Staatsshintoïsme in de Meiji periode
Uit GeschiedenisJapan
Staatsshintoïsme (国家神道) is een vorm van shintoïsme die ontstaan is na de Meiji restauratie in 1868. Het was een vorm van shintō gecreëerd door de staat met als doel het Japanse volk samen te brengen onder één religie, onder het alziende oog van de staat. Keizerverering was een centraal element van staatsshintoïsme en aangezien de keizer het (symbolische) hoofd van de staat was, betekende trouw aan de keizer dus ook trouw aan de staat. Op het einde van de Meiji periode werd het staatshintoïsme vooral gebruikt om het nationalistische gevoel bij de Japanners aan te wakkeren. Het verdween na het verlies van Japan in de Tweede Wereldoorlog.
Inhoud |
Kort overzicht van het shintoïsme voor de Meiji periode
Het shintoïsme tijdens de Edo periode (ook wel de Tokugawa periode genoemd) was geen georganiseerde religie. De term shintō (神道, lett. weg der kami) werd pas ingevoerd tijdens de Meiji periode.
Het shintoïsme waar wetenschappers nu naar verwijzen was het geheel van losse geloofspraktijken, de rituelen en feesten die geassocieerd worden met schrijnen/heiligdommen en de geloofsovertuigingen en ethiek die nu als shintō worden aanzien (bv. het belang dat gehecht wordt aan zuiverheid en de regels die dicteren wat er moet gebeuren als je niet meer zuiver bent).
Ook van belang is het feit dat ‘zuiver shintō’ simpelweg niet bestond. Het shintoïsme was in die tijd niet weg te denken van de invloed van boeddhisme en (neo)confucianisme. Vanaf de introductie van het boeddhisme in Japan begon de vermenging van boeddhisme en shintoïsme (神仏習合), die een hoogtepunt bereikte met het honji suijaku-concept (本地垂迹)[1] dat geïntroduceerd werd in de 9e eeuw. Rituelen bevatten dus vaak zowel shintoïstische als boeddhistische elementen.
Het staatsshintoïsme
Het doel van de Meiji restauratie was om de oude macht van de keizer te herstellen. Er werd dus teruggegrepen naar bepaalde oude waarden en geschriften, bv. de Kojiki en de Nihonshoki, die de macht van de keizer bevestigden en legitimeerden. Die legitimering kwam vanuit het geloof dat de keizer een afstammeling is van de belangrijkste god in het shintoïsme, nl. de zonnegodin Amaterasu(天照). Een groepje intellectuelen (onder invloed van, onder meer, de Kokugaku school[2]) uit die tijd vond dat Japan van alle buitenlandse invloeden gezuiverd moest worden. Dit betekende dus ook dat uitheemse godsdiensten zoals het boeddhisme en christendom, die oorspronkelijk uit resp. India en Europa kwamen, moesten uitgeroeid worden.
Ze wilden een terugkeer naar wat volgens hen de inheemse, zuiver Japanse godsdienst was, nl. het shintoïsme. Ze wilden een staatsgodsdienst die inherent Japans was en kon verzoend worden met het principe van saisei itchi (祭政一 lett. Eenheid van religie en staat). Ook grepen ze naar het shintoïsme omdat ze geloofden dat het Japanse volk tot een eenheid gemaakt kon worden via de keizerverering. Het shintoïsme was een middel om het nationalistische gevoel op te wekken bij het Japanse volk, opdat het sterk zou staan tegen buitenlandse invloeden en opdat de staat zowel het volk als hun godsdienst onder controle zou hebben.
De scheiding van shintoïsme en boeddhisme
De eerste stap in de creatie en het ‘distillatieproces’ van staatsshintoïsme was de afkondiging van de scheiding van het boeddhisme en het shintoïsme (神仏分離) in 1868. Alle heiligdommen moesten zich zuiveren van boeddhistische elementen en men werd verplicht om (i.p.v. boeddhistische) shintoïstische begrafenissen te houden. Op een meer lokaal niveau werden boeddhistische tempels geplunderd, een fenomeen dat gekenmerkt werd door de leuze haibutsu kishaku (排仏毀釈 lett. Schaf het boeddhisme af, verwerp de leer van Shaka). Zo konden de shintoïstische priesters hun frustratie[3] uitwerken op de monniken en hun tempels. Behalve materiële schade werd land in beslag genomen en werden bepaalde boeddhistische rituelen verboden die tot dan toe een belangrijke bron van inkomsten waren voor de monniken. Ook werden bepaalde praktijken zoals bergascetisme verboden.
Dit alles had uiteindelijk geen blijvend effect, want hoewel het de bedoeling van de staat was geweest om de rol van boeddhisme in populaire religie, meer bepaald in begrafenissen en voorouderriten, te vernietigen, slaagde hij er niet in dit te doen.
Het christendom
De Meiji overheid nam de antichristelijke ingesteldheid van het Edo regime over. In 1868 werd het christendom officieel verboden en er werden beloningen uitgeloofd aan diegenen die informatie hadden die kon leiden tot de ontdekking van christenen. De eerstvolgende vier jaar werden christenen hevig vervolgd, gefolterd en ter dood gebracht. Er wordt geschat dat ca. 500 christenen het leven lieten. Vooral de pas ontdekte 'verborgen christenen' (隠れキリシタン kakure kirishitan) in de streek van Nagasaki waren hiervan het slachtoffer.[4] Onder druk van buitenlandse mogendheden werd dit beleid echter in 1873 herzien en de verordeningen tegen het christendom ingetrokken. Deze beslissing stelde Japan opnieuw open voor missionarissen.
De organisatie door de staat
Een tweede stap was de organisatie door de staat om zijn greep op het shintoïsme te verstevigen.
- De Raad voor Godsdienst (神祇官 jingikan) werd opnieuw ingesteld.
- Er kwam een nationale ordening van de heiligdommen en een nationaal registratiesysteem. Alle heiligdommen werden in een hiërarchie geplaatst met het Ise heiligdom aan de top. Ze werden ingedeeld in kansha (officiële heiligdommen) en shosha (‘heiligdommen assorti’). De eerste categorie werd nogmaals opgedeeld in grote, middelmatige en kleine kanpeisha (官幣社 regionale heiligdommen) en grote, middelmatige en kleine kokuheisha (国幣社 nationale heiligdommen). Deze vielen beiden onder de jurisdictie van de jingikan.[5]
- Er werden nieuwe keizerlijke riten ontwikkeld en geïmplementeerd.
- Er werd (voor de eerste keer) een shintō credo ontwikkeld.
The Great Promulgation Campaign (1870 – 1884) en het shintō credo
The Great Promulgation Campaign (大教宣布運動 taikyō senpu undō, lett. De Grote Verkondigingscampagne) bestond uit drie componenten: de Drie Grote Leerstellingen (大教三上の教則 taikyō sanjō no kyōsoku), het Grote Instituut van Onderricht (大教院 Daikyōin) en de predikers (教導職 kyōdōshoku). De campagne had als doel het pas ontwikkelde shintō credo te verkondigen. Dit credo steunde op de Drie Grote Leerstellingen, nl. respect voor de goden en liefde voor het vaderland; de verkondiging en verduidelijking van de ‘hemelse principes’ en de ‘weg van de mens’; de verering van de keizer en gehoorzaamheid aan de autoriteiten. Het probleem met deze leerstellingen was dat ze zo vaag waren dat niemand, inclusief de predikers, werkelijk wist wat er nu precies bedoeld werd met de ‘hemelse principes’ en de ‘weg van de mens’. Ook hadden deze leerstellingen geen basis in populaire religie.
Er werden handleidingen uitgegeven die de leerstellingen verduidelijkten en door de predikers werden gebruikt om de Grote Leer (大教 taikyō) te verkondigen. In die handleidingen werd vooral uitgeweid over de deugd van het betalen van belastingen, gehoorzaamheid aan de keizer, de leerplicht, de legerconscriptie, de ideologie die vervat zat in slogans als fukoku kyōhei (富国強兵 lett. Welvarend land, sterk leger) en bunmei kaika (文明開化 lett. Beschaving en verlichting)[6], enz. Deze eerder praktische dan spirituele verklaring van de taikyō onthulde de eigenlijke bedoelingen van het shintoïsme geleid door de staat, nl. de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en eenheid van het volk te verkrijgen.
Vandaar dat deze staatsgodsdienst in het begin ook niet als shintō werd bestempeld. Er waren echter vele elementen (zoals het gebruik van riten en heiligdommen) die tot shintō behoorden, en noch het credo noch het daikyōin was van boeddhistische of christelijke aard. Maar hoewel het dus als shintō kan gezien worden, bevatte de staatsgodsdienst vele elementen die nieuw waren. Vanwege de ietwat ambivalente natuur van de taikyō in het begin van de Meiji periode, bestond het korps van predikers niet alleen uit shintoïstische priesters, maar ook uit boeddhistische monniken, acteurs, verhaalvertellers, predikers van andere religies, enz. Wanneer het echter duidelijk werd dat één van de doelen van de campagne was om boeddhisme te vervangen door shintoïsme, trokken de boeddhisten hun steun in.
Het daikyōin was zowel een bureaucratisch als een religieus instituut. Het was verantwoordelijk voor de opleiding van (toekomstige) predikers in shintō doctrine, maar hield ook bepaalde riten in het complex. Het was de centrumspits van vele kleinere Instituten van Onderricht die zich overal in het land bevonden.
Problemen
Ondanks de vele hervormingen die de staat doorvoerde om de van shintoïstische aard staatsgodsdienst populair te maken bij het volk, was de Grote Verkondigingcampagne vanaf het begin al gedoemd om te mislukken. Aan de basis van die mislukking lagen twee belangrijke factoren: de vele veranderingen en interne conflicten van het daikyōin en zijn predikers én het nieuwe shintō credo.
De pas opnieuw ingestelde jingikan werd in 1871 al vervangen door het Shintō Ministerie (神祇省 jingishō), dat op zijn beurt het eerstvolgende jaar vervangen werd door het Ministerie van Religie en Onderricht (教部省 kyōbushō). Dit illustreert de afwezigheid van coherentie en continuïteit die noodzakelijk was voor het succes van de radicale veranderingen die de staat wilde doorvoeren. Ook het hart van de campagne, het daikyōin, werd in 1875 samen met het kyōbushō afgeschaft en vervangen door het Shintō Kantoor (神道事務局 shintō jimukyoku), dat geleid werd door het Ise heiligdom. Na een veelbelovende start ontstonden er al gauw interne problemen in het daikyōin. De werknemers waren het niet eens over de interpretatie van de nieuwe doctrine en de verdeeldheid weerhield het Instituut ervan om snel en efficiënt te werk te gaan. Een van de meest sprekende conflicten was tussen de leerlingen van Hirata Atsutane en die van Ōkuni Takamasa. [7] Het is dan ook niet verwonderlijk dat de predikers de campagne gebruikten om de doctrine van hun eigen sekten te verkondigen.
Zowel vanuit het ambtenarenstelsel als het volk was er veel kritiek tegenover de campagne. De shintoïstische begrafenissen waren niet populair; de interne geschillen tussen de predikers werden bespot; het idee dat shintō priesters die op zich ritualisten zijn een credo onderwijzen werd als belachelijk aanzien, enz.
Aangezien de staat geen financiële steun gaf, had campagne had grote financieringsproblemen. Er werd van de predikers verwacht dat ze hun eigen activiteiten financierden. Het grootste deel van het geld kwam van de groepen die we nu kennen als de 13 shintō sekten[8], die in ruil daarvoor de toestemming kregen om hun activiteiten voort te zetten zonder inmenging van de overheid.
Ook nadat het Ise heiligdom de campagne had overgenomen hielden de interne conflicten niet op. Van 1880 tot 1882 waren de volgelingen van het Ise heiligdom en die van het Izumo heiligdom verwikkeld in een dispuut over het shintō pantheon (祭神論争 saijin ronsō[9]). Toen het duidelijk werd dat door het dispuut de voortzetting en succesvolle beëindiging van de campagne in het gedrang kwam, maakte de overheid er een einde aan door in 1882 priesters boven bepaalde rang te verbieden om nog predikers te worden. De overblijvende predikers hadden een te lage rang om begrafenissen te mogen geven. Het enige dat ze nog konden en mochten doen, was het credo verkondigen. Dit bracht het staatshintoïsme enorm ver van het ‘oude’ shintoïsme, dat inherent ritualistisch is. De predikers waren hierover zeer ontevreden en velen onder hen verlieten de campagne om zich bij een sekte aan te sluiten zodat ze hun rituele praktijken konden voortzetten. Het is dan ook tijdens de campagnejaren dat bepaalde sekten, zoals Fusōkyō en Shūseikyō, zijn ontstaan. Dit werd de doodsteek voor de campagne, die al fel verzwakt was nadat de boeddhistische monniken zich hadden teruggetrokken.
Het einde van het staatsshintoïsme
Het staatsshintoïsme werd onder buitenlandse invloed afgeschaft in 1946, toen na het verlies van W.O.II keizer Shōwa in de ningen-sengen (人間宣言 lett. Verklaring van het Menszijn) verklaarde dat hij geen levende kami (現人神 arahitogami), maar gewoon een mens, was. Dit was onverzoenbaar met de kokutai (国体) cultus[10] (en dus ook met het staatsshintoïsme), aangezien die steunde op het heilige centrum staat-natie-keizer. Na W.O.II veranderde de rol van de keizer drastisch in de zin dat hij alle werkelijke macht verloor en enkel symbolische macht behield. Hij werd dus niet meer vereerd als een kami.[11]
Externe links
- De Engelse Wikipedia over het shintoïsme
- De rol van de keizer in het staatsshintoïsme en de Tweede Wereldoorlog: Hirohito en de Japanse expansie in Azië
Voetnoten
- ↑ Lett. “Het oorspronkelijke stadium en de daarvan afhangende sporen”. De essentie van de theorie is dat de Japanse inheemse kami manifestaties zijn van boeddha’s en bodhisattva’s, die de oorspronkelijke vorm zijn (citatie uit Van Put, Ineke, Japanse Godsdiensten, cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Japanse Godsdiensten', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 2006-2007).
- ↑ Zie de Engelse Wikipedia over Kokugaku
- ↑ Die frustratie vond zijn oorsprong tijdens de Edo periode. Vanwege het religieus syncretisme bevonden heiligdommen en tempels zich vaak dicht bij elkaar, of zelfs in eenzelfde gebouw. De boeddhistische monniken hadden echter vaak meer prestige, rijkdom en macht dan shintoïstische priesters.
- ↑ Voor meer informatie over de verborgen christenen in Japan, zie Hidden Christians in contemporary Nagasaki en Kakure Kirishitan
- ↑ Voor een meer gedetailleerde onderverdeling en een lijst van heiligdommen, zie Modern Shrine Ranking System
- ↑ Zie fukoku kyōhei en bunmei kaika
- ↑ Voor een gedetailleerde beschrijving van de verschillen tussen de ideeën van Hirata en Ōkuni, zie Breen, J.L. Shintoists in Restoration Japan (1868-1872): Towards a Reassessment. Modern Asian Studies, vol.24, nr.3 (1990): 579-602.
- ↑ De 13 sekten zijn: kurozumikyō, konkōkyō, tenrikyō, shinrikyō, fusōkyō, misogikyō, ontakekyō, jikkōkyō, taishakyō, shūseikyō, shinshūkyō, taiseikyō en shintō taikyō.
- ↑ saijin ronsō
- ↑ Term werd geïntroduceerd door William P. Woodard. Hij definieert het als zijnde "Japanse keizer-staat gecentreerde cultus van ultranationalisme en militarisme” in zijn boek The Allied Occupation of Japan 1945-52 and Japanese Religions. Leiden: E.J. Brill, 1972, p 11. Fridell voegt eraan toe dat het “een verzameling van waarden, symbolen, geloofsovertuigingen, instellingen en praktijken waardoor het Japanse volk participeerde in het heilige centrum van het Japanse leven (staat-natie-keizer), gegrond in de kosmische orde van kokutai (nationale structuur, essentie)” is (Fridell, Wilbur M. A Fresh Look At State Shinto, p 552).
- ↑ Voor meer informatie over het einde van staatsshintoïsme en keizer Shōwa, zie Hirohito en ningen-sengen
Bronnen
Boeken en artikels
- Fridell, Wilbur M. A Fresh Look At State Shinto. Journal of the American Academy of Religion, vol.44, nr.3 (1976): 547-561.
- Hardacre, Helen. Creating State Shintō: The Great Promulgation Campaign and the New Religions. Journal of Japanese Studies, vol.12, nr.1 (1986): 29-63.
- Hardacre, Helen. Shintō and the State 1868-1988. New Jersey: Princeton University Press, 1991.
- Inoue, Nobutaka, (red.) (井上順孝), Itō, Satoshi, Jun Endō en Mizue Mōri (伊藤聡・潤沿道・瑞枝森). 『神道 ― 日本生まれの宗教システム』 (shintō - nihon umare no shūkyō shisutemu, Eng: Shintō - The Birth of Japan's Religious System). Tokyo: Shinyōsha (新曜社), 1998. Teeuwen, Mark en Breen, John (vert.), Shinto - A Short History. London: RoutledgeCurzon, 2003.
- Kitagawa, Joseph M. Introduction To “The Shintō World Of The 1880s”. History of Religions, vol.27, nr.3, Shinto as Religion and as Ideology: Perspectives from the History of Religions (1988): 321-325.
- Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Leuven: Acco, 2007.
- Van Put, Ineke, Japanse Godsdiensten, cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Japanse Godsdiensten', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 2006-2007.
Webpagina's
- Verklarende lijst van termen die te maken hebben met het shintoïsme: Glossary of Shinto names and Terms en Encyclopedia of Shinto


