Suzuki Zenko
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Biografie
Zenko Suzuki werd als zoon van een welstellende visser geboren op 11 januari 1911 in de havenstad Yamada (Iwata) langs de Stille Oceaan in het noorden van Japan. In 1947 zetelde hij in het parlement als lid van de socialistische Partij, in de oppositie. Hij wilde echter liever actief zijn in een regeringspartij, en in 1949 vervoegde hij de Liberale Partij. Zo werkte hij mee aan de omvorming van deze partij in 1955 tot de Liberale Democratische Partij. Na het plotse overlijden van eerste minister Masayoshi Ohira werd hij de 10de voorzitter van de partij en de 70ste eerste minister van Japan. Hij overleed op 19 juli 2004 te Tokio, op 93-jarige leeftijd, aan de gevolgen van een longontsteking.
Politiek
Zijn ambtstermijn, van 17 juli 1980 tot 27 november 1982, situeert zich in een moeilijke economische en politieke periode. Zijn voornaamste doelstellingen waren dan ook de harmonie herstellen binnen zijn partij, de economie doen heropleven, en Japan in het buitenland meer gewicht geven.
Buitenland
Zijn grootste verwezenlijkingen situeren zich op het internationaal vlak, waar hij zich liet opmerken dank zij zijn diplomatieke vaardigheden. In mei 1981 haalde hij de diplomatieke banden aan met de Verenigde Staten (onder Ronald Reagan) en maakte hij afspraken in verband met defensie. Hij ijverde voor een open handelspolitiek met het buitenland. Hij nam deel aan internationale topontmoetingen en pleitte voor samenwerking met de derde wereldlanden. Hij wees ook op de pijnlijke tegenstelling tussen de grote militaire uitgaven in de rijke landen, tegenover de schrijnende armoede in de derde wereld.
Binnenland
Op het vlak van de binnenlandse politiek hechtte Suzuki veel belang aan een goede verstandhouding en eenheid binnen zijn partij. Hij ijverde ook voor een heropleving van de economie. In maart 1981 richtte hij de Ad Hoc Commissie voor Administratieve Hervorming op, die aanbevelingen moest overmaken aan de regering. Het was de bedoeling om fiscale hervormingen en budgettaire beperkingen door te voeren, zonder daarbij de belastingen te verhogen. Door de moeilijke economische toestand kon dit doel echter niet bereikt worden. Hij slaagde er wel in de regeringsuitgaven te beperken.
Na 27 maanden zag hij zich door interne kritiek genoodzaakt om ontslag te nemen als eerste minister.

