Verandering van de kledingsstijl onder invloed van het Westen

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Doorheen de eeuwen heeft er zich in Japan een unieke kledingsstijl ontwikkeld. In de vroege eeuwen was de culturele invloed in het algemeen vrij sterk vanuit China. Maar toch werden ideologieën, literatuur, wapens, kledingsstijl etc. na verloop van tijd meer en meer aan de Japanse identiteit aangepast. Pas in de Meiji periode in de 19e eeuw begon er golf van verwestering door de Japanse samenleving te stromen die daarna alleen maar sterker zou worden.

Inhoud

Edo periode

BUKE (武家)

Vrouwen

De buke oftewel de adellijke strijderklasse had in de Edo periode de opvallendste en meest rijkelijke manier van kleden. Zijde en katoen waren stoffen die voorbehouden waren voor deze klasse. Zowel vrouwen als mannen droegen een kimono (着物) die met een lange gordel of obi (帯) rond de heup werd vastgemaakt. Bij de vrouwen waren de obi echter veel breder en de kimono waren vaak met kleurrijke motieven versierd. Voor verschillende leeftijden en sociale rollen waren er verschillende kledingsvoorschriften (jong, oud, getrouwd, niet getrouwd). Oudere vrouwen kozen bijvoorbeeld meer voor sobere kleuren en tekeningen en jonge vrouwen meer voor felle kleuren en jeugdige bloemenmotieven. In de haren droegen vrouwen vaak versierde kammetjes en haarpinnen van been of hout. Ook de haarstijl was afhankelijk van de sociale rol. Maar wat de meeste vrouwelijke kapsels wel gemeen hadden was dat de nek werd vrijgelaten omdat dit als zeer vrouwelijk en aantrekkelijk werd beschouwd.

Mannen

De mannen droegen over hun kimono een broekrok of hakama (袴)die hen moest beschermen tegen doornstruiken wanneer zij te paard door het landschap trokken. Zij droegen hierover een jas met lange mouwen of haori (羽織) die op de borst met een touwtje werd dichtgeknoopt. Het familieschild of mon (紋) stond ook meestal op de schouder van deze haori weergegeven. Als schoeisel droegen zij zōri (草履 = sandalen van bamboemat) of geta (下駄 = houten sandalen) over tabi (足袋 = sokken waarbij de grote teen apart zit). Vrouwen droegen ook tabi en geta, maar dan wel de vrouwelijke variant. Het kapsel van de samurai was meestal de chonmage (丁髷):het haar van voor op het hoofd werd afgeschoren en het resterende haar werd in een dot vanboven op het hoofd bij elkaar gebonden. Hoewel geen kleding, de wapens van de samurai waren ook een belangrijk element van hun voorkomen. Onder de obi gestoken droeg een samurai steeds zijn kort zwaard of wakizashi (脇差) van het ogenblik dat hij opstond tot het ogenblik dat hij ging slapen. Dit zwaard was in de eerste plaats bestemd om zelfmoord te plegen maar ook om het hoofd van een aanvoerder van vijandige troepen af te snijden als bewijs van de overwinning. Het werd eveneens gebruikt om zich binnenshuis te verdedigen want het lang zwaard of katana (刀) werd afgelegd alvorens in een woning binnen te treden. De combinatie van deze 2 zwaarden noemt men daishō (大小), letterlijk “lang-kort”, en dit was het duidelijkste kenmerk van mannen uit de buke. In de 18e eeuw werd de combinatie van hakama en haori alleen nog maar gedragen voor formele gelegenheden en ceremonies. In zijn vrije tijd droeg de samurai gewoon een lange kimono met een obi rond de heup gewikkeld.

HEIMIN (平民)

De heimin, oftewel het gewone volk, bestond voornamelijk uit kooplieden en boeren. Zij waren niet vrij zich te kleden zoals zij dat wilden tot voor de Meiji periode. Hun kleding werd vervaardigd uit geweven henneplinnen of graslinnen. Alleen bij heel speciale gelegenheden mochten zij kleding van ruwe zijde dragen (tempelbezoek, huwelijk etc.) Aan de voeten droegen heimin zelden tabi of geta maar meestal zōri of sandalen van stro, die men waraji (草鞋)noemt in het Japans. De mannen droegen een lendendoek of fudonshi (褌)onder hun kimono. In de zomer droegen ze vaak niet veel meer dan de fudonshi. Bijna iedereen droeg een handdoek of tenugui (手拭い) die op het hoofd werd gedragen om zweet op te vangen of aan de gordel gehangen om het gezicht en de oksels af te vegen. Als het regende of sneeuwde droeg men een jas van stro, mino (蓑), vaak in combinatie met een hoed van stro. Vooral in de winter droegen mannen ook vaak beenkappen of kyahan (脚絆) om de benen te beschermen tegen de koude. Van kapsels was er niet echt sprake onder het gewone volk. Veel mannen lieten hun haar gewoon nu en dan afscheren en lieten het verder gewoon groeien. Als het te lang werd, bond met het haar ook wel eens samen met een koordje. De kimono van de gewone vrouwen was niet zo lang als die van hun adelijke geslachtsgenoten, slechts tot aan enkelhoogte. Dit om twee redenen: er was minder stof voor nodig en het was minder hinderlijk tijdens het werk.

Het traditionele boerenkostuum bestond uit een eenvoudige kimono en een smalle obi. De vrouwen bonden de lange mouwen van hun gewaad met een koord naar achteren om het werk op het lang te vergemakkelijken.

De verkopers droegen van een kort jasje dat happi heet (法被) met op de achterkant de naam van de winkel of een soort familieschild bij wijze van reclame.

Meiji periode

In deze periode van radicale verandering ging de eeuwenlang geïsoleerde Japanse samenleving steeds meer Westerse elementen overnemen teneinde te moderniseren en erkenning op internationaal vlak te bekomen.

De kloof wordt kleiner

Voor gewone mensen was het vanaf nu toegestaan het materiaal voor hun kleding zelf te kiezen. In het begin van de Meiji periode waren de weeftechnieken nog zeer ouderwets. Maar omdat het gewone volk nu zelf de zijde mocht dragen, die het tot dan toe altijd al had gemaakt, ontstond er in Japan een grote vraag naar deze stof, met grote industriële weverijen als gevolg. Er waren niet langer beperkingen in de keuze van de eigen haarsnit en de zwaarddracht werd in 1873 verboden, onder de naam haitōrei (廃刀令). Zo verdween geleidelijk aan het onderscheid tussen de verschillende lagen van de bevolking. De regering had op dat ogenblik dan ook als doel de gelijkheid van alle burgers en gelijke kansen voor iedereen.

De nieuwe Japanse stijl

Het leger was eerst met overname van westerse kledij in 1866. De bedoeling was om te tonen hoe modern en efficiënt het leger wel niet was naar andere landen toe en dus niet langer over te komen als primitieven in harnassen met bogen en zwaarden. Niet lang hierna volgden de politiemannen, de postbeambten en de beambten voor de spoorwegen. In 1872 nam keizer Meiji officieel het westerse pak over en hij schreef dit ook voor aan al de ambtsfuncties.

Geleidelijk aan veranderde ook het voorkomen van de gewone Japanners. Dit gold vooral voor de mannen, de vrouwen hielden nog langer vast aan de traditionele Japanse kleding die perfect leek te zijn voor de proporties van de Japanse vrouw. Er werden in grote aantallen Europese kostuums, hoeden en kasten gekocht. Dit ging soms zo ver dat kinderen werden uitgedost in een westers kostuum met hoge hoed, wat vandaag een eerder potsierlijke indruk maakt. Ook thermometers, horloges en paraplu’s werden massaal vanuit Europa ingevoerd, Japanners slaagden er tot dan toe nog niet in zelf kwaliteitsvolle horloges te maken. Ook westers schoeisel was de eerste jaren van inferieure kwaliteit en werd dan ook nauwelijks gekocht. Het was dus niet zeldzaam iemand tegen te komen met een westerse broek, hemd, vest en hoed maar met traditioneel Japans schoeisel.

Rokumeikan(鹿鳴館)

In 1883 werd er in Tokio door de overheid een gebouw opgericht dat de “Hal van de Hertenroep” of Rokumeikan werd genoemd. Het gebouw werd ontworpen door de Brit Josiah Conder. Er werden bals en danspartijen georganiseerd, volledig in westerse stijl en met westerse gasten. Hiermee wou de Japanse overheid tonen dat het al op een gelijk cultureel niveau zat met het westen. Maar er ontstond regelmatig protest binnen Japan tegen deze extreme vormen van “Europeanisme” en de behaagzieke houding van de overheid tegenover het buitenland. Na de Chinees-Japanseoorlog bijvoorbeeld, werd in een vlaag van anti-Europeanisme door velen terugegrepen naar zuiver Japanse waarden? Het westerse kostuum of yōfuku (洋服) werd alleen nog maar gedragen als het echt niet anders kon.

Heden

Vanaf de Meiji restauratie is de Westerse stijl meer en meer doorgedrongen in Japanse maatschappij maar toch is hier geen sprake van louter imitatie. De Japanners slagen er de dag vandaag nog steeds in hun eigen accenten aan te brengen in hun op het eerste zicht westers ogende uiterlijk. De traditionele kledij is ook niet verloren gegaan: ze wordt nog gedragen voor bepaalde ceremonies (zoals huwelijken en begrafenissen), bepaalde festivals en bij het beoefenen van sommige disciplines (zoals kendō, aikidō, kyūdō,…). Sommige Japanners dragen zelfs nog steeds een lichte kimono of yukata (浴衣) thuis. De traditie leeft voort.

Bronnen

  • Frédéric, Louis. La vie quotidienne au Japon au debut de l'ère moderne (1868-1912) Parijs: Libraire Hachette, 1984. van Zijl, Joke (vert.), Het dagelijkse leven in Japan 1868-1912: De kleding. Baarn: Uitgeverij Hollandia BV, 1990
  • Perez, Louis G. Daily life in early modern japan:Clothing. Westport: Greenwood Publishing Group, 2001
  • Vande Walle, Willy en Coppens, Hans. Geschiedenis van het Moderne Japan. cursus gedoceerd in het kader van het vak ‘Geschiedenis van het Moderne Japan’, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, Departement Oosterse en Slavische Studies, Afdeling Japanologie, 2003.
  • "Encyclopedia: Japanese clothing" Nationmaster.com <http://www.nationmaster.com/encyclopedia/Japanese-clothing>