Staat en maatschappij in Yamato
Uit GeschiedenisJapan
Politieke organisatie
De ōkimi (大君) van de Yamato-staat is aanvankelijk slechts een primus inter pares onder enkele andere clanhoofden (kimi 君). Met de machtigsten onder hen deelt hij zijn macht. Op een niveau lager in de oligarchische machtsstructuur vindt men dan de minder machtige clanhoofden, die op erfelijke basis één of andere specifieke sector van de uitvoerende macht en de daarmee gepaard gaande rang aan het hof toegewezen krijgen. Zo staan de clans van de ōtomo (大伴) en de Mononobe (物部) in voor het leger, de Nakatomi (中臣) en de Inbe (忌部) voor het Shintō-ritueel en de Soga voor financiële aangelegenheden. Naarmate de staatszaken gecompliceerder worden en de staat zijn macht weet uit te breiden, winnen deze clans met specifieke uitvoerende taken meer en meer aan macht: zij beginnen de machtige clans die tradioneel de macht met de ōkimi delen, geleidelijk in de schaduw te stellen.
Vanaf de vijfde eeuw begint de ōkimi ook meer absolute prerogatieven voor zichzelf op te eisen. Hij noemt zichzelf nu sumeramikoto (天皇) en begint de andere clanhoofden (kimi) als zijn ambtenaren te beschouwen. Hij kent hen eretitels of rangen (kabane 姓) toe. De hoogste rangen (atai 直, sukune 宿禰, mahito 真人 en ason 朝臣) zijn voorbehouden voor de clanhoofden die direct verwant waren met de clan van de ōkimi. Omi (臣) duidde ver verwante clanhoofden aan, terwijl muraji (連) de hoogste rang onder de niet-verwante vazalclans was. Deze clanhoofden waren vertegenwoordigd in een soort staatsraad en later werden er zelfs een soort staatsministers (ōomi 大臣 en ōmuraji 大連) aangesteld.
De groeiende macht van de ōkimi uit zich ook in zijn grotere greep op de provinciën. Het land wordt onderverdeeld in provinciën (kuni 国), die min of meer samenvallen met het machtsgebied van de plaatselijke clan, en de clanhoofden krijgen de titel van kuni no miyatsuko (国の造; dienaar van het hof in de provincie), alsof zij door het hof aangestelde ambtenaren zijn.
Zo worden zowel de aan het hof verbonden clans als de in de provinciën gevestigde clans geïntegreerd in een systeem van kabane, terwijl zij uiteraard verder nog hun karakter van uji, d.i. van historisch gegroeide sociaal-economische eenheid bewaren. Dit is een overgangsfase. Geleidelijk zal het uji-karakter afzwakken en het karakter van door het hof toegekende rang (dus: het aristocratische karakter) toenemen, tot dit in de Taika-hervormingen zijn institutioneel beslag krijgt. Daarom spreekt men in dit verband van het clan-rang-systeem (shisei seido 氏姓制度).
| Politieke structuur vóór de Taika | ||||
|---|---|---|---|---|
| Centraal gezag | ōkimi 大君 + clan van de ōkimi | |||
| atai 直 | mahito 真人 | sukune 宿禰 | ason 朝臣 | |
| ōomi 大臣 | ōmuraji 大連 | |||
| omi 臣 | muraji 連 | |||
| Regionaal | kuni no miyatsuko 国の造 | |||
Sociaal-economische structuur
De economische onderbouw van het hof van de ōkimi had haar zwaartepunt in de zogenaamde "graanschuren" (miyake 屯倉). Hierin werd nl. het graan opgeslagen dat geoogst werd op de hofdomeinen (mita 屯田). Deze werden bewerkt door de boeren die erop woonden. Zij werden georganiseerd in een zgn. gilde (be 部), die horig was aan de clan van de ōkimi. Het hof verstrekte hen de nodige landbouwwerktuigen en zaaigranen. Maar ook de clanleden (ujibito 氏人) van andere clans, dus niet-horigen of vrijen (heimin 平民) werden soms onder dwang op de hofdomeinen tewerkgesteld.
| Economische structuur vóór de Taika | |||
|---|---|---|---|
| Hof | aristocratische clans uji 氏 | ||
| mita (miyake) 屯田、屯倉 | ambachten | clan-domeinen | tadokoro 田 |
| tabe 田部 | be 部 | nashiro, koshiro 名代、子代 | clan - be 氏部 |
| slaven | slaven | slaven | slaven |
| Sociale structuur vóór de Taika | ||
|---|---|---|
| Centrum | heersersclan | ōkimi |
| aristocratische clans | omi, muraji 臣、連 | |
| regio's | lokale landadel | tomo no miyatsuko 伴造 |
| gilde (be, 部) | bemin 部民 | |
| huisslaven | nuhi 奴婢 | |
Een maatschappij van horigen en slaven
Het gildensysteem heeft veel weg van een slavenmaatschappij.
1) De boeren die in de landbouwgilden (tabe 田部) gegroepeerd waren, werden gerecruteerd uit kleinere plaatselijke clans, werden in hutten op de hofdomeinen ondergebracht en kregen voeding en werktuigen van het hof. Dit statuut is zeer goed te vergelijken met dat van de slaven.
2) De ambachtelijke gilden produceerden met grondstoffen en gereedschap die bezit waren van het hof, en dienden al hun producten aan datzelfde hof af te staan. Zij kregen akkerland van het hof om in hun eigen levensonderhoud te voorzien en konden een eigen gezin stichten. Hun statuut is bijgevolg eerder te vergelijken met de horige.
3) De nashiro en koshiro bestonden uit kleinere lokale clans, die als clan gedwongen werden op de privé-domeinen van de clan van de ōkimi te werken. Deze clans hadden van oudsher hun eigen akkers bewerkt met eigen werktuigen maar kwamen nu als sociale groep in hun geheel in een horige relatie te staan met hun heer, de clan van de ōkimi.
Tijdens de vijfde en zesde eeuw bestond ongeveer 30% van de totale bevolking uit gildeleden, dus horigen of half-slaven, terwijl de huisslaven (nuhi 奴婢), die persoonlijk bezit waren van een clanhoofd nog eens 10% uitmaakten. De overige 60% waren dus zogenaamde clan-leden (ujibito), die gewoonlijk als vrijen (jiyūmin 自由民) omschreven worden. Hun vrijheid was echter zeer gering. Zij werden uitgebuit door het clanhoofd (uji no kami) die tot de hoge clan-aristocratie behoorde of door de provinciale "gouverneur" (kuni no miyatsuko), die hen kon opvorderen als koshiro, nashiro of tabe.
De ambachtelijke producten die vervaardigd werden door de gilden dienden alle aan het hof afgestaan te worden en konden niet vrij verhandeld worden. De werkverdeling tussen de repectievelijke ambachten was niet het gevolg van spontane specialisering maar werd door het hof opgelegd.

