Suprematie van de Fujiwara
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Fujiwara's monopoliseren het regentschap (sekkan seiji)
Tijdens de Nara-periode wist de keizer ondanks de evidente ondergraving van de Ritsuryō-orde heel wat macht te bewaren. Ook een machtig politicus als Nakamaro vormde geen echt alternatief voor het keizerlijk gezag, maar probeerde eerder zich ermee te identificeren. Hij bezette de post van Eerste Minister of Kanselier (dajōdaijin). Door deze post voor de familie aan moederszijde van de keizer (gaiseki 外戚) op te eisen, legde hij wel de basis voor de latere hegemonie van de Fujiwara. Hij bepaalde als het ware de vorm waaronder zijn familie haar hegemonie zou vestigen. Ook in het begin van de Heian-periode regeerden de keizers nog persoonlijk en met sterke hand, zoals bijvoorbeeld Kōnin en Kanmu. Vanaf Kanmu werden ook vele prinsen van den bloede als onderdaan (shin 臣) geregistreerd en vervulden hoge ambten. Zij vormden samen met de oude voorname geslachten zoals de ōtomo, Ki, Tachibana, een geducht tegenwicht voor de Fujiwara. Zij versterkten met andere woorden de invloed van vaderszijde van de keizer.
De strijd onder de aristocratische clans aan het hof duurde inmiddels onverminderd voort. De strijd werd niet meer, zoals tijdens de Nara-periode, gevoerd met de wapens - want daarvoor waren een eigen militaire macht of goede connecties met de gemilitariseerde landadel nodig en de Heian-aristocratie had geen van beide - maar van intrige en samenwerking aan het hof. De Fujiwara-clan zette haar opgang verder. De clan was lang in vier met elkaar wedijverende "takken" verdeeld geweest, maar in de eerste helft van de negende eeuw kon de noordelijke tak (hokke 北家) het onbetwiste leiderschap over de clan verwerven. Yoshifusa 良房 (804-872) was de eigenlijke grondlegger van de Fujiwara-overheersing. Hij huwelijkte een Fujiwara-vrouw aan twee opeenvolgende keizers uit en wist zo zijn relatie als gaiseki stevig te vestigen. Hij was de eerste sedert Nakamaro die het tot Kanselier bracht. Onder hem bekleedde zijn jongere broer de functie van Minister van Rechts, maar daarnaast waren er in het kabinet niet minder dan vijf Minamoto's. Zij waren de jongere broers van keizer Ninmyō 仁明 en hielden de balans tussen de keizerlijke clan en de gaiseki in evenwicht. Yoshifusa gebruikte echter zijn positie van Kanselier om een gooi naar de macht te wagen. Toen de kind-keizer Seiwa 清和, zijn kleinzoon (regeerde 858-876), op de troon kwam, maakte hij van deze uitzonderlijke toestand, m.n. de minderjarigheid van de keizer, gebruik om regent (sesshō 摂政) te worden. Nu was hij niet langer de belangrijkste minister van de keizer maar zijn plaatsvervanger. De intronisatie van een kind was op zichzelf al onregelmatig, maar werkelijk zonder voorgaande was in elk geval het feit dat iemand die geen prins van den bloede was, het regentschap waarnam.
In 876 wordt Yoshifusa's aangenomen zoon, Mototsune 基経 (836-891), regent (sesshō) van de tienjarige keizer Yōzei 陽成 (876-884). In 884 dient hij zijn ontslag in als sesshō en wordt voor het eerst kanpaku 関白, een eufemistische term die het regentschap over een meerderjarige keizer moet camoufleren. Wanneer de volwassen geworden keizer Yōzei van Mototsune vervreemdt, werkt hij achter de schermen en zorgt ervoor dat de keizer afgezet wordt en door een gedweeër prins opgevolgd wordt.
Vanaf dit ogenblik kan men spreken van een quasi-monopolie van de Fujiwara-clan op de beide regententitels. Gecombineerd met het voorrecht gades te leveren aan de keizer en de keizerlijke prinsen zorgde dit quasi-monopolie ervoor dat de Fujiwara's een dictatoriale greep op de troon hadden, zonder ze daarom ooit te moeten usurperen. Daarmee begon een tijdperk van aristocratische monarchie, dat zijn hoogtepunt bereikte in de elfde eeuw onder de regenten Michinaga 道長 (966-1027) en diens zoon Yorimichi 頼通 (992-1074). Michinaga slaagde erin zijn dochters aan maar liefst vier keizers en één kroonprins uit te huwelijken. Een buitengewone verstrengeling van zijn familie met de keizerlijke clan.
Het “goede bestuur” van de Engi-Tenryaku-periode
Niet alle keizers legden zich daar goedschiks bij neer. Na de dood van Mototsune stelde de toenmalige keizer Uda 宇多 geen kanpaku aan een probeerde hij in de persoon van de minister Sugawara no Michizane 菅原道真 (845-903) een tegenwicht tegen de Fujiwara's te creëren. Ook zijn opvolger keizer Daigo 醍醐 (897-930) stelde geen kanpaku aan een probeerde de Ritsuryō-orde te herstellen, d.w.z. probeerde persoonlijk te regeren (shinsei 親政). De twee volgende keizers Suzaku 朱雀 (reg. 930-946) en Murakami 村上 (reg. 946-967) zetten dit streven verder. Omdat de regeringsperiode van keizer Daigo bekend staat als Engi 延喜 (901-923) en die van keizer Murakami als Tenryaku 天暦 (947-957) spreekt men van het “goede bestuur” van de Engi-Tenryaku-periode (Engi-Tenryaku no chi 延喜天暦の治). Dit is een term van lof in de stijl van de Chinese geschiedschrijving, maar de twee voornoemde opstanden tonen aan dat het eerder een lofwaardige poging is geweest dan een reëel succes. Cultureel was het wel een periode van bloei: de op keizerlijk bevel samengestelde bloemlezing van gedichten Kokinshū 古今集 (of Kokin-wakashū 古今和歌集) en het compendium van wetteksten en verordeningen Engi-shiki 延喜式 werden tijdens de regering van Daigo gecompileerd.
Ook al waren de Fujiwara's dan voor enige tijd geen regenten meer, ze bleven toch de hoogste posten aan het hof bekleden. Onder keizer Daigo was het clanhoofd van de Fujiwara's, Tokihira 時平, Minister van Links. Door een complot op het getouw te zetten slaagde hij erin zijn grote rivaal, de Minister van Rechts Sugawara no Michizane te laten verbannen naar Dazaifu. Dit was het begin van een reeks zuiveringsacties op het hoogste niveau, die doorgingen tot 969, het jaar waarin Fujiwara no Saneyori 藤原実頼, regent van keizer Reizei 冷泉 (950-1011; reg. 967-969), de Minister van Links, Minamoto no Taka'aki 源高明, uitschakelde. Vanaf dit moment regeerden de Fujiwara's gedurende ongeveer één volle eeuw als onbewiste meesters.
Nieuwe regeringsstijl
Hun politieke opgang en beheersing van de openbare macht brachten fundamentele veranderingen in de stijl van regeren mee. Door de uitholling en verbrokkeling van de Ritsuryō-orde was de macht gedecentraliseerd geworden. De aristocratie en grote kloosters waren in de woorden van de Japanoloog Edwin O. Reischauer de "veelvoudige erfgenamen van de oude gecentraliseerde staat" geworden. Daardoor dienden zij een brede waaier van administratieve en beheersfuncties zelf waar te nemen. Dit leidde tot de ontwikkeling van een soort familiale administratie, die veel gelijkenis vertoonde met de interne beheersorganen van de uji vóór de Taika-hervormingen. De Fujiwara-clan had ook een dergelijke goed georganiseerde familiale administratie en wanneer zij de publieke macht ging domineren, beschouwde zij dit doodgewoon als een verlengstuk van haar familiale bestuursaangelegenheden. Een besluit (kudashibumi 下文) afkomstig uit haar familiaal administratief bureau (mandokoro 政所) had kracht van decreet. Het keizerlijk hof zelf werd dan gedegradeerd tot een ceremonieel centrum. Omdat de Fujiwara-regenten ook de hoogste officiële ambten bezetten, was deze vorm van privé-regering helemaal geïntegreerd in het wettelijke kader van hun verantwoordelijkheid. Weinigen vóór of na hen hebben deze krachttoer herhaald: zonder zweem van usurpatie of wederrechtelijkheid opklimmen tot een positie van dictatoriale macht. Daarnaast waren zij nog de grootste "beschermers" (honjo 本所) van shōen overal in het land, en dit bracht ontzaglijke inkomsten op. Hun rijkdom en macht groeiden tot fabelachtige proporties onder de regenten Michinaga 道長 (966-1027) en diens zoon Yorimichi 頼通 (992-1074).
Eén van de meest opvallende kenmerken van het aristocratische regime is de totale afwezigheid van een politiek-ethisch principe, zoals dat bijvoorbeeld door de Ritsuryō belichaamd werd, ook al was er in de praktijk weinig verschil tussen de uitbuiting van de Nara-aristocratie en die van de Heian-aristocratie. Maar deze laatste gaf zich geheel over aan een decadente en overgeësthetiseerde levensstijl en had niets meer van de bezieling en pioniersgeest van de Nara-aristocratie. Zij bouwde luxueuze residenties en tempels en bracht haar tijd door met feesten en gala-bijeenkomsten. Zij sloot zich volledig in zichzelf op en had geen politieke of maatschappelijke visie. De gezantschappen naar de Tang werden in 894 stopgezet op voorstel van Sugawara no Michizane, omwille van de chaos die toen in China heerste en het al te grote risico van de overtocht.
Buitenlandse betrekkingen
Het feit dat niemand tegen dit voorstel noemenswaardig protest aantekende, wijst er volgens vele historici op dat de belangstelling voor het buitenland, voor nieuwe ontwikkelingen en gedachten was weggeëbd. Zij zien er een uiting in van de blinde zelfgenoegzaamheid van de hoofse aristocratie. Dat is een oordeel dat op zijn minst afgezwakt dient te worden. Om te beginnen was er in China geen waardig aanspreekpunt meer. De Tang-dynastie lag op apegapen, en haar rijk viel uiteen. Er was geen keizerlijk hof meer die naam waardig dat een Japanse missie op de geëigende manier kon ontvangen. Ten tweede, en mede als gevolg van deze omstandigheden, gingen monniken nu optreden als tussenpersoon in de relaties van staat tot staat tussen Japan en China. In de tiende trokken diverse monniken, met de officiële toelating van de keizer en de steun van de Fujiwara's op pelgrimstocht naar China. Op uitnodiging van de kloostergemeenschap op de berg Tiantai 天台 trok Nichien 日延, een monnik van de tempel Enryakuji, op pelgrimstocht naar dat grote centrum van het Chinese boeddhisme. Hij maakte de overtocht op het schip van de Chinese handelaar Jiang Chengxün 蒋承勲 en had een audiëntie met de vorst van de staat Wuyüe 呉越, één van de successiestaten die een deel van het uiteengevallen Tang-rijk geërfd had. Van de vorst van Wuyüe kreeg hij een purperen habijt, een teken van waardigheid, en hij leerde er ook de nieuwe kalender. Na een vierjarig verblijf keerde Nichien naar Japan terug. Twee jaar later bracht een gezant van Wuyüe een tegenbezoek aan Japan. Na 935 kwam de Chinese handelaar Jiang Chengxün meerdere malen naar Japan met geschenken van de vorst van Wuyüe. Hoewel de keizer ze niet aannam, deden de ministers van de Fujiwara dat wel. Zij stuurden ook een bedankingsbrief en tegengeschenken terug naar China, zodat wij toch van een soort diplomatieke relaties mogen spreken. Wuyüe werd in 978 door de in 960 gestichte Song-dynastie (Noordelijke Song 960-1127; Zuidelijke Song 1127-1279) geannexeerd, die het grootste deel van het Chinese rijksgebied weer onder één gezag wist te brengen. De Chinese dynastie moest nu wel een machtige (zogenaamd barbaarse) buur naast zich dulden in het noorden van China.
Met de nieuwe Chinese dynastie legde Japan weer contacten door middel van boeddhistische monniken die op pelgrimstocht naar het vasteland trokken. Chōnen 奝然, een monnik van de Tendai-strekking vertrok in 983 met de toelating van keizer En'yû 円融 en de financiële steun van de Fujiwara's naar China. Hij bezocht de boeddhistische centra op de berg Tiantai 天台 en de berg Wutai 五台 (in de provincie Shanxi), en had een audiëntie met de Song-keizer Taizong. De monnik vertelde over goud en andere typische Japanse voortbrengselen, en bood de Chinese keizer een chronologische lijst van de Japanse keizers aan. De Chinese keizer was naar verluidt erg onder de indruk van het feit dat de Japanse kroon het exclusieve bezit was van één en dezelfde dynastie door de tijden heen, een fenomeen dat uiteraard in scherp contrast stond met de veelvuldige dynastieke wissels in de Chinese geschiedenis.
Chônen keerde naar Japan terug met een merkwaardig beeld van de Buddha Shakyamuni, dat nog steeds in de tempel Seiryōji 清涼寺vereerd wordt, en een gedrukte boeddhistische canon. De aanwinst van het beeld en de canon gaf een injectie aan de sfeer van Reine Land devotie die toen in Japan aan het opkomen was. In diezelfde periode stuurde Genshin 源信 een exemplaar van zijn monumentale compilatie Ôjōyōshû 往生要集 mee met de kapitein van een Chinees handelsschip naar China. In 1003 reisde Jakushō shōnin 寂昭上人, een leerling van Genshin, naar China en verbleef er tot aan zijn dood. Hij voerde een correspondentie met Michinaga, die in zijn brieven naar de monnik zichzelf "minister van links van Japan" noemde, hetgeen suggereert dat hij die correspondentie zag als een onderdeel van de "diplomatieke" betrekkingen met China. Zijn zoon en opvolger als clanhoofd Yorimichi was minder actief op het diplomatieke front, maar zijn beschermeling de monnik Jōjin 成尋 speelde wel een belangrijke rol in de betrekkingen tussen Japan en China. In 1072 trok deze Tendai-monnik naar China, weliswaar zonder de officiële toelating van de regerende keizer gekregen te hebben. Nadat hij op bedevaart naar het gebergte Wutai geweest was om er te bidden voor het zieleheil van de gestorven keizer Go-reizei, werd hij in audiëntie ontvangen bij de Song-keizer Shenzong 神宗. Deze wenste diplomatieke betrekkingen met Japan aan te knopen en overhandigde met dat doel een officiële brief aan Jōjin. In 1073 namen de discipelen van Jōjin deze brief terug mee naar Japan. Het Japanse hof verkeerde toen echter in een onstabiele toestand en het Japanse antwoord liet tot 1077 op zich wachten. Het beperkte zich bovendien tot beleefde formules en gaf geen blijk van reële belangstelling voor het aanknopen van officiële betrekkingen. De thuisbasis liet dus Jōjin in China in de kou staan. De monnik, die inmiddels het vertrouwen van de Chinese keizer gewonnen had, bleef in zijn gastland en stierf er ook. Hij liet echter een uitvoerig reisverslag achter dat een onschatbare bron van informatie bevat over het toenmalige China en zijn reis daarheen.
Handelscontacten bleven echter wel bestaan. Chinese handelaars brachten overigens regelmatig producten mee uit China, die aan het keizerlijke hof werden "aangeboden," en daar als exotica met grote belangstelling werden ontvangen. De Chinese goederen werden betaald met goud, dat gewonnen werd in de provincie Mutsu. Bezit van het goud was dus van het grootste belang voor het hof en vormde de materiële basis voor zijn internationale betrekkingen. Controle over de verafgelegen provincie Mutsu was dan ook een prioriteit van het hof in Heian-kyō. Deze praktijk droeg bij tot de mythe dat Japan het land van goud was, waar we ook een echo van vinden in het verslag van Marco Polo. Andere Japanse producten die in China een gretige afzetmarkt vonden waren parels en kwik.
Het blijft niettemin waar dat de aristocratie veel meer had kunnen halen uit deze relaties met het vasteland. Ze had een zeker gebrek aan ondernemingszin, hetgeen haar politieke positie heel wankel maakte. Zij kon die handhaven zolang de klasse van landheren en myōshu nog niet het stadium van cohesie bereikt had en her en der versnipperd bleef over het land.
De wapens spreken: Taira en Minamoto manifesteren zich
De klok van de geschiedenis tikte verder. In de eerste helft van de elfde eeuw, hoogtepunt van de Fujiwara-macht, vormden de boeren in de centrale provinciën legerbenden, die strijd leverden met het provinciale bestuur, zijn wanbeleid aankloegen bij de centrale regering en weerstand boden tegen de verhoging van de pachtrente (nengu 年貢). Deze benden van gewapende boeren werden in milities of associaties van krijgers (bushidan 武士団) georganiseerd door leden van de Taira en Minamoto-clans die er de leiding over namen.
Na de onderdrukking van de opstand van Masakado was de macht van de Taira in Oost-Japan verzwakt, terwijl die van de Minamoto in belangrijke mate was toegenomen. Bij twee gelegenheden konden zij hun macht gevoelig uitbreiden.
De eerste gelegenheid was de zogenaamde “Eerste Oorlog van negen jaar” (Zen-kunen no eki 前九年の役), die duurde van 1051 tot 1062. De bevelhebber van de provincie Mutsu, Abe no Yoritoki 安倍頼時 (?-1057) en zijn zoon kwamen in opstand tegen het provinciebestuur. Het hof gaf Minamoto no Yoriyoshi 源頼義 (988-1075) bevel om de opstand neer te slaan. De tweede gelegenheid was de zogenaamde “Tweede Oorlog van drie jaar” (Go-sannen no eki 後三年の役), die duurde van 1083 tot 1087, gestreden in hetzelfde gebied. Yoriyoshi's zoon Yoshiie 義家 (1039-1106) sloeg toen een opstand van de Kiyohara 清原-familie neer. Het Minamoto-leger was telkens samengesteld uit myōshu die in hun gebied woonden of zich onder hun bescherming geplaatst hadden. Als gevolg van de gestegen macht waren er vele landheren en boeren die hun land onder de bescherming plaatsten van Yoshiie.Gelijktijdig met deze evolutie was een tak van de Taira die in Iga 伊賀, de streek van Ise 伊勢, zijn machtsbasis had, zijn invloed aan het uitbreiden over Kinai en de Westelijke proviciën en de bushi van deze gebieden onder zijn gezag aan het brengen.

