Shizoku (士族)
Uit GeschiedenisJapan
Shizoku is de nieuwe term voor samurai die sinds 1869 wordt gebruikt om iemand uit de japanse krijgersklasse aan te duiden. Door het streven van Japan naar het worden van een machtige, moderne staat werden er in de Meiji periode vanaf 1868 A.D. radicale veranderingen toegepast die zowel het bestuur als de levenswijze van velen voor altijd zouden veranderen. Na het afschaffen van de oorspronkelijke feodale structuur en klassen werden de bevolkingsgroepen in nieuwe klassen ingedeeld (shimin byodo):
- De keizerlijke familie werd koshitsu.
- De Daimyo (大名) en de hofedelen werden kazoku.[1]
- De samurai werden shizoku.[2]
- De gewone burgers van weleer werden heimin.[3]
Uit de nieuwe klassen werden de priesters en de afvalligen gelaten. Deze werden er later toevoegd.[4]
De naam shizoku is geschrapt uit de wet op 1 januari 1984. Daarna bleven er maar twee klassen bestaan. De keizerlijke familie en de burgers.
Inhoud |
Van samurai tot burger
In het prille begin van de wedloop naar een moderne staat veranderde er weinig. Shizoku bleven zich gedragen als samurai en heimin merkten nauwelijks iets van de zogenaamde veranderingen. Uiteindelijk kregen de burgers het recht om een familienaam te dragen, iets wat daarvoor enkel voor de hogere klassen voorbehouden was. Iedereen mocht nu trouwen met personen ongeacht de klasse waaruit ze afstamden. De shizoku daarentegen verloren het recht op het dragen van 2 zwaarden, hun typerende haarsnit en het recht om heimin te doden als deze beledigend was. Dit werd niet goed nageleefd en daarom vorderde de staat later een tweede wet uit die strenger optrad tegen overtredingen. Hetgeen echter het pijnlijkste was voor de shizoku was dat hun erfelijke stipendes, dat 1/3 van de uitgaven van de staat bedroeg, wegvielen. Hier was veel tumult rond want volgens velen was het oneerbiedig om de klasse die Japan al eeuwen beschermden zo een zware slag te geven.
Het inkomen of het ontbreken daarvan van de shizoku
Tijdens de Edo-periode werden de samurai door de daimyo van hun grondgebied(han 藩) een jaarlijkse som rijst toegekend. Deze som was erfelijk en dus een verzekerd inkomen. Doordat elke daimyo zijn grondgebied terug gaf aan de keizer, en in ruil Gouverneur van dat prefectuur werd, viel deze vorm van inkomen weg voor de samurai. Deze feodale stipendia werden vervangen door een nieuw salaris (karoku) dat ongeveer 60% van het originele bedrag bedroeg. Vele oudstrijders van de boshin-oorlog kregen een soort van oorlogspensioen (shotenroku). Om de blijvende staatsuitgaven te beperken zocht de regering naar nieuwe middelen. Uiteindelijk wou de staat de salarissen af kopen. Een som die ongeveer het totale was van vier tot zes jaar salaris zou worden betaald en daarna zou de staat geen verdere betaling meer geven. Deze som bestond voor de helft uit staatsobligaties en de rest contant geld. Velen hadden weinig of geen vertrouwen in obligaties van een regering die net zoals een jong veulen trillend op zijn poten staat. Uiteindelijk ging er maar een kwart van de shizoku in op dit voorstel. Later werd deze maatregel verplicht. Voor 1875 werden alle inkomsten in maten rijst of het equivalent van de prijs van rijst uitgedrukt (Koku (石)[5]). Uiteindelijk konden alleen de vroegere daimyo's en hoge ambtenaren hun oude levensstijl bewaren. In 1884 had slecht 20% van de ex-samurai nog staatsobligaties, de rest had deze uit geldnood al lang verkocht.
Gevolg verarming van de shizoku
Door de invoering van een leger dat bestond uit dienstplichtingen en een modern politieapparaat had het land geen nood meer aan een krijgersklasse, de samurai verloor zijn maatschappelijk nut en zijn verzekerd inkomen en was gedwongen een nieuwe tewerkstelling te zoeken. Doordat velen van deze krijgersklasse een intellectuelere opvoeding hadden genoten dan de burgers konden ze aan de slag gaan als bureaucraten. Het nieuwe leger was uiteraard een geschikte plaats voor een voormalig krijger en velen vonden daar werk. Sommigen gebruikte hun kennis van het schrift en geschiedenis en werden leerkrachten. De meesten daarentegen gingen aan de slag als koopman of boer. Weinigen slaagden erin dit beroep met succes uit te oefenen. Het werd zo erg dat de overheid besloot in te grijpen door herscholingskansen te bieden. In 1870 kregen de voormalige samurai die grond wilden ontginnen belastingsvoordelen, later in 1874 verkocht de overheid 850.000 hectare overheidsgronden aan de shizoku en onvruchtbare gronden werden gratis ter bechikking gesteld aan samurai die deze wilden ontginnen. Verhalen van ex-samurai die economische problemen hadden na het falen van hun nieuw beroep waren zo veelvoorkomend dat de uitdrukking "shizoku no shobo" (de commerciële code van de ex-samurai) is ontstaan. Deze uitspraak werd gebruikt om een zaak die door een persoon zonder zaken-instinct of ervaring werd opgestart en zodoende gefaald was om te mislukken aan te duiden.
Vernederde krijgers
De afschaffing van de samurai klasse bracht gemengde gevoelens mee, veel ex-samurai konden dit namelijk niet verkroppen en om de gemoederen te bedaren zocht Saigō Takamori (西郷 隆盛) naar een uitlaatklep voor al de opgekropte agressie. Een oorlog met Korea was de perfecte gelegenheid voor de verhitte samurai om zicht uit te leven. Een excuus om oorlog te voeren kregen ze doordat Korea geen diplomatieke betrekkingen met Japan wou aangaan. De regering daarentegen stond negatief tegenover het idee van oorlog met Korea. Daardoor trok Takamori zich terug uit de regering, maar door een ondoordachte actie van een paar van zijn leerlingen was Takamori gedwongen om een rebellie te starten. Dit werd later de Satstuma rebbelie genoemd. Deze eindigde in een nederlaag voor Takamori en zijn samurai. Dit conflict benadrukte het feit dat het zwaard en bushido antiekiteiten waren en voorbijgestreefd waren door technologie.
Belangrijke data
- 3 januari 1868(12de maand, 9ste dag van het vorige maanjaar): Rebellen nemen het keizerlijke paleis in en de keizer verklaart de restoratie van de keizerlijke macht.
- 6de maand, 17de dag, 1869: De keizer kondigt aan dat hij alle documenten van overgave van het land accepteerd van de daimyo en dat deze aangesteld zullen worden als gouverneurs.
- 6de maand 17de dag, 1869: De regering stapt af van de oude klassen en veranderd die in adel, ex-samurai en burgers.
- 7ste maand 14de dag, 1871: De regering maakt prefecturen van de domeinen van de daimyo.
- 24-25 oktober 1873: De keizer kondigt zijn oppositie aan tegen de voorstellen om Korea binnen te vallen; Saigo Takamori en andere voorstanders van de oorlog trekken zich terug uit de regering.
- Begin 1873: Regering kondigt decreet op de dienstplicht (Chohei Rei[徴兵令]) aan.
- 28 maart 1876: Samurai verliezen het recht op het dragen van zwaarden.
- 5 augustus 1876: Regering kondigt aan dat de ex-samurai hun erfelijke stipendia zal worden vervangen door salarissen.
- Februarie 1877: Satstuma rebellie begint.
- 24 september 1877: Saigo Takamori sterft.
Voetnoten
- ↑ Het aantal daimyo en hofedelen bedroeg samen 427 families
- ↑ De samurai maakten rond 1868 ongeveer 6% van de totale bevolking van 30 miljoen uit.
- ↑ De burgers maakten 90% van de totale bevolking uit.
- ↑ Het aantal priesters werd geschat op 1.25% en het aantal afvalligen werd geschat op 1.75%
- ↑ Een meting van een volume gelijk aan ongeveer vijf kraten rijst: In theorie genoeg rijst om één persoon één jaar lang te voeden; werd ook gebruikt om de jaarlijkse stipendia van de samurai en de productiviteit van dorpen of domeinen te berekenen.
Bronvermelding
- Vande Walle W., (2007), "Een Geschiedenis van Japan: Van Samurai tot Soft power", Acco.
- Mclain L. J., (1944), " A modern history: Japan", W.W. Norton & company.

