Tokugawa Ieyasu sticht het bakufu te Edo
Uit GeschiedenisJapan
Tokugawa Ieyasu werkt zich op tot shōgun
Tokugawa Ieyasu (1542-1616) stamde uit een familie van kleine landadel in de provincie Mikawa (de huidige prefectuur Aichi 愛知), die er in de periode van de Strijdende Staten in geslaagd was zich op te werpen als onbetwistbaar heerser van dit gebied. Ieyasu was een strateeg wiens sterkste punt ongetwijfeld zijn geduld was. Door dik en dun verdedigde hij de belangen van Oda Nobunaga, maar zodra Toyotomi Hideyoshi de macht in handen nam, begon Ieyasu zich meer en meer op afstand te houden, zoveel mogelijk aandacht bestedend aan het verstevigen van zijn eigen machtsbasis in de Kantō-streek. Hij slaagde erin zich te onttrekken aan het militaire avontuur in Korea zodat hij na het overlijden van Hideyoshi overbleef als één van de machtigste daimyō in het land. Door zijn overwinning in de Slag bij Sekigahara 関ヶ原 (1600; Gifu prefectuur 岐阜県) kon hij zijn feitelijke hegemonie vestigen en deze werd formeel bevestigd toen hij in 1603 tot shōgun werd benoemd. Wegens zijn afstamming van Minamoto no Yoritomo kon hij op die titel meer recht laten gelden dan Hideyoshi. De eerste jaren van het door hem in Edo gestichte bakufu werden nog wat vertroebeld door de strijd tegen de Toyotomi-clan en zijn getrouwen.
Na de dood van Hideyoshi verbrokkelde de cohesie onder de vazallen van de Toyotomi-clan, enerzijds omdat Hideyoshi geen waardige opvolger naliet, anderzijds omdat het debacle in Korea tal van ereschulden van de Toyotomi’s ten opzichte van hun vazallen had meegebracht die niet werden ingelost. Van deze spanningen kon Tokugawa Ieyasu handig gebruik maken om op de voorgrond te treden als kordaat en wilskrachtig eenmaker. Ieyasu was vazal van Oda Nobunaga, en één van de voornaamste pijlers in de realisatie van diens plannen om het ‘oosten te ontwikkelen’. Na Nobunaga's dood bleef Ieyasu de nadruk leggen op het uitbouwen van zijn eigen macht in de Kantō-streek, vanuit het kasteel te Edo, zijn hoofdkwartier. Terwijl hij lid was van het regentencollege (go-tairō, “vijf regenten”) dat het bestuur van Hideyoshi overnam na diens dood, begon hij stelselmatig en bedachtzaam zijn ambities om heerser van Japan te worden, te realiseren.
Kort voor zijn dood had Hideyoshi zijn opvolging geregeld door een college van regenten in het leven te roepen dat het bestuur van Japan in handen moest nemen tot Hideyoshi's zoon Hideyori (1593-1615) oud genoeg zou zijn om de politieke verantwoordelijkheid op zich te nemen. Aan Ieyasu werd vooral de opdracht toevertrouwd om vanuit het kasteel Fushimi (Kyōto) het bestuur waar te nemen, terwijl Hideyoshi's rechterhand Maeda Toshiie (1538-1599) de opdracht kreeg de opvoeding van Hideyori af te maken (in het kasteel van Ōsaka). Deze regeling veroorzaakte al wat wrijvingen tusen de vazallen, voor wie de opvolgingskwestie niet al te adequaat werd geregeld. In grote lijnen vormden er zich twee facties, de bunchiha 文治派 en de budanha 武断派, dit wil zeggen degenen die van Japan opnieuw een door een gespecialiseerde ambtenarij bestuurde staat wensten te maken, en diegenen die voorstander waren van een sterk militair gezag. Ieyasu koos partij voor laatstgenoemde groep.
In 1600, een jaar na de dood van Maeda, achtte Tokugawa zijn uur gekomen en, onder het voorwendsel dat Uesugi Kagekatsu 上杉景勝 (één van de vijf regenten), illegaal forten bouwde en herstelde, trok hij ten strijde. Dit evenwel niet zonder een geheim bondgenootschap te hebben gesloten met de Kobayakawa-clan in het bunchiha-kamp. Ieyasu's campagne tegen Uesugi werd voor het kamp van de bunchiha de gelegenheid om voor eens en altijd met hem af te rekenen, en bij monde van Ishida Mitsunari 石田三成 (1560-1600) verklaarden zij hem de oorlog. Het grote treffen vond plaats in september 1600 bij Sekigahara. Tokugawa versloeg met zijn aanhang de coalitie der bunchiha, en dwong de meeste der vazallen tot zijn kamp toe te treden. Dadelijk probeerde hij de aanhang van de Toyotomi-clan te kortwieken door middel van kaieki 改易, dit wil zeggen het confisqueren of in omvang reduceren van de leendomeinen van de vazallen. In totaal nam hij van 87 daimyō hun gronden af, en bracht die ofwel rechtstreeks onder toezicht van de Tokugawa's, of deelde ze uit aan trouwe leenmannen die zich in de slag bij Sekigahara onderscheiden hadden. De Toyotomi-clan en nog drie andere clans werden gedwongen een deel van hun gronden prijs te geven. Toch waren de Toyotomi's hiermee niet helemaal uitgeschakeld. Hideyori behield een grote aanhang en bleef in het bezit van het kasteel van Ōsaka en drie aangrenzende provincies. Dus, niettegenstaande zijn militaire succes was de hegemonie van Ieyasu niet dadelijk een absoluut gegeven. Vooral ten westen van Ōsaka was de invloed van Ieyasu nog vrij zwak en bleven nog heel wat vazallen trouw aan Toyotomi Hideyori, zodat Ieyasu – althans voor de schone schijn – trouw en loyaliteit aan Hideyori bleef betuigen. Achter de schermen ging hij echter door met nieuwe vazallen voor zijn kamp te winnen en zijn macht uit te breiden.
Tokugawa vernietigt de Toyotomi-clan
In 1603 kreeg Ieyasu van keizer Go-Yōzei 後陽成 de titel van seii tai-shōgun 征夷大将軍 en stichtte hij officieel het Edo-bakufu (1603-1868) dat hij twee jaar lang zelf leidde. In 1605 gaf hij de titel van shōgun door aan zijn zoon Hidetada 秀忠 (leefde 1579-1632), en trok zich terug in het familieslot te Sunpu 駿府 (heden Shizuoka 静岡) met de titel van ōgosho 大御所 (shōgun in ruste). In die functie bleef hij wel ijveren voor de totale uitschakeling van de Toyotomi's en de uitbouw van een stevig bestuur over een eengemaakt Japan. Alhoewel hij nog tijdens het leven van Hideyoshi zijn nicht aan Hideyori had uitgehuwelijkt, bleef Ieyasu er dus in het geheim op aansturen om de Toyotomi's geheel te vernietigen. Hideyori toonde zich evenwel een subtiel diplomaat die Tokugawa geen enkel excuus bood om hem uit te schakelen. Uiteindelijk moest Ieyasu dan ook zijn toevlucht nemen tot een wel heel vergezocht voorwendsel. In 1611 liet Hideyori de tempel Hōkōji, die zijn vader in 1595 gebouwd had, maar die reeds in 1596 door een aardbeving verwoest was, heropbouwen. Toevallig stonden in één van de tempelklokken die gegoten werden twee spreuken die door een vergezochte interpretatie als beledigend voor Ieyasu konden uitgelegd worden. De eerste was de vier karakters tellende wens ‘vrede en rust over het vaderland’. Het tweede karakter was identiek aan dat van ie 家, het vierde dat van yasu 康. Dit werd uitgelegd als een vloek om Ieyasu's kamp te verdelen. De tweede spreuk was ‘Overvloed en geluk voor heerser en onderdanen, welvaart voor de nakomelingen’, hetgeen met wat fantasie en veel kwade wil ook kon gelezen worden als: ‘Met Toyotomi als heerser, zullen we de vreugde beleven dat onze nakomelingen welvaart kennen’. Dit ervoer Ieyasu als zo beledigend dat hij eiste dat de inscripties verwijderd werden, hetgeen Hideyori weigerde. Ieyasu meende de wapens te moeten grijpen. Het werd een bloedige gebeurtenis waarbij de Toyotomi's 90.000 manschappen inzetten tegen de 180.000 soldaten die de Tokugawa-generaals in het veld brachten. Er waren twee campagnes nodig om Ōsaka te onderwerpen. Eén in de winter van 1614, die eindigde op een wapenstilstand, nadat de Tokugawa's 35.000 van hun eigen manschappen hadden zien sneuvelen, en één in de zomer van 1615 waarin de Tokugawa's er uiteindelijk in slaagden de Toyotomi-clan helemaal uit te roeien. Met dit laatste militaire wapenfeit bracht Ieyasu uiteindelijk heel Japan onder controle van het bakufu. Hijzelf overleed kort nadien en werd in Nikkō 日光 begraven in een aan zijn nagedachtenis gewijde tempel. Gedurende heel de Tokugawa-periode zou hij er als een god worden vereerd. Hij deed dat naar het voorbeeld van Toyotomi Hideyoshi die zichzelf ook had laten vergoddelijken om zijn afstamming zeker te stellen. Ieyasu liet de keizer echter Hideyoshi's goddelijke status ontnemen.
Hiërarchisering van de daimyō: bakuhan-taisei 幕藩体制
Tokugawa bouwde voort op de door Hideyoshi gelegde bestuurlijke grondslagen. Om met succes een voldoende gecentraliseerd feodaal bestuur uit te bouwen voerde het bakufu een uiterst strikt beleid inzake administratieve, politionele en sociale controle. Het hele politieke en maatschappelijke bestel berustte op een rigide klassenonderscheid tussen samurai, boeren, ambachtslui en handelaars. Aan elk van deze standen was een specifieke maatschappelijke opdracht toevertrouwd, waarvan onder geen beding mocht afgeweken worden.
Het bakufu streefde naar een zo compleet mogelijke onderwerping van en controle over de daimyō enerzijds en de boeren anderzijds. Daarnaast zorgde het er ook voor dat de bewegingsvrijheid van de keizer beperkt bleef. In de grond waren de bestuursstructuren van het Edo-bakufu niet veel meer dan op nationale schaal toegepaste ‘huiswetten’ die golden op alle domeinen in het bezit van de Tokugawa's en hun vazallen. Die bezittingen en leenman-leenheer relaties namen na de val van Ōsaka gewoonweg nationale allures aan.
Het centrale politieke en administratieve bestuur werd door de Tokugawa-clan en de clans die hem van oudsher trouw waren, gemonopoliseerd. In de rangen van deze daimyō onderscheidde men twee niveaus: de shinpan 親藩 (verwante clans) en de fudai 譜代大名. In 1868, op het einde van het Edo-bakufu, telde men 23 shinpan-daimyō, aangevoerd door de zogenaamde go-sanke 御三家, ‘De drie families’, die rechtstreekse afstammelingen waren van Ieyasu en die ingeval de shōgun geen nakomelingen had, het privilege hadden een opvolger uit hun rangen aan te wijzen. Deze drie families waren de heren van Owari, Kii 紀伊 en Hitachi 常陸 (Mito 水戸). Het tweede niveau in de hiërarchie waren de Fudai: trouwe vazalclans uit de tijd voor de slag bij Sekigahara, in de 18de eeuw een 145-tal, uit wier rangen ook bestuurders gerekruteerd werden om in de centrale administratie dienst te doen.
Er was nog een derde niveau onder de daimyō, namelijk de tozama 外様, (buiten-heren), clans die de status van daimyō hadden verworven ten tijde van Nobunaga of Hideyoshi of die al veel langer erin geslaagd waren een onafhankelijke koers te varen, zoals bijvoorbeeld de Shimazu op Kyūshū. Er waren 98 tozama-clans die allen met uiterste omzichtigheid werden behandeld, maar tevens zoveel mogelijk aan de controle van shinpan en fudai onderworpen waren. De tozama kregen geen functies toevertrouwd in het bakufu-bestuur en er werd naar gestreefd hun invloed zoveel mogelijk te beperken tot het hun toebedeelde leengebied of han 藩. Han is de term die de historici gebruiken om een toenmalig daimyō-domein te omschrijven. Hij is ontleend aan een oud Chinees taalgebruik en kwam pas in de negentiende eeuw in zwang. Voordien sprak men gewoon van ryō 領. Op het einde van de zeventiende eeuw waren er 240 han, in 1833 telde men er 255 en in 1869 waren er 284. Daimyō was een vazal met gronden die tenminste 10.000 koku opbrachten. Het hele bestuursstelsel als zodanig wordt baku-han-taisei genoemd, om aan te geven dat de nationale macht in handen was van het bakufu en de regionale macht in handen van de han, de daimyō. De top van het systeem functioneerde op feodale wijze. Alle daimyō waren trouw verschuldigd aan de shōgun, in ruil voor diens go-on 御恩 of welwillende toegeeflijkheid. Binnen de domeinen onder hun respectievelijke controle hadden de daimyō en de shōgun onafhankelijk bestuursrecht, dat naarmate het bakufu gestabiliseerd werd, steeds meer op bureaucratische leest geschoeid werd. Niettegenstaande de daimyō – door een schriftelijke eed aan het bakufu – de verplichting hadden hun han rechtvaardig te besturen, was hun autoriteit absoluut en bestuurden zij op basis van een door henzelf uitgevaardigde wetgeving. Het regime had dus meer oog voor de controle op de daimyō, dan voor de controle op de manier waarop de daimyō zich binnen hun respectievelijke han gedroegen. Het bakufu was vooral bang dat vijandige daimyō een coalitie zouden vormen die het regime ten val zou kunnen brengen. Het bakufu deed dan ook al het mogelijke om door middel van het confisqueren van hele han of gedeelten ervan en die toe te vertrouwen aan shinpan of fudai dergelijke ontwikkelingen te voorkomen. Langs de wegen van en naar Edo en Kyōto werd zoveel mogelijk grond onder rechtstreeks toezicht van het bakufu gegroepeerd, en in Edo, Ōsaka, Kyōto (Nijō) en Sunpu werden strategische forten in permanente paraatheid gehouden. ‘De drie families’ kregen han toegewezen op strategische plaatsen ten oosten en westen van Edo en het gebied ten zuiden van Ōsaka. De tozama bevonden zich doorgaans meer afgelegen van de bestuurlijke centra, in noordoostelijk Honshū en zuidwestelijk Japan. De fudai werden tussenin geplaatst om de bewegingen van de tozama in het oog te houden. Deze strategische schikkingen werden grotendeels in de jaren kort na de Slag van Sekigahara geregeld en bleken gedurende meer dan tweehonderd jaar afdoende te zijn. Het was pas in de negentiende eeuw dat het bakufu zijn greep zou zien verzwakken, en tozama uit het verre westen zoals de Shimazu en de Mōri een anti-tokugawa-beweging op gang zouden brengen.

