Spectaculaire groei van de privé-landgoederen (9e en 10de eeuw)
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
De hoofdstedelijke aristocratie verwerft uitgestrekte landeigendommen
In de negende eeuw kan de hoofdstedelijke aristocratie niet meer van de salarissen van de staat leven en gaat dus op zoek naar andere bronnen van inkomsten. De Ritsuryō-code zelf had die mogelijkheid opengelaten: in zijn bekommernis om de landontginning te stimuleren voorzag de wet dat pas ontgonnen braakland privé- eigendom mocht worden. Dit is de oorsprong van de zogenaamde shōen. Het bleef evenwel niet bij ontginning van braakland, ook door annexatie en privatisering van kubunden zwollen de oppervlakten aan. Arbeidskrachten konden gemakkelijk gerekruteerd worden onder de kōmin die hun landerijen verlaten hadden, op den dool waren, of samen met hun kubunden tot een shōen toetraden. Anderzijds verbonden de gōzoku en rijke boeren zich met de hoofdstedelijke aristocratie en beheerden de shōen voor hun meesters of schonken hun grond aan de aristocratische families in ruil voor allerlei vormen van bescherming. Zij werden dus hun cliënten. Vanaf het midden van de negende eeuw verwerven deze shōen immuniteit voor fiscale controle.
Er zijn meerdere landregisters (ōtabumi 大田文) bewaard. Zij geven een opsomming van alle shōen in de provincie waarop ze betrekking hebben. Zij laten ons toe te oordelen over de uitgestrektheid van deze domeinen. Zij illustreren ook hoe elke provincie een mozaïek was van publiek land en allerlei soorten van privé-gronden.
De hoge aristocratie had dus twee bronnen van inkomsten: de bestaande die ze van de Ritsuryō-staat kreeg, maar die aan het afnemen was en een nieuwe: de shōen. De midden en lagere aristocratie daarentegen was afhankelijk van haar salaris. Wilde de midden-aristocratie overleven als bevoorrechte klasse dan moest ze een ambt in het provinciale gouvernement aanvaarden. In een volgende fase vestigden zij zich definitief op het platteland.
Privatisering bij keizerlijk decreet
De keizer zelf kon geen privé-grond hebben, hij was immers de theoretische eigenaar van alle land, maar zijn familieleden konden des te beter eigenaar worden. Als de keizer echter troonsafstand deed en "Afgetreden Keizer" (jōkō 上皇) werd, kreeg hij ook het recht op privé-bezit van landgoed. Land dat bij decreet van de keizer toegekend wordt aan de keizerlijke familie als privé-domein noemt men "decreet-land" (chokushi-den 勅旨田).
Vanaf het begin van de negende eeuw begon de oppervlakte decreet-land zeer snel te groeien. Dit soort land genoot vrijheid van landbelasting en werd door boeren bewerkt in vroondienst. Tegen het einde van de negende eeuw slaagden de aristocratische en monastieke landgoederen erin, naar analogie van de keizerlijke privé-domeinen, eveneens belastingsvrijheid te verwerven. Aangezien de aristocratie de regering uitmaakte, was het niet zo moeilijk voor de landeigenaars die van dezelfde aristocratie deel uitmaakten, dit privilege te verwerven. Voor de ontginning en het beheer van de landgoederen diende men beroep te doen op de gunji en landadel, die de plaatselijke boerenbevolking konden mobiliseren voor vroondienst. De eigenaar kon onmogelijk in voldoende aantal slaven vanuit het hoofdstedelijke gebied naar het landgoed sturen, dat soms veraf in de provinciën gelegen was. De dagelijkse bedrijfsleiding van het landgoed werd meestal toevertrouwd aan een gunji of iemand van de plaatselijke landadel, die de functie kreeg van "kastelein" (shōchō 荘長).
Tsukuda 佃 (land onder direct beheer) en staatspachtland
Eén gedeelte van het landgoed werd direct beheerd door de landheer (ryōshu 領主) en werd tsukuda genoemd. Het werd bebouwd door slaven en horigen die op het land woonden. De rest van het land, jishiden 地子田 genaamd, werd verpacht aan pachters, tato 田堵 genoemd. Dit waren boeren die ook vaak nog kubunden en privé-grond hadden, en dus een grotere mate van onafhankelijkheid tegenover de kastelein. Zij sloten trouwens jaarlijks een soort van contract met de kastelein af. Tot op zekere hoogte kunnen wij dus spreken van wederzijdse rechten en plichten. Eénmaal het principe van het publieke land doorbroken en privé-bezit van landgoederen erkend, werd ook het "rang-land" (iden 位田), toegekend aan ambtenaren in overeenstemming met hun ambtelijke rang, het "ambten-land" (shikiden 職田), toegekend volgens de ambtelijke functie, en het "verdienste-land" (kōden 功田), toegekend voor bijzondere diensten aan de staat, geleidelijk aan geprivatiseerd en werden de hōko noch min noch meer horigen van de land-eigenaar. Voor bovengenoemde drie categorieën van ambtelijk land werden bovendien de beste akkers genomen. Heel vaak verwierf de eigenaar dan nog chokushiden-status voor die akkers. Het gevolg was dat voor de vrije boeren, dus de categorie van kubunden-land alleen nog minderwaardige grond overbleef. De boeren konden vaak op dit soort land niet meer genoeg belastingen opbrengen en de staat geraakte daardoor in financiële ademnood.
Naar analogie van de tsukuda ging de regering vanaf het midden van de negende eeuw over tot het creëren van direct beheerde landerijen, waarop "vrije boeren" onder dwang werden tewerkgesteld, in ruil voor proviand en een hongerloon. Daar bovenop werden ze wel vrijgesteld van yō 庸 en chō 調, maar moesten toch nog so 租 betalen voor hun eigen kubunden. In 846 werd het aantal dagen zōyō verminderd tot 20 dagen per jaar en werd de aanslagvoet voor de so verhoogd. We merken dus duidelijk een verschuiving naar de so als basis van de fiscaliteit. De hele structuur van de kubunden raakte zo uitgehold. In 902 ondernam de regering een laatste wanhopige poging om ze te herstellen, maar de klok was niet meer terug te draaien.
In plaats van een persoonsbelasting op basis van een bevolkingsregister schakelde de regering over op een landbelasting op basis van een kadaster. Hoe groot of hoe klein het land ook was, degene onder wiens naam het geregistreerd was, was landbelasting (so) en andere vormen van belasting en corvee verschuldigd. Registratie van land onder iemands naam versterkte het recht van de naamdrager op dat land. In de wettelijke terminologie van die tijd heette dat recht trouwens "naam"-recht (myō 名). De naamdrager was de myōshu (名主) en het land met dergelijke status was een naam-land (myōden 名田). Dit proces van registratie gebeurde geleidelijk en is te situeren in de tiende-elfde eeuw. Dit wijzigde in belangrijke mate de verhouding van de staat tot de onderdanen, die nu meer en meer te vergelijken was met de relatie tussen een feodale landheer en horige pachter. Sommige van de myōshu konden echter hun naam-land door ontginning en beslaglegging op verlaten akkers uitbreiden en zelfs slaven (genin) tewerkstellen op hun land.
Pachters in de shōen
De totale ontbinding van het kubunden-systeem veroorzaakte ook een wijziging in de structuur van de shōen. Daar waar de tsukuda, het land rechtstreeks bebouwd door de slaven van de landheer, oorspronkelijk ongeveer 20% van de shōen-landerijen omvatte, nam dit vanaf de tiende eeuw snel af en werd bijna volledig verpacht. Het recht van de pachters (tato) op de verbouwing van het land werd uitgesproken en evolueerde tot dat van "myō", geregistreerd recht. Wij hebben trouwens het bestaan van het pachtcontract reeds vermeld. Aan deze nieuwe structuur waren de oude shōen niet aangepast en ze verdwenen dan ook geleidelijk. Een tempel als de Tōdaiji bijv. bezat in het begin van de negende eeuw, shōen over het hele land verspreid, die samen goed waren voor een oppervlakte van 3460 chōbu 町歩 (±3430 hectaren). In de tiende eeuw bleven daar nog slechts 212 chōbu (±210 hectaren) van over.
Samenvatting
Achtste eeuw:
Reeds tijdens de achtste eeuw ontstond er een vrij grote kloof tussen de boeren onderling: sommigen verliezen hun land en degraderen tot slaaf, anderen verrijken zich en stellen slaven te werk. Parallel daarmee ontstaan grote privé-domeinen, in het bezit van aristocratische families en kloosters, door het ontginnen van braakliggend land.
Negende eeuw:
Tijdens de negende eeuw ontpopt de keizerlijke clan zich eveneens tot een privé-grootgrondbezitter door de instelling van "decreet-land". Dit land genoot reeds vrijstelling van belasting. Tegen het eind van de negende eeuw gold deze fiscale immuniteit eveneens voor aristocratische privé-landgoederen.
Tiende eeuw:
De shōen hadden aanvankelijk twee typen van uitbating: enerzijds directe, d.m.v. slaven (op de tsukuda) en anderzijds verpachting. De staat bootste de directe uitbating na en versterkte daardoor nog zijn karakter van privé-grootgrondbezitter naast de andere aristocratische landeigenaars. Omdat de tato vaak gedurende meerdere generaties een stuk grond bebouwden, begonnen zij in weerwil van het theoretisch althans in de tijd beperkte pachtcontract, geleidelijk een verworven recht op het hun verpachte land te hebben. Zo ontstond een erfpachtrecht. Dit betekent dat pachtland op de naam (myō) van een pachter geregistreerd werd. Boeren met dergelijk statuut werden myōshu genoemd.
In deze periode kende de landbouw een spectaculaire stijging van de productiviteit, door verbetering van de landbouw-technologie. Het aantal verbouwde gewassen nam toe en collectief georganiseerde arbeid, in de vorm van onderlinge bedrijfshulp (yui 結い) tussen kleine boeren nam buitengewoon toe. Dit was vooral het geval voor het planten en oogsten van de rijst. De boeren verwierven een grotere onafhankelijkheid dan onder het Ritsuryō-régime (toen waren ze eigenlijk een soort slaven van de staat) en hadden meer arbeidsmotivering dan voor corvee. De band tussen boer en land werd sterker en ook de slaven konden hun status verbeteren. Ze hadden nu het recht een eigen gezin te stichten. Deze status is wellicht het best te vergelijken met die van de horige pachter in de westerse Middeleeuwen.

