leiding. Niettemin won het bakufu uiteindelijk toch de strijd.

De opstand was niet in de eerste plaats een religieuze opstand maar een wanhopig protest tegen de dwingelandij van de daimyō van Shimabara en Amakusa. Het is echter wel zo dat vele van de opstandelingen zich inspireerden op het christelijk geloof van hun leiders, wier banieren de namen van heiligen droegen of met christelijke leuzen geborduurd waren. Wat er ook van zij, het neerslaan van de Shimabara-opstand betekende het einde voor de openlijke belijdenis van het christelijk geloof. Het gebeuren werd door de overheid aangegrepen om op grote schaal gelovigen en priesters op te sporen en om te brengen, en zoals gezegd, een blokkade tegen alle buitenlandse invloeden in te voeren.

Er werden ook religieuze controles ingevoerd die de verspreiding en of de belijdenis van het christelijk geloof moesten voorkomen. Eén van deze maatregelen was het creëren van klooster- of tempelregisters (shūmon aratame-chō 宗門改帳). Alle kloosters en heiligdommen werden verplicht registers aan te leggen van de personen die in hun ‘parochie’ woonachtig waren, met bijzonderheden over huwelijken, geboorten, reizen, beroepen, ... Op die manier kon het bakufu nagaan wie zich onttrok aan de ‘autochtone liturgie’. Een andere maatregel om christenen te dwingen hun geloof af te zweren was het fumi-e (踏絵). De verdachten werden gedwongen bovenop afbeeldingen van Christus of Maria te staan en hun geloof af te zweren. Wie dit niet deed stierf de marteldood. Duizenden mensen lieten het leven en door het beleid van het bakufu werd het christendom geheel in de illegaliteit en verborgenheid gedrongen. Vooral op Kyūshū bleven jarenlang geheime christelijke sekten voortbestaan.

Diplomatie en buitenlandse handel na de afsluiting

Het isolement hield in dat het Japanse volk alle contact met het buitenland verloor. Uitgewekenen keerden niet meer terug en nieuwe emigratie werd verboden. De Japanse enclaves in Zuidoost-Azië verloren hun eigenheid en gingen op in de lokale gemeenschap. Alleen Nagasaki bleef over als een soort sleutelgat waarlangs Japan naar buiten kon kijken, zij het dat dit privilege alleen was weggelegd voor enkele hoge ambtenaren van het bakufu, die contacten hadden met de Nederlandse factorij van Deshima. Eén van de opdrachten van het ‘opperhoofd’ van deze factorij was om éénmaal per jaar schriftelijk rapport uit te brengen over de situatie in de wereld bij het bakufu. Deze geschriften noemt men Oranda fūsetsugaki 阿蘭陀風説書, waarvan het oudste nu nog bestaande dateert uit 1675. Naast deze rapporten werd tevens druppelsgewijs de invoer van westerse wetenschappelijke werken toegestaan, vooral die over positieve wetenschappen. Alles wat (al was het maar van verre) verband hield met christendom en christelijke filosofie werd evenwel in beslag genomen.

Diplomatieke contacten met buitenlandse naties waren onbestaande. In 1644 was in China de Míng-dynastie gevallen en waren de Manchu's aan de macht gekomen, die van China een supermacht maakten die vrijwel heel Zuidoost-Azië domineerde. De Chinezen wensten geen diplomatieke contacten met Japan. De contacten met Korea, zo zagen we reeds, waren iets beter, maar overstegen eigelijk niet het niveau van protocolaire bezoeken telkens er een nieuwe shōgun aan het hoofd van het bakufu kwam.

Het isolement van Japan op politiek vlak ten opzichte van de buitenwereld was dus vrijwel compleet. Op het gebied van handel evenwel bleef de rol van Japan niet onbelangrijk. Weliswaar was de bloeiperiode van de Japanse reders die tot ver in Japan doordrongen voorbij (behalve voor de Shimazu: zij bleven nauwe banden onderhouden met de Ryūkyū-archipel die zowel aan China als aan Japan tribuut betaalden) en was alle handel in Nagasaki geconcentreerd onder controle van het bakufu, maar dat belette niet dat Japan voor de buitenwereld een interessante handelspartner bleef, en dat de deelname in de handelsactiviteiten voor Japan groot genoeg was om er een groot schatkistprobleem aan over te houden.

Van de Nederlanders kochten de Japanners wollen textiel, katoen, geneesmiddelen, uurwerken, suiker, boeken etc... Terwijl uit China de Japanners vooral zijde betrokken. Maar omdat Japan strikt genomen meer importeerde dan exporteerde was het regelmatig gedwongen zijn schulden aan te zuiveren door zilver uit te voeren. Dit zou op het einde van de 17de eeuw voor een schrijnende inflatie zorgen.

De eerste thee die de Europeanen dronken kwam overigens uit Japan. De oudste ons bekende melding van thee in een westerse bron is die van Gianbattista Ramusio (1485- 1557), die het in zijn werk Navigatione et Viaggi over Chai Catai (Chinese thee) heeft en vooral over haar geneeskrachtige werking. Toch was niet Chinese maar Japanse thee die het eerst in Europa werd gedronken. Theedrinken in Europa dateert van rond het jaar 1310. In dat jaar brachten de schepen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie theeblaadjes vanuit Hirado via Bantam naar Europa. Het was de typisch Japanse groene thee, maar hij sloeg blijkbaar aan. Vanuit Nederland verspreidde het drinken van thee zich verder naar andere Europese landen en in de achttiende eeuw werd Engeland het theedrinkende land bij uitstek. De eerste thee werd in Engeland geïmporteerd in het midden van de jaren 1630 via Nederland. Hoewel aanvankelijk groene thee veruit de belangrijkste variëteit was, werd hij allengs, en zeker vanaf de achttiende eeuw, door de zogenaamde rode of zwarte thee verdrongen. Deze kwam niet uit Japan, maar uit China. Het woord thee is daarom van Chinese oorsprong. Het is grosso modo onder twee vormen in de Europese talen terechtgekomen. Enerzijds is er de vorm cha of een variant daarvan, die afkomstig is uit het kantonees, anderzijds is er de vorm thee of een variant daarvan die afkomstig is uit het Fukienees. De Fukienese vorm is geassocieerd met de zeeroute en dat is inderdaad de weg die de eerste thee naar Nederland heeft afgelegd. Vandaar dat het Nederlandse woord voor thee teruggaat op het Fukienees, of beter gezegd het dialect van Amoy, de haven in het zuiden van Fújiàn die de schepen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie aandeden om thee in te slaan. Het Nederlandse woord ‘thee’ lag dan verder aan de oorsprong van het woord voor ‘thee’ in de andere West-Europese talen zoals het Duitse Tee, het Engelse tea en het Franse thé.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo