Uit de politieke anarchie groeit een nieuwe maatschappij
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
De landbouwproductie stijgt
De twee eeuwen vanaf de val van het Kamakura-bakufu tot de opdeling van het land onder de sengoku-daimyō waren getuige van de opkomst van de kleine zelfstandige boeren gegroepeerd in regionale verbanden en van de ontwikkeling van grote feodale territoria. Zo waren de voorwaarden aanwezig voor een toegenomen productie en verkeer van goederen.
Toegenomen productiviteit in de landbouw, arbeidsverdeling en specialisatie en de ambachtelijke nijverheid, ontwikkeling van het mijnwezen, ontstaan van handels- en nijverheidscentra en handelscontacten met het buitenland typeren de Muromachi-periode. De boeren moesten minder corvee doen. Deze werd immers gaandeweg vervangen door belastingen in natura of geld. Hoewel zij dus nog steeds onderworpen waren aan de landheer, bracht dit niettemin een grotere vrijheid met zich mee. De boer had meer tijd om zijn eigen zaken te plannen en te beredderen. Een en ander kwam de productiveiteit ten goede en stimuleerde de ontwikkeling van nieuwe landbouwtechnieken.
Er werden nieuwe variëteiten van rijst ontwikkeld, aangepast aan de omstandigheden (klimaat, bodemgesteldheid, watertoevoer,...): vroege rijst, late rijst en tussensoort. Het gebruik van trekdieren werd algemeen. Bevloeiing werd voortaan mechanisch gedaan door gebruik van het waterrad.
In de 15de eeuw ontstond het gebruik het land te bemesten met groenbemesting (gras en jonge takjes). Bezit van bebost gebied werd daardoor vitaal en een punt van betwisting tussen dorpen of landheren. Door de intensieve landbouw kon in één en hetzelfde jaar tweemaal geoogst worden (rijst en tarwe) in de Kinki-, Sangyō- en Kantō-regio's. In het gebied dat aan de Japanse binnenzee grensde werd sesam geteeld. Zij werd opgekocht door handelaars uit Ōyamazaki 大山崎 en per schip naar Yamazaki 山崎 vervoerd, waar men er lampolie uitperste. Verder nam ook de teelt van thee, de lakboom, de moerbeiboom en katoen een hoge vlucht. Vanaf het einde van de 14de eeuw was men katoenstof beginnen invoeren uit Korea en vanaf het midden van de 15de eeuw werd het een belangrijk materiaal voor de confectie van kleding. Daardoor nam de teelt en de productie van katoen in deze eeuw een grote uitbreiding. Dit geldt ook voor de teelt van ai 藍, een plant gebruikt voor het weven van stoffen.
Openbare werken
Gebruik en ontwikkeling van waterwegen waren traditioneel erg beperkt zodat het land een lappendeken was van talloze kleine territoria, maar door de concentratie van het land in handen van een beperkt aantal sengoku-daimyō nam het waterverkeer spectaculair toe. De versterkte kastelen waaraan zij zo'n grote nood hadden, konden zij bouwen omdat zij de bevolking van een groot gebied konden mobiliseren. Deze arbeidskrachten werden ook ingezet voor de bouw van grote kunstwerken. Beroemd is bijvoorbeeld de dam die Takeda Shingen liet bouwen over de Kamanashi 釜無川- en Fuefuki 笛吹川-rivieren.
Mijnbouw
Ook de mijnbouw kende een belangrijke evolutie. Dit gold niet zozeer voor ijzerertsen als wel voor koper, dat vanaf de 15de eeuw zo een grote productiestijging kende dat het in grote hoeveelheid naar China kon uitgevoerd worden. Na die introductie van het cupelleerprocédé (haifukihō 灰吹法) nam ook de productie van zilver in beduidende mate toe. Om de goudwinning op te drijven beperkte men zich niet langer tot goudwassen, maar men raffineerde het nu ook uit gouderts. De sengoku-daimyō hadden geld nodig om hun militaire inspanningen te financieren, en schonken daarom grote aandacht aan de ontginning van goudmijnen. De goudmijnen van Kurokawa 黒川 en Fuji 富士, ontgonnen door Takeda Shingen zijn enkele van de oudste voorbeelden.
Ambachten en nijverheid
De ambachtelijke nijverheid bloeide en bracht een waaier van streekgebonden specialiteiten voort. De wijk Nishijin 西陣 in Kyōto wordt het centrum van de zijdeweefkunst, die uit China ingevoerde zijde verwerkt. Naderhand wordt deze techniek ook uitgedragen naar andere streken zoals Suō 周防, Izumi 和泉, Tango 丹後, Mino 美濃, Owari 尾張, Echizen 越前 en Kaga. Van de bast van de papiermoerbei (kōzo 楮) en de Wikstroemia sikokiana-(ganpi 雁皮) plant werd handgeschept papier vervaardigd van hoge kwaliteit, alsnog gereserveerd voor de betere standen (tempels, bushi en handelaars). Vooral de streken Bitchū 備中, Mino, Harima 播磨 en Yamato 大和 legden zich toe op de papierproductie. Voorts verdienden vermelding de ceramiek van Seto en Owari en de sake van Kongō-san 金剛山 in Kawachi 河内, Hakata in Chikuzen 筑前 en Nara in Yamato.
Een van de belangrijkste nijverheden was de smederij en de ijzergieterij. Tot in de veertiende en vijftiende eeuw was het gebruikelijk dat de op het land gevestigde landheren (klasse van de jitō en shōkan) een eigen smidse hadden op hun domein, maar vanaf de periode van de Strijdende Provinciën (sengoku) neemt de vraag naar landbouwgereedschap, huisraad, zwaarden, messen,... in die mate toe, ook onder het volk, dat de smeden en ijzergieters niet langer afhankelijk zijn van een landheer als hun eigen werkgever en meester, en zelfstandige ambachtlieden worden. Wegens de grote behoefte van de daimyō aan wapens, werken de wapensmeden echter wel in dienst van een welbepaalde heer, maar dit doet niets af aan de algemene tendens. Een gelijkaardige evolutie doet zich voor met timmerlieden, metselaars, aanleggers van tuinen, meubelmakers,... die nu niet langer uitsluitend afhankelijk zijn van kuge, tempels en bushi, maar ook vele bestellingen van stedelingen krijgen.
Groei van steden
Overal komen steden als commercieel centrum van hun regio tot ontwikkeling. Streekmarkten worden nu op geregelde tijdstippen en vaker gehouden (bijvoorbeeld elke vierde dag van de maand). Wanneer zij in een verder stadium tot permanente markten evolueren, komen de handelaars zich in de buurt vestigen en zo ontstaan nieuwe steden. Bestaande binnenhavens langs het Biwa-meer en de Yodo 淀川-rivier, alsook traditionele zeehavens zoals Sakai en Hakata komen tot ongekende bloei. Om de producten uit de noordelijke provinciën van Honshū aan te voeren ontstaan nieuwe havens in Hokuriku, Echizen en Echigo 越後.
Ook in de omgeving van tempels ontstaan nieuwe steden of groeien bestaande stadsdelen verder uit: in de buurt van de Tennōji 天王寺-tempel (Ōsaka), het heiligdom van Ise (Ujiyamada 宇治山田) en in Nara. Dit zijn de zogenaamde monzenmachi of tempelsteden, die heel wat parallellen vertonen met de reeds vermelde kasteelsteden. Een prachtig voorbeeld van deze laatste is Yamaguchi 山口, ontstaan rond het kasteel van de Ōuchi-clan, centrum van binnenlandse handel en handel met Míng-China. Tijdens de Ōnin-oorlog was het de trekpleister voor de hoofdstedelijke elite die Kyōto ontvlucht was en ontpopte zich tot een belangrijk cultureel centrum. Kyōto van zijn kant herstelde vrij snel van deze deemstering. Vanaf de zestiende eeuw bloeide het weer in volle glorie, maar dit keer kwam de pracht niet meer van de oude aristocratie, maar was hij de vrucht van handel en nijverheid.
De literatuur
Ook de kunst van het kettinggedicht (renga 連歌) bereikte zijn hoogtepunt in de Muromachi-periode. Hoewel afgeleid van waka en dus in oorsprong van aristocratische komaf, is het pas in kringen van lagere standen (bushi en stedelingen) dat het kettinggedicht echt ernstig wordt genomen en zich ontpopt tot en hoogstaand literair genre. Naderhand wordt het de voedingsbodem waaruit het speelse kettingvers groeit, dat weer op zijn beurt het onstaan geeft aan haiku. Sōgi 宗祇 (1421-1502), van volkse komaf, geldt als de grootmeester van het kettinggedicht en zijn bloemlezing Shinsen Tsukuba-shū 新撰菟玖波集 (‘Nieuwe collectie van Tsukuba’) als de bijbel van het genre. Dat het speelse kettingvers inderdaad als een zekere parodie op het ernstige is ontstaan moge blijken uit de titel van de belangrijkste verzameling in het genre: Inu Tsukuba shū 犬筑波集 (‘Hondse collectie van Tsukuba’), van de hand van Yamazaki Sōkan 山崎宗鑑 (?-ca.1540), de grondlegger van dit schalkse soort poëzie.
Op het gebied van de literatuur kunnen verder nog vermeld worden de Kanginshū 閑吟集, waarin volksliederen verwerkt zijn en de Otogisōshi 御伽草子, een verzameling van korte verhalen, die erg geliefd waren onder het volk. Men treft er o.m. verhalen aan over gewone mensen die het tot edele of daimyō schoppen. Deze variaties op het ‘rags-to-riches’-thema weerspiegelen de maatschappelijke tendensen van gekokujō.
De zen-clerus
Een belangrijke bijdrage tot de Muromachi-cultuur werd geleverd door de zen-clerus. Zij produceerden een volumineus corpus poëzie en proza in Kanbun, en bestudeerden intens het Chinese neoconfucianisme. Sommigen onder hen, zoals Sesshū 雪舟 en Sesson 雪村 blonken uit in de monochrome schildering (suiboku-ga 水墨画), een stijl die eveneens uit China afkomstig was maar in hun handen Japanse accenten kreeg.
De boekdrukkunst
Steden als Yamaguchi en Sakai rivaliseerden met Kyōto als centra van cultuur. In deze twee steden worden voor het eerst confucianistische handschriften gedrukt en uitgegeven, bijvoorbeeld Rongo 論語 en Isho Daizen 医書大全. Opvallend is ook hoe de daimyō de studie van het neoconfucianisme stimuleerden en daardoor de vraag naar drukwerken deden toenemen. Ook leerboeken, bedoeld om de kinderen van kleine landheren, jizamurai en beter gesitueerde boeren (hyakushō-myōshu) een elementaire kennis van het schrift, de etiquette, streekproducten, religieuze feesten, en de moraal mee te geven, zagen het licht. Teikin ōrai 庭訓往来 en Dōji-kyō 童子教 zijn daar bijzondere voorbeelden van.
Het christendom en de westerse beschaving
In de zestiende eeuw maakten de Japanners voor het eerst kennis met de westerse beschaving. In 1543 landden Portugezen op het eiland Tanegashima 種子島 en introduceerden het gebruik en de fabricage van vuurwapens en buskruit. De stad Sakai, die zowel haven als centrum van metaalnijverheid was, werd één van de grote productiecentra van vuurwapens. Dat het gebruik van dit nieuwe type wapens een enorme invloed zal hebben op de oorlogsvoering laat zich makkelijk raden. In het kielzog van de Portugese schepen komen ook de missionarissen. In 1549 zet de Jezuïet Franciscus Xaverius voet aan wal in Kagoshima. In zijn spoor volgen vele priesters (bateren バテレン・伴天連) en broeders (iruman イルマン・伊留満). Hun strategie was er in de eerste plaats op gericht de daimyō te bekeren om dan onder diens officiële bescherming het hele volk voor het geloof te winnen. Sommige daimyō stelden in elk geval de handesrelaties met de Portugezen erg op prijs en om deze lucratieve contacten op geen enkele manier in gevaar te brengen, lieten zij prediking en bekering binnen hun territorium toe. Sommigen bekeerden zich zelfs, zoals bijvoorbeeld Ōmura Sumitada 大村純忠 van Bizen. In 1580 schonk hij de haven van Nagasaki 長崎 en haar omgeving aan de Sociëteit van Jezus. Hij was ook één van de drie daimyō die in 1582 een gezantschap van jonge bekeerlingen naar de curie te Rome stuurde. De schenking van de haven van Nagasaki was in de eerste plaats door politieke beweegredenen ingegeven. Het gebied dreigde namelijk geannexeerd te worden door de Ryūzōji 竜造寺-clan en door de haven aan de jezuïeten af te staan, kon hij tenminste nog vruchten van de handel blijven plukken.
Xaverius had gehoopt de shogun in Kyōto te kunnen ontmoeten, maar was daar niet in geslaagd. In 1560 slaagde de jezuïet Vilela daar wel in. Hij werd in audiëntie ontvangen door shogun Yoshiteru en kreeg de toelating om te prediken in de hoofdstad. In de twee volgende decennia kende het christelijke geloof een spectaculaire opgang in Kioto, mede dank zij de welwillende houding van Oda Nobunaga, die door de Westerse cultuur geïntrigeerd was en kennelijk in het christendom een middel zag om het boeddhisme te fnuiken. De Portugese jezuïet Luis Froïs won zijn vertrouwen en kreeg de toelating om in Azuchi en Kyōto een kerk en een college op te richten.
In 1569, precies twintig jaar na Franciscus Xaverius, arriveerde de Italiaanse jezuïet Alessandro Valignano (1539-1606) als visitator in Japan. Het werd het begin van een ware bloeiperiode voor het christendom. Hij onttrok Japan aan het gezag van de diocees van Goa en maakte er een zelfstandige diocees van, richtte seminaries op voor de opleiding van inlandse clerus, scholen waar de kinderen van Japanse bekeerlingen met de katholieke leer en de diverse takken van de westerse humane wetenschappen konden kennismaken, dispensaria en een drukkerij. Hij was ook het brein achter het beroemde gezantschap van christenjongelingen naar Rome. In 1582, het jaar van de dood van Oda Nobunaga, voer hij samen met vier bekeerlingen, zonen van daimyo, en hun gevolg uit de haven van Nagasaki op weg naar Lissabon, om vandaar dan verder te reizen naar Rome. Dit was een ongeëvenaarde propagandastunt. De passage van deze exotische stoet door de steden Lissabon, Madrid, Venetië en Rome, gooide hoge ogen, en werd de aanleiding tot talloze publicaties over de reizigers en de kerk in Japan. De onderneming diende een dubbel doel: door de ontmoeting met paus Gregorius XIII erkenning winnen voor het in Japan geboekte missioneringssucces en de ogen van de Japanners openen voor de schittering van de westerse, de christelijke beschaving. Valignano slaagde in beide opzetten, maar het succes zou toch niet duurzaam zijn. Toen de gezanten in 1590 terug thuis kwamen was de sfeer van euforie verdwenen.
Op hun terugreis namen de gezanten een aantal wetenschappelijke boeken, onder meer een exemplaar van Ortelius' atlas Theatrum orbis terrarum mee naar hun thuisland. Het pronkstuk in hun baggage was ongetwijfeld de westerse drukpers. Dit was ook een idee geweest van Valignano. De nood aan religieuze boeken en prenten steeg hand in hand met de toename van het aantal bekeerlingen en kon alleen gelenigd worden door plaatselijke productie. Daartoe werden een drukkerij en een academie voor religieuze kunst opgericht. In de academie onderrichtte de Napolitaan Giovanni Cola zijn Japanse leerlingen in de westerse technieken van olieverfschilderen en kopergravure. Vaak dienden Vlaamse prenten als model. Een van de belangrijkste collecties van religieuze prenten was het door Hiëronymus Nadal samengestelde boek Evangelicae historiae imagines, een collectie van 153 kopergravures in folio, in 1593 te Antwerpen gepubliceerd.
De Portugese stijl van kolonisering kenmerkte zich door een verregaande versmelting van commerciële, militaire en religieuze doeleinden. Aan de missionering waren politieke implicaties verbonden en dit hield het gevaar in van een botsing met de bewindvoerders van het land. Ten tijde van Oda Nobunaga had dat geen probleem gevormd, maar inmiddels was hij door Hideyoshi opgevolgd als de facto heerser over het land. Hij stond veeleer wantrouwig tegenover het christendom en ging in 1587 over tot zijn eerste verbod op de missionering. Gelukkig voor de missionarissen en de bekeerlingen ging het slechts om een korte opstoot van christenvervolging. Na verloop van tijd versoepelde Hideyoshi weer zijn houding en liet hij hen betijen. Van 1590 tot 1592 en van 1598 tot 1603 verbleef Valignano weer in Japan en zette zich verder in voor de uitbouw van de missie. Het wantrouwen van Hideyoshi nam echter toe, en hij ging nog meerdere keren over tot het arresteren en kruisigen van christenen.
Volgens de rapporten van de jezuïeten telde Japan op het hoogtepunt van de missionering ongeveer 150.000 bekeerlingen en meer dan 200 kerken.

