Toenemende productiviteit in de landbouw tijdens de Edo-periode
Uit GeschiedenisJapan
Rijst en de andere opbrengsten van de agrarische sector lagen dus aan de basis van economie en rijkdom. In plaats van zich ook te werpen op de handel en distributie van deze producten en op die manier hun inkomen op te drijven concentreerden het bakufu en de han zich op het doen toenemen van de opbrengsten om op die manier financieel welvarend te worden. Dit was een beleid dat op langere termijn tot mislukken gedoemd was omdat de handelaars vrij spel kregen om de distributiekanalen (en dus de weg naar de uiteindelijke afnemer) te monopoliseren en aldus de prijzen te bepalen. In een notendop beschouwd gaven de samurai weinig blijk van commercieel inzicht en waren zij uit op ‘het snelle gewin’.
Op korte termijn betekenden de inspanningen van het bakufu evenwel een enorme vooruitgang qua landbouwbeleid doordat zowel nieuwe gronden in cultuur werden gebracht als er nieuwe technieken werden geïntroduceerd en aangemoedigd. De ontginning van nieuwe landbouwgrond werd aangemoedigd door het toekennen van belastingsprivileges aan de ontginner: bijvoorbeeld drie à vijf jaar vrijstelling van belasting op de opbrengst van de nieuwe gronden en/of deze gronden minder te belasten dan die die in de kadasters werden beschreven. Op die manier groeide het landbouwareaal dat ten tijde van Hideyoshi ongeveer 150.000 hectaren telde tot het dubbele, ongeveer 300.000 hectaren uit. Ook de stedelingen lieten zich niet onbetuigd in dergelijke projecten en vooral vanaf de Genroku 元禄-periode (1688-1704) die zowat het keerpunt is van het financiële welvaren van bakufu en han, gingen zij ook meer en meer investeren in de ontginning van nieuwe velden, de aanleg van vervoerskanalen, irrigatiewerken, ...
Verbeterde landbouwwerktuigen en nieuwe vormen van meststoffen droegen bij tot een spectaculaire stijging van de productiviteit. Nieuwe types van schoffel zoals de bitchū-guwa 備中鍬, lieten de boer toe zijn grond dieper te ploegen. De dorskam (senba-koki 千把扱) betekende een enorme verbetering ten opzichte van de kokibashi 扱箸, die niet meer dan een gespleten bamboestok was waartussen men de aren trok om de graankorrels eruit te krijgen. Wannen en zeven zorgden voor een efficiënte scheiding van kaf en koren. Qua bemesting werden nu naast houtskool en dierlijke of menselijke meststoffen ook op grote schaal visoverschotten gebruikt. Deze werden door de handelaars geleverd, vandaar de algemene naam kinpi 金肥 of ‘mest die moet gekocht worden’.
De groei van de steden ten gevolge van de stijgende welvaart van de stedelingen was ook van invloed op de landbouwproductie. De boeren waren in de eerste plaats verplicht rijst te kweken bestemd voor de graanschuren van de overheid. Maar naarmate de productiviteit steeg, zagen zij de mogelijkheid om extra inkomsten te maken door producten voor de stad te kweken. Inspelende op de groeiende vraag van de steden naar groenten, specerijen, textiel, ... ontstond vooral rond de steden een hele nieuwe vorm van landbouwbedrijf die we gemakshalve tuinbouw zullen noemen. De belangrijkste producten waren zoete aardappelen, thee, meloenen, witte kool, spinazie, tabak, ...
Grondstoffen voor de ambachtelijke nijverheid werden een belangrijke bron van inkomsten: katoen, hout voor papier, zijdegaren, ... Tegen de achttiende eeuw werd in vrijwel heel Japan katoen gekweekt en was de productie voldoende om aan de binnenlandse vraag te voldoen. In de loop van de zeventiende eeuw verdubbelde de productie van inlands zijdegaren, zodat bij het begin van de achttiende eeuw Japan niet langer afhankelijk was van de uit China ingevoerde zijde.
Het ontstaan van deze tuinbouw had verstrekkende gevolgen voor de landbouwklasse. Enerzijds dreef het het bakufu tot het opleggen van steeds stringentere controles op de kweek en betaling van rijst, anderzijds maakte het de boeren iets onafhankelijker in die zin dat de opbrengst van de tuinbouw de uitbreiding van de geldeconomie naar het platteland in de hand werkte. Ten gevolge van deze twee ‘krachten’ ontstond er als het ware een kloof in de boerenklasse: enerzijds welvarende boeren vooral rond de steden geconcentreerd en anderzijds een verpauperde boerenmassa die zijn inkomen en bestaan moest zien te halen uit de rijstbouw maar die, naarmate het Japanse mercantilisme het feodaal stelsel uitholde, er steeds minder in slaagde.
Er werden dieren gefokt voor de landbouw en voor het transportwezen. Vooral de paardenkweek floreerde. Steden als Sendai, Tsugaru 津軽 en Nanbu 南部 stonden bekend voor hun regelmatige paardenmarkten en als centra van de paardenkweek. Tennōji te Ōsaka vond vooral weerklank met haar rundermarkt.
De bosbouw werd belangrijk als leverancier voor de papiernijverheid. Zowel de nijverheid als de burgers investeerden in deze vorm van industrie. De kan’yūrin 官有林 vormden een bron van inkomen voor bakufu en daimyō. De min’yūrin 民有林 of privé-bosbouw was vooral een aangelegenheid van de dorpen die van de politieke overheid het recht genoten collectief bepaalde stukken bos te beheren en er sprokkelhout, houtskool, ... voor diverse doeleinden van te oogsten.
Ook de visvangst groeide uit tot een winstgevende nijverheidstak dankzij vooral het in zwang raken van sleepnetten en andere methoden om massaal vis te vangen. De sardienen die voor de kusten van Chiba werden gevangen, werden nationaal bekend en ze werden zo massaal aangeboden dat zij hoofdzakelijk als meststof op het platteland aftrek vonden. Maar ook de walvisvangst op Kyūshū, de haringvisserij van Hokkaidō, ... namen een hoge vlucht en raakten bekend tot in China dat een deel van de opbrengsten importeerde. Zowel de kustvisserij als de langere vaart werd beoefend.
Als gevolg van de verbeterde vismethoden en de stijgende vraag naar zeeproducten ontstonden geheel van visvangst bestaande vissersdorpen en havens, met bijhorende vismijnen, daar waar tevoren de visvangst slechts een aanvulling was geweest voor landbouwers in de kuststreek gevestigd waren.
Een andere nijverheid die in zekere zin als ‘maritiem’ kan worden omschreven is de zoutwinning die langs de kusten van de Japanse binnenzee voor welvaart zorgde. De winning gebeurde door zeewater in lange en brede bassins te laten verdampen, en dan de zoutkorsten bij elkaar te rapen. Verder werd ook de handel in allerlei soorten eetbare zeewieren, gedroogde bonito (soort tonijn), ... een lucratieve bezigheid voor ondernemingsgezinde boeren en stedelingen.
Maar het was niet alleen de landbouw die vooruitgang boekte. Ook de ambachten en de nijverheid namen een vlucht die de limieten van de sociale status der stedelingen overschreed. Textielweverij, lakwerk, pottenbakkerij, smeedkunst. Er ontstonden tal van nieuwe productiewijzen; ateliers waarvan de naam en traditie tot op vandaag de dag blijven doorklinken en dergelijke meer.
Voor bepaalde handelsgoederen ontwikkelde zich snel een nationale markt. Dat was het geval voor sake en ceramiek. In de buurt van Ōsaka, meer bepaald Itami 伊丹 en Nada 灘, waar zuiver water gewonnen werd, goede rijst makkelijk aan te kopen was en een grote afnemersmarkt in de buurt gevonden kon worden, verrezen de sake-brouwerijen als paddestoelen uit de grond. Seto in Owari was vanouds een centrum van pottenbakkerij, maar in Noord-Kyūshū ontwikkelden zich nu nieuwe centra van ceramiek en porselein. Hideyoshi's generaals hadden van hun campagne in Korea bekwame pottenbakkers meegebracht die in Japan aan het werk werden gezet. Het hoge technische niveau van hun kunst gaf een enorme impuls aan de Japanse ceramiekkunst. Dankzij de toenemende vraag in de steden en aanmoedigingen en inspanningen van de han om een eigen specifieke productie te creëren, ontstonden ook een hele reeks van ambachtelijke nijverheden zoals weverijen, pottenbakkerij, lakwerk, papiermakerij, brouwerijen, .... Deze vormen van productie groeiden uit wat in de eerste plaats een huisnijverheid van de boeren was geweest die produceerden en vervaardigden om in eigen behoeften te voorzien. In de achttiende eeuw echter vond er een zekere mate van specialisering plaats onder impuls van de stedelingen-handelaars, vooral van groothandelshuizen (ton'ya), die kapitaal en grondstoffen voorschoten aan boeren en verarmde samurai om bepaalde producten in massa te produceren, welke dezelfde groothandelshuizen dan tegen vooraf bepaalde prijzen weer opkochten en via hun distributiekanalen dan verder doorverkochten. Dit stelsel noemt men ton’ya sei kanai kōgyō 問屋制家内工業, wat als een eerste stap konden worden gezien naar het ontstaan van een nieuwe klasse: de industriële arbeidersklasse, of een klasse die haar inkomen verdiende door op industriële wijze producten te vervaardigen, en dit vaak, en naarmate de tijd vorderde, meer en meer door taakverdeling en specialisering om zo een steeds grotere en relatief goedkopere productie te garanderen. De volgende fase van dit fenomeen was het zogenaamde manufactuursysteem (kōjōsei shukōgyō 工場制手工業), dat het eerst te onderkennen is in de weefsector en de alcoholbrouwerijen. Beide nijverheidstakken die slechts dankzij doorgedreven taakverdeling economisch interessant worden om aan de vraag van een grote welvarende bevolkingslaag te kunnen voldoen. Wat de weefkunst betreft werd vooral Kyōto, met het Nishijin-ori 西陣織, een soort brokaat, bekend. Kōbe 神戸 (toentertijd Nada) werd een centrum van sake-brouwerijen.
Ook de mijnbouw groeide uit tot een uiterst belangrijke nijverheidstak. Vooral goud-, zilver- en koperontginning ontwikkelde zich snel. Net zoals de bosbouw werden ook de mijnen ofwel door het bakufu geëxploiteerd (ojiki-yama 御直山) ofwel door daimyō of andere privé-exploitanten (unjō-yama 運上山). De bekendste mijnen door het bakufu geëxploiteerd waren de mijnen van Sado en de zilvermijnen van Ikuno 生野 (het huidige Hyōgo). De kopermijn van Besshi 別子, waarschijnlijk door Sumitomo Zaemon 住友左衛門 in exploitatie gebracht, is wellicht de bekendste mijn die door particulier initiatief werd uitgebaat. De ontginningstechnieken waren over het algemeen niet erg ontwikkeld zodat de productie meestal onder de mogelijkheden bleef.
De productie van de mijnen van Sado en Ikuno werden door het bakufu aangewend om munten te slaan of om rechtstreeks te verhandelen op goud- en zilverbeurzen onder hun controle. Het Edo-bakufu zette op die manier het monetair beleid van Hideyoshi verder en monopoliseerde het aanmunten als een alleenrecht van het bakufu. Heden ten dage klinkt de naam Ginza 銀座 nog door als een overblijfsel van de plaats waar het bakufu zijn zilver sloeg en verhandelde.
Soms verleende het bakufu aan bepaalde han het recht om lokaal geld uit te geven, de zogenaamde hansatsu 藩札 om op die manier hun financieel beleid in evenwicht te houden. Het eerste voorbeeld hiervan is Fukui 福井 dat reeds in 1661 dit recht verwierf.
Als gevolg van de verspreiding van het gebruik van geld ontstonden al vlug de eerste financiële instellingen en dienstverleningen . Het meest verspreide waren de wisselaars (ryōgae-jo 両替所), daarop volgden de fudasashi 札差 of rijstdepots waar overheidsambtenaren hun salaris konden omzetten in geld, de pandjeshuizen en de tanomoshi 頼母子 of de zogenaamde coöperatieven die vooral op het platteland verspreiding kenden. Bij wisselaars kon men het ene metaalgeld voor geld van een ander metaal ruilen, alsook geld deponeren in ruil voor wissels die gemakkelijk te transporteren waren. Het reeds eerder vermelde huis van Mitsui vergaarde fortuinen met de goud- en zilver-wisselverrichtingen.
Halfweg de achttiende eeuw waren in zowat alle han en belangrijke steden financiële instellingen gevestigd van welke de dienstverlening enorm heeft bijgedragen tot de sociaal-economische ontwikkeling van Japan en die de fundamenten zouden vormen voor het ontstaan van het moderne Japanse bankwezen.

