Val bakufu

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Van de "Sonnō-jōi-beweging tot de val van het Bakufu.

Leidraad

De politieke ontwikkeling na de moord op Ii kan men kenschetsen als een strijd tussen de Kōbu gattai 公武合体-factie (hofaristocratie en daimyō), die naar een alliantie tussen de hofaristocratie en de militaire elite streefde, en de veel radicalere jōi-factie ('weg met de vreemdelingen'), die met het bakufu komaf wilde maken. Deze tegenstelling uitte zich op verschillende niveaus: binnen de kringen van de vertrouwelingen aan het hof, binnen de kringen van hoge ambtenaren van het bakufu, tussen de han onderling, binnen eenzelfde han tussen samurai uit hogere en lagere rangen. Satsuma en Chōshū waren in hun gewapende conflicten met buitenlandse mogendheden tot het inzicht gekomen dat een blind 'weg met de vreemdelingen'-beleid tot mislukken gedoemd was. Daarom ontpopten zij zich tot de voorvechters van een krachtig anti-bakufu-beleid om op die wijze de opbouw van een nieuw Japan mogelijk te maken. Het is vooral dankzij hun inspanningen dat het bakufu reeds in de herfst van 1867 de facto ten val kwam. Hoe de nieuwe staatsstructuren er echter moesten uitzien, werd aanvankelijk een twistpunt tussen de 'weg met het bakufu'-factie en de eerder verzoeningsgezinde kōgi seitai-ha 公議政体派.

De Kōbu gattai-beweging

Kōbu gattai binnen het bakufu

Na de moord op Ii werden Andō Nobumasa 安藤信正 (1819-1871) van de Ii-factie en de door Ii steeds vervolgde Kuse Hirochika 久世広周 (1819-1864) rōjū. Zij probeerden een beleid te voeren van enerzijds modernisering van het leger en anderzijds economische aanpassingen om de nationale economie onder controle te krijgen. Het gezag van het bakufu in de verschillende regio's was evenwel al fel getaand. De opvattingen van de propagandisten die 'weg met de vreemdelingen' schreeuwden en die ook het beleid van het bakufu terzake afkeurden, wonnen zoveel aanhang dat het bakufu er niet meer in slaagde zijn doelstellingen te verwezenlijken. Om die tegenstand op te vangen, trachtten Andō en Kuse de buitenlandvijandige tendensen aan het keizerlijk hof te incorporeren, door aan te sturen op een coalitie met aristocraten aan het hof. Dat opzet concretiseerde zich het duidelijkst door het regelen van een huwelijk tussen shōgun Iemochi (Yoshitomi, reg. 1846-1866) en een jongere zus van keizer Kōmei, Kazu no miya Chikako naishinnō, 和宮親子内親王. In de zevende maand van 1860 werd de keizer om toestemming voor dit plan verzocht en de goedkeuring volgde in de tiende maand van dat jaar. Het huwelijk noemt men Kazu no miya kōka 和宮降嫁 wat betekent "de mesalliance of huwelijk van prinses Kazu no miya beneden haar stand. Dankzij deze medewerking van de keizer leek het opzet van het bakufu om door middel van een coalitie tussen hoge bakufu-ambtenaren en het keizerlijk hof het militair bewind weer meer aanzien te verlenen, een kans op slagen te hebben.

Dit huwelijk bleek in de praktijk echter een averechts effect te sorteren. De jōi-radicalen raakten nog meer verhit. Talrijke extremistische aanslagen doorkruisten het bewind van het bakufu. In de tiende maand van 1862 werd de rōjū Andō Nobumasa bij de Sakashita-poort van het Edo-kasteel door enkele rōnin uit het domein Mito aangevallen en levensgevaarlijk verwond. Later overleed hij aan de gevolgen van zijn verwondingen. Met het verdwijnen van de protagonist van het hele opzet verpieterde ook de Kōbu gattai-beweging. De zogenaamde Sakashita-mon no hen 坂下門外の変 werd vermoedelijk gepland door Ōhashi Totsuan 大橋訥菴, een confucianist van de Ō Yōmei 王陽明-strekking.

Kōbu gattai-tendensen in enkele machtige han

In dezelfde periode dat men in kringen van het bakufu toenaderingspogingen deed tot het keizerlijk hof, ontstonden ook binnen enkele grote han stromingen die een alliantie tussen samurai en keizer voorstonden, zo bijvoorbeeld in Chōshū, waar Nagai Uta 長井雅楽 (1819-1863)een toenadering trachtte te bewerkstelligen tussen progressieve samurai, die op actieve wijze kennis zouden vergaren in het buitenland, en de keizer. Zo zou de opening van Japan kunnen geleid worden door een progressieve alliantie. Hij slaagde er echter niet in de algemene opinie binnen de han voor zijn standpunt te winnen.

Het beleid in de domeinen werd vooral bepaald door de jōi-aanhangers, die eveneens een coalitie tussen samurai en keizer nastreefden, maar dan wel met de bedoeling een modus vivendi te vinden waardoor het bakufu in stand gehouden kon worden. Dit plan werd vooral geïnspireerd door Shimazu Hisamitsu 島津久光(1817-1887), vader van Shimazu Tadayoshi 島津忠義, de daimyō van Satsuma (de echte macht was in handen van Hisamitsu). Hij trok met zijn leger naar Kyōto om het hof onder druk te zetten om met zijn plan in te stemmen. In Kyōto kregen zijn troepen onder andere af te rekenen met extremisten binnen zijn eigen jōi-beweging, hetgeen aanleiding gaf tot het zogenaamde Teradaya-incident (Teradaya jiken 寺田屋事件). Onder leiding van Arima Shinshichi 有馬新七 verscholen een aantal extremisten zich in een herberg in Fushimi 伏見, waar zij plannen beraamden om het bakufu omver te werpen. Pogingen om hen tot andere gedachten te brengen, mislukten en de samenzweerders werden gedood. Toen de extremistische kopstukken uit de weg geruimd waren, werd werk gemaakt van het plan om een leefbare coalitie tussen aristocratie en de samurai te creëren. Hisamitsu deed het hof het volgende voorstel:

Het nationaal beleid wordt voortaan bepaald door shōgun en daimyō, in onderling overleg. Vooral Satsuma, Chōshū, Tosa, Hizen en Sendai zouden politieke macht krijgen. Hun daimyō zouden automatisch de functie van regent (tairō) bekleden en het beleid uitwerken. Hitotsubashi Yoshinobu zou assistent worden van de shōgun, en de daimyō van Echizen, Matsudaira Yoshinaga, zou het voorzitterschap krijgen van een bureau voor het dagelijkse politieke bestuur. Het keizerlijk hof keurde deze voorstellen goed en in 1862 trok Hisamitsu, samen met keizerlijk boodschapper Ōhara Shigetomi 大原重徳, naar Edo om het bakufu dit voorstel op te dringen. De bedoeling van Hisamitsu was om de extremistische buitenlandvijandige stromingen binnen het bakufu uit te rangeren, door de Hitotsubashi-ha meer macht te verlenen binnen een bakufu-bestuur, waarin de vijf grote han de meeste politieke inspraak zouden krijgen.

De Bunkyū-restauratie (Bunkyū no kaikaku 文久の改革)

Het opzet van Hisamitsu slaagde. Tokugawa Yoshinobu en Matsudaira Yoshinaga werden aangesteld in hun functies en er werd een begin gemaakt met de hervormingen in het beleid van het bakufu, op basis van de adviezen van Nakane Yukie 中根雪江 en Yokoi Shōnan 横井小楠. Een van de hervormingen van 1862 (= het tweede jaar Bunkyū) was dat het sankin kōtai-systeem (de verplichting van een daimyō om een aantal maanden per jaar persoonlijk in Edo te verblijven, en gedurende de andere maanden zijn familie daar als een soort gijzelaars achter te laten) drastisch versoepeld werd en dat er een resoluut begin werd gemaakt met de modernisering van het leger, een van de twee pijlers van het beleid dat door de slogan 'welvarend land - sterk leger' (fukoku kyōhei 福国強兵) werd samengevat. Bovendien werd in Kyōto een nieuw ambt gecreëerd, Kyōto shugo-shoku 京都守護職, dat als functie had de vertegenwoordiging van het bakufu in de keizerlijke hoofdstad te beschermen tegen anti-bakufu-acties van extremisten. De eerste Kyōto shugo-shoku werd Matsudaira Katamori 松平容保(1836-1893), heer van Aizu 会津. Het gevolg van de Bunkyū-restauratie was dat de economische overheersing van het bakufu verzwakte en dat er een bloeiende handel ontstond tussen de sterke han, zoals Satsuma en Chōshū, onderling en ook met het buitenland. Het centrale gezag van het bakufu brokkelde zienderogen af.

De Sonnō-jōi-beweging (Sonnō-jōi undō 尊王攘夷運動)

Directe actie van de loyalisten

De Kōbu gattai beweging streefde naar een alliantie op het hoogste niveau. De samurai-elite bleef omzichtig en wilde uiteraard geen al te radicale acties ondernemen die de maatschappelijke en politieke orde als geheel bedreigden. De lagere rangen van de samurai-stand, de grondeigenaars en de handelaars, werden van oudsher buiten het besluitvormingsproces gehouden en hadden er ook nu weinig of geen greep op. Actie was voor hen de enige uitkomst. In de actie vonden ze elkaar, over de grenzen van de han heen. Dit was een belangrijke ontwikkeling. In den beginne was het mogelijk geweest ethnisch nationalisme ('buitenlanders buiten'), toewijding en trouw aan hun heer en eerbied voor de keizer te verenigen. Nu echter de daimyō veel minder radicaal bleken te zijn dan verhoopt, stonden de loyalistische samurai van lage rang, grondeigenaars en handelaars in de kou. Zij moesten ontrouw worden aan hun eigen heer en zochten een onderkomen in meer loyalistischgezinde han, in de eerste plaats het radicale Chōshū en Tosa.

De activisten hanteerden allen dezelfde slogan: Sonnō-jōi 尊王攘夷, 'Eer de monarch en verdrijf de barbaren!' Deze term treft men reeds aan in het in 1825 verschenen Shinron 新論(1825), het reeds vermelde werk van de hand van Aizawa Seishisai 会沢正志斎, een confucianist uit het domein Mito. In die context heeft hij echter geenszins de bijbetekenis van anti-bakufu, integendeel. Tot aan de ondertekening van de vriendschaps- en handelsverdragen en de Ansei-zuiveringen draaide de politieke discussie in de eerste plaats rond de hervorming van het bakufu. Nu echter gaat het bakufu op eigen gezag, dus zonder goedkeuring van de keizer, over tot de ondertekening van de verdragen en de openstelling van het land (kaikoku 開国 ). Dit getuigt ontegensprekelijk van gebrek aan respect voor de keizer en van een probuitenlandse houding. Sakoku was in oorsprong een maatregel bedoeld om binnenlandse dissidentie tegen te gaan, maar tegen het midden van de negentiende eeuw, was het een soort plicht van het bakufu geworden. Het bakufu ontleende zijn legitimiteit aan zijn vermogen het hof en het volk af te schermen van het buitenland. Door de ondertekening van de verdragen schoot het in zijn plicht tekort en de slogan 'eer de monarch en verdrijf de barbaren' krijgt dus een uitgesproken anti-bakufu ondertoon.

In wezen was iedereen, van de shōgun tot de laagste samurai, buitenlandsvijandig. De xenofobie was historisch gegroeid door het isolement van het land en ideologisch geschraagd door het confucianisme en de eigenlandse geleerdheid (kokugaku 国学). Alles wat niet Japans was, was verwerpelijk of gevaarlijk. Toen door de openstelling van het land en de vrije handel, de samurai het ook economisch slechter begonnen te krijgen, stelden zij het bakufu, dat de poort voor de buitenlanders had opengezet, daarvoor verantwoordelijk. De sonnō 尊王 -gedachte vond haar oorsprong in de confucianistische leer, vooral die van Ō Yōmei (Wáng Yángming 王陽明), die de relaties tussen soeverein en volk omschreef. In de periode die naar de val van het bakufu leidde, rechtvaardigden heel wat anti-bakufu-gezinde elementen hun daden met het confucianisme, zonder dat ze daarom echt royalistisch waren.

Binnen de beweging van Sonnō-jōi speelden een handvol lagere samurai uit Chōshū een vooraanstaande rol. Zij hadden allen aan dezelfde school gestudeerd: de Shōka sonjuku. Het waren mensen als Kusaka Genzui 久坂玄瑞(1840-1864) en Takasugi Shinsaku 高杉晋作(1839-1867). Zij verbonden zich met radicale aristocraten als bijv. Sanjō Sanetomi 三条実美 (1837-1891), met jonge samurai uit Tosa en Satsuma en met meesterloze samurai. Ze waren vooral actief in de omstreken van Kyōto, waar zij erin slaagden het hof geruime tijd een buitenlandvijandige visie op te dringen. Het hart van het politieke leven verplaatste zich van Edo naar Kyōto.

Uitbarsting van xenofobie

Een van de voorwaarden die het Hof had gesteld alvorens in te stemmen met het huwelijk van prinses Kazu no miya was dat het bakufu de buitenlanders weg moest werken. Uiteraard kon het bakufu aan deze voorwaarde niet voldoen. Dit veroorzaakte grote woede bij de 'weg met de buitenlanders'-factie in Kyōto. In de elfde maand van 1862 werden de edelen Sanjō Sanetomi en Anegakōji Kintomo 姉小路公知 naar Edo gestuurd met de boodschap dat het bakufu werk moest maken van zijn belofte. Ten zeerste geschrokken door het assertieve gedrag van het hof, begaf shōgun Iemochi zich in eigen persoon naar Kyōto, waar hij erin slaagde de keizer ervan te overtuigen dat het inopportuun was een buitenlandvijandig beleid te voeren. Hij drong er ook op aan dat de jōi-ha wat meer in toom zou worden gehouden. Dit was olie op het vuur. De extremisten besloten tot de actie over te gaan en stelden de tiende dag van de vijfde maand (25 juni) van 1863 vast als de dag waarop alle buitenlanders zouden worden weggejaagd. Chōshū was, zoals te verwachten was, haantje de voorste. Op de afgesproken datum begon het alle buitenlandse schepen, in casu Amerikaanse, Franse en Nederlandse handelsschepen, die door de Straat van Shimonoseki voeren, te beschieten. De Amerikaanse en Franse schepen riposteerden en beschoten de kustforten. Hierop begon Chōshū zich voor te bereiden op oorlog. Het sloot alle verkeer door de Straat van Shimonoseki af en Takasugi Shinsaku richtte een beroepsleger op van keihard getrainde boeren en stedelingen, de zogenaamde kiheitai 奇兵隊 . De jōi-beweging in Chōshū kende hoogtijdagen. De afsluiting van de Straat van Shimonoseki betekende voor het bakufu een zwaar diplomatiek probleem, dat met veel gezichtsverlies gepaard ging. De westerse grootmachten eisten dat het bakufu Chōshū zou bestraffen, maar het bleef bij het louter formuleren van eisen, omdat ze vreesden dat door een te arrogante inmenging hun lucratieve handel met Japan in gevaar zou komen.

De oorlog tussen Satsuma en Groot-Brittannië

Bij een incident in het dorpje Namamugi 生麦 werden in 1862 drie Engelsen gedood die niet van hun paard wilden stijgen voor Shimazu Hisamitsu, daimyō van Satsuma, op de terugweg van zijn hierboven beschreven bezoek aan het bakufu. Als genoegdoening voor dit Namamugi-incident verlangden de Britten van Satsuma schadevergoeding en officiële verontschuldigingen. Op hun eisen kwam geen bevredigende reactie, zodat in de zevende maand (augustus) van 1863 een flottielje van zeven oorlogsbodems onder de leiding van Sir Rutherford Alcock (1809-1897) naar de baai van Kagoshima gestuurd werd om er de kustweerbatterijen te beschieten. Deze verwikkeling heet de Kagoshima-affaire. Er werd enorme schade aangericht, de halve stad lag in puin. Hierdoor besefte het rabiaat buitenlandvijandige bestuur van Satsuma dat militair verzet tegen de buitenlanders weinig zin had. Het roer werd volledig omgegooid. Voortaan ging Satsuma samenwerken met de Britten, kocht het moderne wapens aan, rustte in versneld tempo zijn leger uit, en zond studenten naar Europa om de modernste technische vooruitgang te leren kennen.

De coup van de acttiende van de achtste maand (30 augustus) 1863

Door de pogingen om de buitenlanders buiten te werken en de enge Straat van Shimonoseki af te sluiten, waren de buitenlandvijandige en anti-bakufu-gevoelens fel opgehitst in Chōshū. Toen keizer Kōmei de intentie bekend maakte om naar Yamato (Nara) te gaan om er de verdrijving van de buitenlanders van de goden af te smeken, zagen de meeste extremisten in Chōshū en elders hierin een gelegenheid om de val van het bakufu te beramen en naar de wapens te grijpen. Satsuma voerde een andere politiek, die indruiste tegen de anti-bakufu-plannen van Chōshū. De Kōbu gattai-factie in Satsuma gaf nog steeds de voorkeur aan een compromis tussen hof en bakufu. Na in de Kagoshima-affaire de macht van het Westen aan den lijve ondervonden te hebben, beschouwde zij een nationale coalitie tussen shōgun en keizer als de enige uitweg. Door een geheime alliantie af te sluiten met conservatieve aristocraten en met de Aizu-han, die in Kyōto de belangen van het bakufu beschermde, pleegde ze op de achttiende van de achtste maand van 1863 een coup. Sanjō Sanetomi en zes andere aristocraten kregen verbod nog langer met de keizer in contact te treden, de militaire aanwezigheid van Chōshū in Kyōto werd ontbonden en de invloed van extremistische anti-bakufu-krachten op het hof werd geneutraliseerd. Vele extremisten probeerden nog opstanden te organiseren, maar deze werden stuk voor stuk vrij gemakkelijk onderdrukt. De meest bekende van deze opstanden zijn de Tenchū-gumi 天誅組 , de opstand van Ikuno (Ikuno no hen 生野の変) en de rebellie van de Tengu-tō 天狗党.

Ten gevolge van de omwenteling van de achttiende van de achtste maand werd de jōi-strekking uit Kyōto verdreven en kreeg de verzoeningsgezinde Kōbu gattai-ha onder leiding van onder anderen Shimazu Hisamitsu er grote invloed. Hisamitsu wenste een bakufu waarin de daimyō van alle belangrijke han inspraak zouden hebben. Aldus werden Hitotsubashi Yoshinobu, Matsudaira Katamori, Matsudaira Yoshinaga, Yamanouchi Toyoshige, Date Munenari en Shimazu Hisamitsu de leden van de Staatsraad, san'yokaigi 三預会議. Het beleid dat door deze raad werd voorgesteld, werd evenwel voortdurend gesaboteerd door het bakufu, dat erop uit was het hof weer aan zich te onderwerpen en zijn gezag te herstellen. Vooral toen het bakufu de voorwaarden van het Gohin Edo mawashi rei herzag en de haven van Yokohama sloot, werden de spanningen tussen bakufu en de machtige han te groot. In de derde maand van 1864 werd de Staatsraad ontbonden en kwam er meteen een einde aan de Kōbu gattai-pogingen.

Natuurlijk was het onmogelijk volledig komaf te maken met de extremisten. Na de omwenteling van de achttiende van de achtste maand waren er nog kleine cellen overgebleven in Kyōto en omstreken. Om die uit te schakelen richtte het bakufu een speciale opsporingsbrigade op, de [[Shinsengumi]] 新選組. Deze brigade slaagde er in om bij Sanjō Ikedaya 三条池田や, de herberg Ikedaya langs de straat Sanjō in Kyōto de laatste extremisten uit te schakelen. In de herberg hielden op de vijfde dag van de zesde maand van Ganji 1 (8 juli 1864) samurai uit Chōshū en Tosa een bijeenkomst om de laatste hand te leggen aan hun plan om Matsudaira Katamori, daimyō van Aizu, belast met de ordehandhaving in Kyōto, gevangen te nemen en de hoofdstad in brand te steken in de hoop zo het bakufu omver te werpen. Nadien bleef Kyōto vrij van zulke cellen.

Expedities tegen Chōshū en de beschieting van Shimonoseki

Chōshū, dat na de omwenteling aan macht had ingeboet, richtte in de zevende maand van 1864 een petitie om hervormingen aan de keizer. Om deze eisen kracht bij te zetten vormde het een leger dat Kyōto wou bezetten. Het slaagde er evenwel niet in de Satsuma- en Aizu-troepen die de stad verdedigden te verslaan. Met grote verliezen trok het zich terug naar Chōshū. Deze strijd noemt men Kinmon no hen 禁門の変 of Hamaguri Gomon no hen 蛤御門の変, naar de poort van het keizerlijk paleis waar het gewapende treffen plaatsgreep. Ten gevolge van deze opstandige daad werd Chōshu tot vijand van het hof verklaard en ondernam het bakufu zelf een strafexpeditie tegen Chōshū. Omdat er later nog een tweede volgde spreekt men van de 'eerste strafexpeditie tegen Chōshū' (Daiichiji Chōshū seibatsu 第一次長州征伐).

Omstreeks dezelfde tijd besloten de Engelse ambassadeur Alcock en de pas benoemde Franse ambassadeur Léon Roches (1809-1901) dat er gereageerd moest worden op de sluiting van de Straat van Shimonoseki en de beschieting van hun schepen door de batterijen van Chōshū. In de achtste maand (september) van 1864 beschoot een geallieerde vloot van zeventien oorlogsschepen (negen Britse, drie Franse, vier Nederlandse en één Amerikaans) drie dagen lang de kustbatterijen, vernietigde ze volledig en bezette de kust. Omdat Chōshū juist op dat ogenblik in strijd was met het bakufu, kon het zich op geen van beide fronten behoorlijk verdedigen en het gaf zich over.

Van 'weg met de buitenlanders' naar 'weg met het Bakufu'

Chōshū's ommekeer

Tot na de eerste strafexpeditie tegen Chōshū bleven in deze han de conservatieven de sleutelposities innemen. Na deze expeditie, en vooral onder invloed van het geallieerde bombardement van Shimonoseki, begonnen Takasugi Shinsaku, Katsura Kogorō 桂小五郎, en de uit Engeland weergekeerde Itō Hirobumi 伊藤博文(1841-1909) en Inoue Kaoru 井上馨 (1835-1915), samen met anderen te ijveren voor hervormingen in het beleid van de han. In de tweede maand (maart) van 1865 kwam Takasugi als leider van de groep in Shimonoseki in opstand en kon de conservatieven omverwerpen. Net zoals te Satsuma hadden de nieuwe leiders de enorme kracht van de buitenlanders ingezien en waren ze tot het besef gekomen dat alleen op basis van fukoku kyōhei een repliek denkbaar was. Beide han waren bovendien ook tot het inzicht gekomen dat om tegen de buitenlanders op te treden eerst en vooral het conservatieve bakufu diende omvergeworpen te worden. Zo werd de hervormingsgezinde factie rond Takasugi toonaangevend. De Kiheitai werd uitgebouwd tot een breed leger van boeren, een handige manier om de energie van de opstandige boeren in juiste banen te leiden. Onder leiding van Ōmura Masujirō 大村益二郎 (1824-1869) werd het leger gemoderniseerd. Het hele beleid werd gericht op de absorptie van zoveel mogelijk westerse kennis en techniek.

Tweede strafexpeditie tegen Chōshū

In het najaar van 1865 besloot het bakufu een tweede maal Chōshū aan te vallen om de herbewapening in deze han in de kiem te smoren. Shōgun Tokugawa Iemochi trok persoonlijk naar Ōsaka om de voorbereidselen te leiden. Omwille van financiële moeilijkheden was er grote tegenstand vanwege de daimyō tegen deze plannen. Ook de opeising van samurai voor het bakufu-leger verliep niet als verwacht. De langdurige aanwezigheid van vreemde troepen zorgde bovendien nog voor grote prijsstijgingen, onder andere van rijst in Ōsaka. In de vijfde maand (juni) van 1866 braken er te Nishinomiya 西宮 nabij Kōbe en in de hele regio van Ōsaka opstanden uit. Om die te onderdrukken werd een samenscholingsverbod uitgevaardigd, zonder veel resultaat. De onlusten deinden uit tot Nara en omstreken. Tijdens de afwezigheid van de shōgun braken er ook relletjes uit in de regio van Edo, waaraan tot 150.000 mensen deelnamen. De strafexpeditie veroorzaakte dus alleen maar grotere sociale onrust.

Politieke manoeuvers van Frankrijk en Groot-Brittanië

Frankrijk en Engeland poogden actief hun invloed in Japan uit te breiden. Beide landen hadden op een bepaald ogenblik zelfs militaire hulp aangeboden aan het bakufu. Groot-Brittanië begreep echter al vlug dat de echte macht niet volledig in handen van het bakufu lag en zocht na de Kagoshima-affaire en de beschieting van Shimonoseki ook toenadering tot Satsuma en Chōshū. Dit leidde tot grote wrijvingen met Frankrijk, dat bleef vertrouwen op de overlevingskansen van het 260 jaar oude shōgunaat. De Britten hadden echter het bakufu nog niet afgeschreven. De nieuwe Britse consul Harry Smith Parkes (1825-1885) meende dat het shōgunaat nog een kans verdiende. Gebruik makende van de aanwezigheid van de shōgun Tokugawa Iemochi in Ōsaka, belegde hij een bijeenkomst van Amerikaanse, Britse, Franse en Nederlandse delegaties in de baai van Ōsaka. Ze stelden voor het gezag van het bakufu te helpen bevestigen. In ruil voor het kwijtschelden van twee derde van de schadevergoeding, die was gevraagd na de beschieting van hun schepen te Shimonoseki, stelden ze voor om de handelsverdragen te laten erkennen door de keizer en de haven van Hyōgo open te stellen voor buitenlandse schepen. Het bakufu maakte gebruik van het machtsvertoon van de buitenlandse schepen in de baai om het hof onder druk te zetten en in de tiende maand (op 22 november) van 1865 erkende de keizer de handelsverdragen. Hij stemde echter niet in met de opening van Hyōgo. In ruil daarvoor werd in 1866 ingestemd met een verlaging van de invoerheffingen met ongeveer 80 procent tot meer internationaal aanvaarde normen. Deze overeenkomst heet 'de overeenkomst over de herziening van de tolrechten' (kaizei yakusho 改税約書).

Satsuma-Chōshū-coalitie

In Chōshū zorgde de progressieve factie dankzij geheime handel voor een grote bloei van de han. Op aandringen van de Franse ambassadeur werd deze handel door het bakufu en de Fransen zoveel mogelijk gedwarsboomd, wat een zware klap betekende. Daarnaast verloor in Satsuma ook de Kōbu gattai-ha van Shimazu Hisamitsu veel van haar macht. Het waren nu jonge progressieve samurai als Saigō Takamori 西郷隆盛(1822-1877) of Ōkubo Toshimichi 大久保利道die aan invloed wonnen, en stilaan het anti-bakufu beleid in hun han versterkten. Samurai uit Tosa als Sakamoto Ryōma 坂本竜馬 (1835-1867) en Nakaoka Shintarō 中岡慎太郎(1838-1867) sloten zich hierbij aan. Satsuma en Chōshū sloten in 1866 in Kyōto een alliantie. Als gevolg daarvan weigerde Satsuma troepen in te zetten in de tweede strafexpeditie tegen Chōshū en begon aan een actief en openlijk anti-bakufu-beleid.

Tweede strafexpeditie mislukt

Door het erkennen van de handelsverdragen waren de problemen met de buitenlanders voorlopig wat gemilderd. In de zesde maand (juli) van 1866 besloot het bakufu tegen Chōshū ten aanval te trekken. Het verouderde leger van de shōgun was echter niet opgewassen tegen het gemoderniseerde leger van Chōshū. Bij ieder gewapend treffen trok het leger van het bakufu aan het kortste eind en toen in de zevende maand (augustus) shōgun Iemochi overleed, werd het expeditieleger ontbonden. De overwinning van Chōshū was een feit.

Hervormingen van Yoshinobu

De opvolger van Iemochi, de vijftiende shōgun Tokugawa Yoshinobu(1837-1913) probeerde het bakufu te restaureren. Met de hulp van de conservatieve Oguri Tadamasa 小栗忠順 en de Franse ambassadeur Roches werden ijzergieterijen in Yokosuka en Yokohama gebouwd. Om alle handel van de han te controleren richtte hij de 'productiekantoren' (kokusankaisho 国産会所) op in Edo en Ōsaka. Na de mislukking van de tweede strafexpeditie tegen Chōshū was de anti-bakufu-activiteit van Satsuma en de andere han een tijdlang bijzonder intens, maar het vrij progressieve moderniserende bewind van Yoshinobu leek het tij te kunnen doen keren. In de twaalfde maand van 1866 (januari 1867) overleed echter de Kōbu gattai-gezinde keizer Kōmei. Tot overmaat van ramp werd in het bakufu-gezinde Frankrijk, door de benoeming van een nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, een ander beleid ten aanzien van Japan voorgesteld. Hierdoor verloor het bakufu de militaire en logistieke steun van de Fransen, wat zwaar heeft doorgewogen in de uiteindelijke teloorgang. In Kyōto slaagde de met Saigō Takamori en Ōkubo Toshimichi geallieerde aristocraat Iwakura Tomomi 岩倉具視 erin de nieuwe keizer voor zijn anti-bakufu-plannen te winnen en hem ervan te overtuigen op de veertiende van de tiende maand (9 november) van 1867 het 'geheime bevel tot de liquidatie van het bakufu (tōbaku no mitchoku 討幕の密勅 ) te geven aan de han Satsuma en Chōshū.

De val van het Edo-bakufu

Het voorstel van Tosa

Ook in Tosa werd een beleid gevoerd om de modernisering van handel en nijverheid te stimuleren. Vooral handelsroutes via de haven van Nagasaki speelden een grote rol. Belangrijke progressieve jonge samurai als Itagaki Taisuke 板垣退助(1837-1919) en Tani Kanjō 谷干城(1837-1911) onderhielden geheime contacten met de anti-bakufu-factie uit Satsuma. In samenspraak met de in Nagasaki verblijvende Sakamoto Ryōma slaagde Gotō Shōjirō 後藤象二郎(1838-1897) uit Tosa erin om enkele machtige han te doen instemmen met de stelling dat de shōgun zijn bevoegdheden moest teruggeven aan de keizer en dat zijn eigen status niet meer zou zijn dan die van een andere daimyō (taisei hōkan-ron 大政奉還論 ). In de zesde maand van 1867 stemden Saigō Takamori, ōkubo Toshimichi en Komatsu Tatewaki 小松帯刀 van Satsuma met dit plan in, wat leidde tot het sluiten van het 'verbond tussen Satsuma en Tosa' (Sat-To meiyaku 薩土盟約). Deze overeenkomst sprong echter in de negende maand van dat jaar af, toen Saigō en enkele anderen zich aansloten bij de meer radicale anti-bakufu strekkingen.

Taisei hōkan 大政奉還

Tegelijk met de ontwikkeling van nieuwe anti-bakufu-strekkingen namen ook de boerenopstanden weer toe. Vooral de ongeregeldheden in de herfst van 1867 kwamen zeer ongelegen voor het bakufu. Dit waren de zogenaamde okagemairi お蔭参りof eejanaika ええじゃないか, die op landelijk vlak tot chaotische toestanden leidden en tot grote politieke en sociale onrust. Om een einde te stellen aan de onrust, stelde de voormalige heer van Tosa Yamanouchi Toyoshige 山内豊信(1822-1872) een formule voor bestuur met participatie, kōgi seitai-ron 公議政体論 genoemd, aan de shōgun voor. Dit voorstel had tot doel de extreme anti-bakufu-elementen uit Satsuma en Chōshū de pas af te snijden. Aan shōgun Yoshinobu werd voorgesteld dat hij zijn bevoegdheden aan de keizer zou teruggeven (taisei hōkan) en dat onder de supervisie van de keizer een Hogerhuis zou opgericht worden, bestaande uit aristocraten en daimyō, en een Lagerhuis bestaande uit samurai en vertegenwoordigers van het gewone volk. Binnen dit stelsel zou voor de Tokugawa nog een belangrijke functie weggelegd zijn, namelijk die van eerste minister. Yoshinobu aanvaardde dit voorstel en droeg op de veertiende dag van de tiende maand (9 november) van 1867 zijn bevoegdheden aan de keizer terug. Op deze zelfde dag werd ook het 'Geheime Decreet op de omverwerping van het bakufu' (tōbaku no mitchoku) uitgevaardigd. Door de teruggave van zijn bevoegdheden aan de keizer zette Yoshinobu een punt achter 265 jaar bakufu te Edo.

Nabeschouwing

De westerse mogendheden plaatsten het bakufu voor een onmogelijk dilemma: onder druk van een overweldigende overmacht van kanonneerboten moest het zijn havens openstellen voor de westerse mogendheden, maar daardoor verloor het zijn legitimiteit in de ogen van vele daimyō en het hof. Toch bood de opening van Japan ook voordelen voor het bakufu: de tarieven op verhandelde goederen vormden een nieuwe bron van inkomsten voor de centrale overheid en het bakufu kon gemakkelijker westerse wapens kopen of buitenlandse hulp krijgen dan de daimyō die zijn gezag betwistten. Het slaagde er echter niet in deze kansen ten volle te benutten.

Het bakufu gaf niettemin blijk van een zekere institutionele soepelheid ten aanzien van de nieuwe problemen die in het midden van de negentiende eeuw gerezen waren. Reeds in 1858 stelde Abe Masahiro een gaikoku bugyō aan, verantwoordelijk voor de betrekkingen met de buitenlanders. Dit ambt bleef tot 1867 bestaan. Telkens de politiek ten aanzien van de buitenlanders een ommezwaai maakte, werden de ambtenaren ook vervangen, hetgeen dan weer de politieke instabiliteit illustreert. De meeste hoge bakufu-ambtenaren verdwenen na een korte carrière in de vergetelheid. De tolken en technici, zoals Fukuzawa Yukichi 福沢諭吉 en Fukuchi Gen'ichirō 福地源一郎, die slechts een lage status hadden, overleefden de politieke stormen wel en werden naderhand de duiders en verbreiders van de nieuwe cultuur.

Het bakufu stuurde in de jaren 1860 een reeks van gezantschappen naar het Westen. Het eerste gezantschap voer in 1860 naar Amerika om het verdrag dat Townsend Harris gesloten had, te ratificeren. Toen het bakufu in 1867 ten val kwam, bevond zijn zesde officiële missie zich net in Frankrijk. De toonaangevende han, zoals Satsuma en Chōshū, zonden van hun kant studenten clandestien naar het buitenland om er te studeren en de nodige praktische kennis op te doen.

Het bakufu nam deel aan de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1867. Het kwam er in aanvaring met Satsuma, dat een poging deed om er als onafhankelijk koninkrijk van de Ryūkyū een eigen stand te hebben. Reeds in 1853 herriep het bakufu zijn verbod op de bouw van zeewaardige schepen. De 'overeenkomst over de herziening van de tolrechten' (1866) hief de laatste beperkingen op Japanse handel in de havens op, stond de Japanse aankoop van buitenlandse schepen en tewerkstelling van buitenlanders toe, en maakte het voor de Japanners mogelijk naar het buitenland te reizen. Op het wettelijke vlak heeft het bakufu dus blijkbaar vrij behoorlijk de overgang van sakoku (afsluiting van het land) naar kaikoku (opening van het land) weten te maken. Politiek liep het echter mis.