Van Yoshimitsu's dood (1408) to de Ōnin-oorlog
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Grotere autonomie van de boeren
Onder leiding van de kokujin en de bovenlaag van de myōshu-boeren ontwikkelen zich vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw verbanden (sō 惣), die in de regel een dorp (mura 村) omvatten. Deze ontwikkeling tekent zich het eerst af in de regio's waar de handelsactiviteit een zeker peil had bereikt, zoals in de Kinai-regio. Vanaf de vijftiende eeuw worden de sō gebundeld in nog grotere verbanden, die meerdere dorpen omvatten of een hele commanderie (gun) kunnen bestrijken. In een volksvergadering (yoriai 寄合), waar alle boeren aan deelnemen, worden de beslissingen genomen, in verband met het bestuur, het handhaven van de orde, het beheer over gemeenschappelijke bossen en akkers, de waterverdeling, de religieuze (shintoïstische) feesten, etc. Zij kregen het zover dat de landheer (ryōshu) geen belastingsambtenaar meer stuurde naar de dorpen, maar dat zij zelf konden instaan voor de inning van het jaarlijks tribuut. Invoering van dit nieuwe systeem, dat bekend staat als 'verbintenis van de boer' (hyakushō-uke 百姓請, jige-uke 地下請) bracht met zich mee dat corvee afgeschaft werd, en dat alle vroondienst door tributen in natura of geld vervangen werd. De sō stond ook voor de zelfverdediging in. De militaire macht kon ook tegen de landheren gekeerd worden. Zelfs in streken waar de kleine boeren niet dezelfde mogelijkheden van groei naar autonomie hadden als in Kinai, ontpopten de myōshu-boeren zich tot land-samurai (jizamurai), die regionaal georganiseerde milities vormden (tō 党, ook: do-ikki 土一揆). Deze waren zo sterk dat ze best de confrontatie met de beheerder van een shōen of zelfs een commissaris (shugo) aankonden.
De voermannen in opstand
In provinciën zoals Yamashiro, Yamato en Ōmi 近江 waar de sociale stratifiëring van de boeren zich verder had doorgezet, ontstonden in verband met de ontwikkeling van de handel specialisten van het transport, zoals de bashaku 馬借 en de shashaku 車借. Zij verzetten zich tegen de oprichting van de nieuwe tolhuizen en de uitbuiting door de geldschieters. In 1418 zetten de bashaku Kyōto in rep en roer om kwijtschelding van hun schulden te eisen. Dit was het begin van een hele reeks gelijkaardige opstanden, die telkens zogenaamd deugdzaam bestuur (tokusei 徳政) eisten.
In 1428 heerste er voedselschaarste in de periode vlak voor de nieuwe oogst. Die leidde tot de opstand van de bashaku in de provincie Ōmi. Deze breidde zich allengs tot de hele streek van Kinai uit. Ook stedelingen en boeren in de streek van Kyōto sloten zich daarbij aan. Tempels, huizen van brouwers en geldschieters, en hun opslagplaatsen werden verwoest. Schuldbekentenissen werden gescheurd en verpande goederen meegenomen. Hierover schreef de abt van de Daijōin 大乗院 in Nara, bezitter van een shōen: “Dit is niet minder dan het begin van 's lands ondergang. Sedert de schepping van Japan is dit de eerste opstand van het volk.” Deze volksopstanden, die bekend staan als do-ikki (ook: tsuchi-ikki 土一揆) waren niet zozeer gericht tegen één landheer of één shōen-beheerder in het bijzonder, als wel tegen het bakufu en het hele systeem waarop zijn macht rustte. Het was de eerste keer dat het volk tot georganiseerde opstanden overging.
De machtsstructuur van het bakufu takelt snel af
De grote beroering in de onderstroom van de maatschappij, intensifieerde de innerlijke tegenstellingen aan de top. In 1416 brak een opstand uit in de Kantō-regio, geleid door Ashikaga Yoshitsugu 足利義嗣, jongere broer van de shōgun Yoshimochi. Hierbij sloten zich Uesugi Ujinori 上杉氏憲, die een vazal was van Mochiuji 持氏, kanrei van Kantō, en vele belangrijke shugo-daimyō van de Kantō-regio aan. Nadat het bakufu met veel moeite de opstand had weten neer te slaan, zette Mochiuji een samenzwering op om Yoshimochi uit te schakelen. In 1423 gaf deze laatste bevel aan de shugo-daimyō van Kantō om een strafexpeditie te ondernemen tegen Mochiuji. Het kwam tot een voorlopig bestand tussen beide partijen. Pas onder Yoshinori 義教, twee shōgun later, werd Mochiuji uitgeschakeld.
Yoshinori begon rond die tijd meer en meer de macht naar zich toe te halen. Hij negeerde dus in grotere mate het systeem van sankan shishiki, en werd daar overigens toe genoopt doordat de do-ikki werden gebruikt door de anti-bakufu-krachten, maar dit vergrootte alleen nog meer de aliënatie van de machtige shugo-daimyō ten aanzien van de shōgun. Door de ondergang van de kanrei van Kantō hadden de shugo-daimyō van Kantō hun macht verstevigd. Ook in Kyūshū keerden de Ōtomo, Kikuchi 菊池 en Shōni 少弐 alle machtige shugo-daimyō, zich van het bakufu af. De Ōuchi-familie kreeg de opdracht opstandige vazallen te pacificeren, maar de succesvolle operatie versterkte de Ōuchi in die mate dat ze niet meer door het bakufu te controleren waren. Dit gold ook voor de Shimazu 島津 in Zuid-Kyūshū en de Akamatsu in Harima 播磨.
Opstanden van boeren en voermannen
Van deze onstabiele situatie wisten de do-ikki handig gebruik te maken. De streek van Kyōto werd weer het toneel van een reeks opstanden van boeren en voermannen. Shugo en ryōshu verloren vrijwel alle controle over de opstandige dorpen. In 1454 en 1457 wisten de do-ikki het leger van het bakufu en de huurlingen van de lommerds te verslaan. Vele soldaten liepen trouwens over naar de do-ikki.
De Ōnin-oorlog
In de domeinen van de sankan shishiki gebruikten de ondergeschikte bushi de do-ikki om zich tegen hun leenheer te keren. Zij mengden zich bovendien in de opvolgingskwestie van hun landheren. Door deze innerlijke twisten verloren de Shiba en Hatakeyama veel van hun macht. De Hosokawa kwamen versterkt uit deze fase. Binnen de Shishiki-families waren het de Yamana die zich in competitie met de Hosokawa tot een machtige clan ontpopten. Deze twee clans mengden zich in de interne opvolgingsstrijd die in de Shiba-en Hatakeyama-families woedde en schaarden zich uiteraard aan de zijde van tegengestelde partijen. Ook in de familie van de shōgun werd er gekibbeld om de opvolging tussen Yoshimasa's broer Yoshimi 義視 en zijn zoon Yoshihisa 義尚. Het bestaan van twee opvolgingsregels, een ‘Japanse’ (oudere broer op jongere broer) en een ‘Chinese’ (vader op zoon), had tijdens de Nara- en Heian-periode voor heel wat opvolgingsperikelen gezorgd in de keizerlijke verwantschapsgroep. Hosokawa Katsumoto 細川勝元 koos de zijde van Yoshimi, en Yamana Mochitoyo 山名持豊 (1404-1473) die van Yoshihisa. In 1467 werden de andere grote clans, zoals Ōuchi in het conflict meegesleurd, en de strijd ontbrandde in alle hevigheid. Wij schrijven het eerste jaar van Ōnin, en spreken daarom van de Ōnin-oorlog. Dit was een soort stadsoorlog die zich afspeelde in Kyōto. Boeren en arme stedelingen werden als voetvolk ingehuurd en in de plaats van soldij mochten zij de stad plunderen. Kyōto werd in een puinhoop herschapen. Na een paar jaar verloren beide partijen het oorspronkelijke doel uit het oog en de oorlog evolueerde tot een chronisch aanslepende stadsguerilla, waar vooral de stad het slachtoffer van was. Toen er geen buit meer te rapen viel, doofde het vuur van de strijd vanzelf uit (1477). Elf jaar had deze zinloze oorlog geduurd. Vier jaar eerder al had Yoshimasa zijn ambt overgedragen aan Yoshihisa, om zich terug te trekken in zijn residentie aan de voet van het oostelijke gebergte (Higashiyama), die bekend is als het Zilveren Paviljoen (Ginkaku 銀閣).

