Sino-Japanse oorlog
Uit GeschiedenisJapan
De Sino-Japanse Oorlog en de eerste industriële revolutie
De oorzaak van deze oorlog was de onenigheid over Korea, waar twee facties tegenover elkaar stonden: een pro-Chinese en een pro-Japanse. De oorlog brak in 1894 uit en werd, tot verbazing van de hele wereld, gewonnen door Japan, dat een modern en gedisciplineerd leger bezat. Japan veroverde een enorme markt, eiste hoge schadevergoedingen en kon veel geld investeren in de modernisering van de industrie. Het kapitalisme kwam in een stroomversnelling terecht, en sociale problemen staken de kop op. De arbeidsomstandigheden waren inderdaad vaak schrijnend.
Inhoud |
Wrijvingen met China over Korea
Japan had door het stimuleren van handel en nijverheid (shokusan kōgyō 殖産興業) een kapitalistisch systeem uitgebouwd, dat nu op zoek ging naar grotere afzetmogelijkheden. Korea was een voor de hand liggend gebied voor dat streven. Geen wonder dus dat er een conflict ontstond met China dat het nog sterk feodale Korea als een natuurlijke en historische tribuutstaat beschouwde.
Het Jingo 壬午-incident
De heerschappij in Korea was reeds lang in handen van conservatieve krachten, waarvan de vader van de Koreaanse koning, de daiinkun 大院君, zich als morele leider opwierp. Hij leunde sterk bij China aan en was xenofoob. Daartegenover stond een hervormingsgezinde partij, gesteund door de koningin, die het land wilde moderniseren naar Japans voorbeeld. De tegenstellingen werden scherper en op 23 juli 1882 slaagde de daiinkun erin de slechtbetaalde soldaten van de koning op te hitsen tot rebellie. De kopstukken van de hervormingsgezinde partij werden uitgeschakeld en het gebouw van de Japanse diplomatieke vertegenwoordiging werd in brand gestoken. Deze opstoot van geweld staat bekend als het Jingo-incident. Het leidde tot een gewapende confrontatie tussen China, dat Korea als vazal beschouwde, en Japan, dat tussenbeide kwam onder het voorwendsel landgenoten te willen repatriëren. Deze eerste confrontatie was van korte duur. In hetzelfde jaar nog werd het Verdrag van Saimoppo (Chemulpo, 30 augustus 1882) gesloten, waarin de partijen overeenkwamen dat Japan troepen in Seoul mocht stationeren om relletjes te voorkomen en de Japanse diplomatieke vertegenwoordiging te beschermen en dat de Koreaanse regering schadevergoeding zou betalen. Bovendien werd de opening van enkele haven voor buitenlandse handel in het vooruitzicht gesteld. Voor de symboliek loont het de moeite op te merken dat het verdrag dateringen gebruikt volgens de Koreaanse kalender, en niet volgens de Chinese. Een tribuutstaat van China diende eigenlijk de Chinese kalender te gebruiken in officiële documenten.
De daiinkun was inmiddels door de Chinezen naar China meegevoerd, zodat hij geen invloed meer kon hebben op de politiek. Het eigenzinnige optreden van de Japanners deed de progressieve partij evenwel van idee veranderen en partij kiezen voor China.
Het Kōshin 甲申-incident (1884)
Er ontstonden in Korea opnieuw twee vijandige strekkingen. De pro-Chinese Daijitō 大事党 en de pro-Japanse Dokuritsu-tō 独立党 (Onafhankelijkheidspartij). De pro-Chinese partij voerde een meedogenloze repressie. De Onafhankelijkheidspartij poogde gebruik te maken van de moeilijkheden van de Chinezen in de Frans-Chinese oorlog om in december 1884 een poging tot staatsgreep te ondernemen. De Chinezen bleken heel wat weerbaarder dan verwacht en hun bezettingsleger slaagde er al na twee dagen in de staatsgreep te verijdelen. In de strijd kwam het Japanse consulaat opnieuw in de vuurlijn te liggen. Er vielen enkele doden. Deze gebeurtenissen staan bekend als het Kōshin-incident. Verontwaardigd eiste Japan in januari 1885 verontschuldigingen en schadevergoeding van Korea in ruil voor een nieuw vredesvoorstel. De Japanners kregen voldoening en het Verdrag van Seoul werd getekend (9 januari 1885).
In de lente van datzelfde jaar 1885 reisde Itō Hirobumi naar China om er met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken Li Hongzhang 李鴻章 (Ri Kōshō) een fundamentele regeling te treffen. Dit leidde tot de ondertekening van het Verdrag van Tianjin (Tenshin jōyaku 天津条約, 18 april 1885), dat onder meer de volgende punten bevatte:
- terugtrekking van Chinese en Japanse troepen (in 1885);
- de belofte dat geen van beide landen militaire adviseurs naar Korea zou sturen;
- beide landen moesten elkaar waarschuwen vooraleer troepen naar Korea te sturen, mocht dit in de toekomst weer nodig blijken.
In principe betekende dit het einde van de tribuutrelatie tussen China en Korea, alhoewel dat niet expliciet zo gesteld werd in het verdrag. Zowel China als Japan hadden nu gelijkwaardige aanspraken op Korea. Dat was de interpretatie die Japan aan het verdrag gaf, maar China was niet van plan om zomaar zijn invloedrijke positie in het land prijs te geven.
De Tonghak 東学-opstand (1894)
De spanningen tussen China en Japan op het Koreaanse schiereiland bleven toenemen. In mei 1894 kwam de Tonghak, in het Japanse bekend als Tōgaku-tō 東学党 ('Partij van de Oosterse Wijsheid'), die gekant was tegen alles wat westers en katholiek was, in opstand. Het geloof van deze sekte was gebaseerd op een mengsel van Boeddhisme, Confucianisme en Taoïsme. Vooral in het zuiden van Korea waren de opstandelingen succesvol en bezetten enkele provincies. Om de rebellie het hoofd te bieden riep Korea de hulp van China in. Overeenkomstig het Tianjin-verdrag brachten de Chinezen de Japanners ervan op de hoogte dat ze zouden ingrijpen. Japan reageerde door op zijn beurt troepen te sturen "om het eigen legatiegebouw te beschermen". Zo stonden beide legers toch weer tegenover elkaar.
De Sino-Japanse Oorlog
Escalatie
Na het neerslaan van de rebellie van de Partij van de Oosterse Wijsheid trok China noch Japan hun leger terug. Japan deinsde er niet voor terug zich in Korea's bestuurszaken te mengen. Zowel tussenkomsten van de Chinese minister van Buitenlandse zaken Li Hongzhang als waarschuwingen van Rusland bleven zonder gevolg. In juli 1894 brak de oorlog uit. De Japanse militairen vonden steun bij de nationalistische publieke opinie, en bij de industrie, die hoopte op uitbreiding van de markten en op goedkope grondstoffen. De bewindslieden sloten zich aan bij de anti-Chinese en anti-Koreaanse gevoelens om de aandacht af te leiden van hun omstreden beleid in verband met de herziening van de verdragen. Vrijwel de gehele Japanse samenleving stond achter de militaire campagne.
De oorlog brak uit op 25 juli 1894, al liet de officiële oorlogsverklaring op zich wachten tot 1 augustus. Het hoofdkwartier van de Japanse strijdkrachten werd te Hiroshima gevestigd en stond onder de directe leiding van Kawakami Sōroku 川上操六, die zijn strepen reeds had verdiend in de strafexpeditie naar Hakodate (1870) en de Seinan-rebellie (1877). In september 1894 versloeg de Japanse vloot de Chinese in de Slag van de Gele Zee (Kōkai kaisen 黄海海戦), terwijl ook te land de strijd gunstig verliep. Onder leiding van Yamagata Aritomo en Ōyama Iwao 大山巌 veroverde het Japanse leger Mantsjoerije en het schiereiland Shandong, zodat Běijīng (Peking) binnen handbereik lag. China capituleerde. Japan had totaal onverwacht een gigant overwonnen, dankzij een efficiënt modern leger en het betere moreel van zijn troepen.
Het verdrag van Shimonoseki
In maart 1895 startten Eerste Minister Itō Hirobumi en de Minister van Buitenlandse Zaken Mutsu Munemitsu in de Japanse stad Shimonoseki 下関 onderhandelingen met Li Hongzhang. Na een maand bereikten de partijen een overeenkomst en het verdrag werd getekend op 7 april 1895. De voornaamste bepalingen waren de volgende.
- China moest ondubbelzinnig de onafhankelijkheid van Korea erkennen.
- China stond Taiwan, de Pescadoren-eilanden en het Liaodong-schiereiland, ten zuiden van de Liao-rivier, af aan Japan. (Tot 1945 bleef Taiwan Japans).
- China moest binnen de zeven jaar aan Japan 310 miljoen yen schadevergoeding betalen. Japan investeerde een deel van dit geld in de wapenindustrie (226 miljoen), een deel in het onderwijs en schonk een deel aan de keizerlijke schatkist. Van deze periode dateren de enorme buitenlandse schulden van China. Om zijn schadevergoeding te kunnen betalen, diende het ruime staatsleningen in het Westen uit te schrijven.
- China moest bepaalde havens openen voor Japan en er het recht van extraterritorialiteit toekennen. Suzhou en drie andere havens werden voor de Japanse koopvaardij geopend.
De Drie Landen-Interventie (Sangoku kanshō 三国干渉)
Zes dagen na de ratificatie (8 mei 1895) van het Verdrag van Shimonoseki vroegen Frankrijk, Duitsland en Rusland Japan het Liaodong-schiereiland aan China terug te geven. Vooral Rusland vreesde Japanse gebiedsuitbreiding ten koste van zijn eigen zuidwaartse expansie. Het bezit van dit schiereiland door Japan werd voorgesteld als een gevaar voor de vrede in China en een aanfluiting van de onafhankelijkheid van Korea. Onder de internationale druk, en omdat het zijn militaire limiet bereikt had, bond Japan in. In ruil kreeg het 36 miljoen yen extra schadevergoeding. De publieke opinie reageerde razend op deze capitulatie en de overheid, die erg verveeld zat met het probleem, begon een lastercampagne tegen Rusland, dat als staatsvijand nummer één werd afgeschilderd.
Gevolgen
Japan verwierf de status van grote mogendheid in het Verre Oosten. Dit hielp aanzienlijk bij het herzien van de Ongelijke Verdragen. De enorme vergoedingen stimuleerden het Japanse kapitalisme en dankzij dit verse geld kon het land de goudstandaard invoeren. De politieke invloed van de kapitalistische groepen nam toe, samen met de groeiende macht van de politieke partijen. De Japanse overwinning bracht ook aan het licht hoe zwak China was. Dit werd het sein voor de jacht op concessies ('the scramble for concessions'), waarbij de westerse imperialistische mogendheden (Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk en Rusland) in een niets-ontziende competitie verwikkeld waren om hun eigen invloedssfeer in China uit te bouwen. In 1898 verwierf Duitsland de Baai van Jiaozhou 胶州 (Japans: Koshuwan 膠州湾) als pachtgebied, Rusland pachtte Port Arthur (Japans: Ryojun 旅順, Chinees: Lǚshùnkǒu 旅順口)en Dalian 大連 (Japans: Dairen) in hetzelfde jaar, en Groot-Brittannië verwierf Wēihǎiwèi 威海衛. In 1899 tekende de Chinese overheid een overeenkomst met Frankrijk voor de concessie van de Baai van Guangzhou 廣州 gedurende 99 jaar.
In China zelf zond de nederlaag een schokgolf door het land. Onder de bestuurlijke en culturele elite heerste een gevoel van crisis, en velen kwamen tot het besef dat het zelfingenomen vasthouden aan de eeuwenoude superieur gewaande traditie geen optie meer was. Corruptie van de ambtenarij, het hopeloos achterhaalde examensysteem, de wijdverspreide opiumverslaving en de voetbinding voor vrouwen waren de voornaamste chronische kwalen waaraan de Chinese samenleving leed. De Chinese maatschappij diende grondig hervormd te worden, wilde China als soevereine staat kunnen voortbestaan in de moderne wereld. Vele jongeren gingen in Japan studeren, omdat dat land in de omslag naar modernisering geslaagd was, en omdat men daar de westerse kennis en technologie, onontbeerlijk voor de modernisering, kon leren.
De eerste industriële revolutie
De Japanse overheid had de modernisering van de Japanse industrie gestimuleerd door een reeks spitsbedrijven met overheidssteun op te richten. Na de Sino-Japanse oorlog komt de lichte industrie, vooral de textielsector, tot grote bloei.
Ontwikkeling van de garen- en spinnijverheid
Vooral de garenspinnerij werd de motor van Japans eerste industriële revolutie. Ze evolueerde van het traditionele spinnen met de hand, naar het spinnen op spoelen en vervolgens naar het spinnen op mechanische en elektrische spinmachines. In 1883 richtte Shibusawa Eiichi 渋沢栄一 (1840-1931) de Osaka Spinning Company op (Osaka Boseki Kaisha), die als eerste op moderne wijze begon te spinnen. Later volgden grote spinnerijen in andere steden. In 1890 werd de Japanse economie geconfronteerd met een ernstige crisis die leidde tot grote productieverminderingen in de textielnijverheid, maar dankzij de expansie op het Aziatische continent kon zij zich herstellen.
Ontwikkeling van de lichte nijverheid
Na de spinnerij ontwikkelden zich ook andere takken zoals de wolweverij, de zijdenijverheid en de papierproductie. Dankzij de invoer van westerse machines namen kwantiteit en kwaliteit van de inheemse zijde- en textielproductie gevoelig toe. In het begin van de Meiji-periode werden een paar Britse weefgetouwen ingevoerd die het beginpunt waren van de ontwikkeling van Japanse manufacturen. Rond 1886 werd het oorspronkelijke machinepark vervangen door een compactere en krachtigere generatie die de verdere bloei van het weven als huisnijverheid stimuleerde. Vanaf 1894 had de machinale productie de ambachtelijke volledig verdrongen. Na de Sino-Japanse Oorlog ontwikkelden zich enkele textielgiganten, waarvan Gunze グンゼ (ondergoed) heden ten dage nog steeds een vooraanstaande plaats inneemt. In Kyōto kende de Nishijin 西陣-zijde een grote bloei. De papierproductie hield gelijke tred met de expansie van de pers en de uitgeverswereld in Japan. In 1889 begon de productie van papier uit houtpulp op massale schaal. Tegen het einde van de Sino-Japanse Oorlog kon niet alleen voldaan worden aan de binnenlandse vraag, maar begon men ook te exporteren.
Invoering van de goudstandaard
Japan gebruikte tot 1897 de zilverstandaard. Vanaf 1887 waren de internationale zilverprijzen beginnen dalen. Daarom wilde Japan op de goudstandaard overschakelen, maar het miste vooralsnog de financiële middelen daartoe. In 1897 was het zover. Het voerde de goudstandaard in, mede dankzij de enorme Chinese schadevergoedingen, en vaardigde de Wet inzake de Munt (Kahei Hō 貨幣法) uit. Hierdoor versterkte het zijn positie in de internationale handel en opende het zijn deuren voor buitenlandse investeringen.
Anderzijds werd in 1882 de Bank van Japan als centrale bank opgericht, naar het model van de Nationale Bank van België. Deze instelling moest de financiële structuur van Japan verstevigen. Daarnaast verschenen er tal van kassen en privébanken die uiteindelijk door de zaibatsu 財閥, de grote economische conglomeraten, werden opgeslorpt, zodat deze grote concerns de geldmarkt volledig gingen domineren.
De Arbeidersbeweging
Incidenten wijzen op dieperliggende problemen
Door de industrialisering ontstond er een klasse van arbeiders, die niet de minste wettelijke bescherming genoot. Vooral in de mijnindustrie was de toestand schrijnend. De bedrijven hadden nog geen besef van personeelsbeleid en rekruteerden hun arbeidskrachten bij wat men in Vlaanderen 'koppelbazen' pleegt te noemen. Deze tussenpersonen oefenden een schier totale controle uit over hun werkvolk en behandelden hen als horigen. Zij huisvestten hen in schamele barakken, controleerden hun arbeid en beheerden hun loon. Vaak hadden ze zelfs echtparen of gezinnen in dienst. Aangezien er geen arbeidersbeweging bestond, bleef deze schrijnende toestand lange tijd verborgen of minstens onbekend aan de publieke opinie. Daar kwam verandering in toen journalisten van het sociaal bewogen tijdschrift Nihonjin日本人 ('Japanners') in 1888 de toestanden die heersten in de mijn van Takashima aan het licht brachten. De mijn van Takashima (Takashima tanko) lag in de baai van Nagasaki. In de bakufu-periode werd uit deze mijn steenkool gehaald om de enkele buitenlandse schepen die er aanlegden te bevoorraden. In de Meiji-tijd kwam de mijn onder staatstoezicht, maar na enige tijd werd hij geprivatiseerd en aan Mitsubishi 三菱 verkocht. Omdat er een tekort aan arbeidskrachten was, deed de mijndirectie beroep op koppelbazen. De arbeiders woonden in schamele barakken en moesten in mensonwaardige omstandigheden werken. De journalist Matsuoka Kōichi 松岡好一 kwam incognito in de mijn werken en bracht in 1888 in Nihonjin 日本人 verslag uit over de gang van zaken, wat een storm van verontwaardiging veroorzaakte. De regering stelde een onderzoek ter plaatse in en drong bij Mitsubishi aan op verbeteringen, die schoorvoetend werden uitgevoerd.
Een ander probleem dat opschudding verwekte was het vergiftigingsschandaal van de kopermijn van Ashio 足尾 (in de prefectuur Tochigi), dat in 1892 aan het licht kwam. Niet alleen leidde de vervuiling van de rivier de Watarasegawa 渡良瀬川 tot massale vissterfte, maar vervuild water spoelde in de velden, waardoor ze niet langer voor de rijstteelt geschikt waren. Dit was een van de eerste gevallen van industriële pollutie in Japan. Het plaatselijke parlementslid Tanaka Shōzō 田中正造 kwam op voor zijn streek en eiste schadevergoeding en sluiting van de mijn, maar de regering negeerde zijn pleidooien, tot hij uiteindelijk in 1901 een petitie tot de Keizer zelf richtte. Dit had tot gevolg dat de regering uiteindelijk de mijnuitbaters dwong een einde aan de vervuiling te maken, en werken liet uitvoeren om de rivier in te dijken en zo verdere pollutie van de rijstvelden te voorkomen. Voor deze werken diende een dorp onder dwang geëvacueerd te worden, en de getroffen boeren moesten met een schamele schadeloosstelling genoegen nemen. Het probleem is eigenlijk nooit echt bevredigend opgelost geworden. Nog in de jaren zestig van de twintigste eeuw protesteerden de boeren tegen de lozingsnormen van de milieuwet, omdat ze die niet streng genoeg achtten.
Arbeidersorganisatie en actie vóór de Sino-Japanse Oorlog
In 1882 werd onder de invloed van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten de Shakai-tō 車界党 De 'Bond van de riksja' opgericht, een bond van riksjatrekkers, die hun belangen wilde verdedigen tegen de oprukkende paardetrams. In hetzelfde jaar stichtte Tarui Tōkichi 樽井藤吉 (1850-1922) de Tōyō Shakai-tō 東洋社会党 ('Sociale partij van het Oosten'), die ijverde voor sociale gelijkheid en verdeling van het land. Zij telde vooral onder de arme boeren aanhangers, maar werd in hetzelfde jaar nog verboden. In 1892 stichtte Ōi Kentarō de Tōyō Jiyū-tō 東洋自由党 ('Partij voor Vrijheid van het Oosten'), die pleitte voor algemeen stemrecht. Toch mogen we niet beweren dat deze bewegingen echte vakverenigingen waren.
Van in het begin van de Meiji-periode braken her en der ongeregeldheden uit in mijnen, maar de eerste echte staking greep plaats in 1886, toen textielarbeidsters in Kōfu 甲府, in de prefectuur Yamanashi, het werk neerlegden uit protest tegen de erbarmelijke werkomstandigheden. De arbeiders en arbeidsters begonnen zichzelf duidelijk als een aparte belangengroep te zien. Er zij hier op gewezen dat het aantal fabrieksarbeiders in die jaren nog niet zo groot was, en dat vrouwen een groot percentage uitmaakten, vooral in de textielsector. Na de Sino-Japanse Oorlog zal de arbeidersklasse steeds vaker naar het wapen van de staking grijpen, hoewel er uiteraard geen stakingsrecht bestond.
Het Comité tot Oprichting van Arbeidersbonden
In 1890 richtten Japanse arbeiders in Amerika de Shokkō Giyū Kai 職工義友会 ('Coöperatieve van Textielarbeiders') op. Een van de leden was de autodidact en sociaal bewogen journalist Takano Fusatarō 高野房太郎. Na de Sino-Japanse Oorlog keerden zij naar Japan terug om hun activiteiten in eigen land verder te zetten. In 1897 stichtte Takano Fusatarō, samen met Katayama Sen 片山潜, een leider van de socialistische beweging en later uitvoerend lid van de Comintern, het invloedrijke Comité tot Oprichting van Arbeidersbonden (Rōdō Kumiai Kisei Kai 労働組合期成会), dat actief streefde naar het oprichten van vakbonden in diverse nijverheidstakken. Het comité stichtte hetzelfde jaar nog de Bond van Metaalarbeiders (Tekkō Kumiai 鉄工組合), Japans eerste moderne vakvereniging. De macht van deze organisatie kwam aan het licht in 1898, toen zij een staking van de machinisten van de Japanse Spoorwegen steunde.
Sociale groeperingen na de Sino-Japanse Oorlog
In 1899 werd de Liga voor de Invoering van het Algemeen Stemrecht (Futsū Senkyo Kisei Dōmei Kai 普通選挙期成同盟会) opgericht, een beweging die voor algemeen stemrecht pleitte, zonder veel succes overigens. In haar kielzog ontstonden er heel wat studiegroepen die zich over de sociale problemen bogen en naar oplossingen zochten. Tarui Tōkichi richtte in 1897 het Genootschap voor de Studie van Sociale Problemen (Shakai Mondai Kenkyū Kai 社会問題研究会)op, terwijl de politicus Shimada Saburō en de econoom Taguchi Ukichi (ook bekend als historicus) de Vereniging voor Studie van de Maatschappij (Shakai Gakkai 社会学会) stichtten. In 1898 stichtten Katayama Sen, Kōtoku Shūsui, Abe Isō, ... het Genootschap voor de Studie van het Socialisme (Shakaishugi Kenkyū Kai 社会主義研究会), dat aanvankelijk vrij theoretische studies publiceerde, maar na zijn naamsverandering in Socialistische Associatie (Shakaishugi Kyōkai 社会主義協会) aan concrete bewustmaking werkte.
Overheidsrepressie
Naarmate de invloed van het Comité tot Oprichting van Arbeidersbonden toenam, voerde de overheid haar repressie op. In 1900 verscherpte het tweede kabinet-Yamagata de wetten inzake de openbare orde en de politiecontrole. Het aantal mensen dat zich nog met het comité durfde in te laten, nam af en uiteindelijk ging het in 1901 ter ziele.
Het ontstaan van socialistische partijen
Toch wakkerde deze repressie het radicalisme en de overtuiging van de activisten aan. In 1901 werd de eerste socialistische partij van Japan, de Sociaal-Democratische Partij (Shakai minshu-tō 社会民主党) door Katayama Sen, Kōtoku Shūsui 幸徳秋水, Abe Isō 安部磯雄, e.a. gesticht. Een dag na haar officiële registratie werd zij reeds verboden.

