Shinto-rituelen
Uit GeschiedenisJapan
Shintō, wat letterlijk 'de weg van de goden' betekent, is reeds van bij het ontstaan van Japan de code van eer en actie voor de Japanse bevolking. Het is dankzij het shintoïsme dat de Japanners zoveel respect hebben voor reinheid en oprechtheid, maar ook voor hun voorouders en het verleden in het algemeen. Veel Japanse gebruiken zijn ook ontstaan vanuit het shintoïsme. De shintō-rituelen staan dan ook in het teken van reinheid, zuivering en eerbetoon aan de overledenen.
Oorsprong van shintoïsme
Het shintoïsme zou reeds ontstaan zijn rond 500 voor Christus, of nog eerder. Rechtstreekse bewijzen hiervan zijn er niet aangezien het een godsdienst betreft zonder geschreven religieuze teksten. De shintoïstische godenvereringen worden echter wel onder andere vermeld in de Kojiki (古事記) (712), Nihonshoki (日本書紀) (720) en Manyōshū (midden 8ste eeuw na Christus). Het woord shintō is afgeleid van de Chinese tekens 'shin' en 'tao', en betekent zoveel als "De weg van de Kami". Het is ontstaan als een "amorfe mengeling van natuurverering, vruchtbaarheidsriten, heldenverering en sjamanisme."
Enkele soorten Kami
Men onderscheidt vele soorten kami of godheden. In het oude Japan behoorden de meeste kami tot de categorie van de natuurgoden. Men vereerde bergen, waterlopen en watervallen, de zon en maan, stormen enz. Dit alles stond in relatie met landbouw en de agriculturele kalender, zodat men een goede oogst zou kunnen hebben. Er waren toen ook nog geen shintō-shrijnen, maar men gebruikte wel shimenawa ("heilig touw of lint"), dat men vast hing rond de plaats waar de kami neerdaalde en aanwezig was. Men plaatste er rond middernacht eten voor, om de kami te voeden en gunstig te stemmen. Ook werden er een soort van overdekte altaren opgericht, maar de eigenlijke rituelen vonden allen in de buitenlucht plaats en niet in een gebouw. De eigenlijke gebouwen zijn er pas gekomen onder invloed van het boeddhisme dat uit China was overgekomen, in de Kamakura-periode (1185-1333).
Pas later ging men ook voorouders en belangrijke historische personen vereren. Zo zijn er schrijnen van alle Japanse keizers op uitzondering van de laatste keizer. Ook zijn er schrijnen van onder andere Nakatomi no Kamatari en prins Naka no Ōe[1], later keizer Tenchi, die de Soga clan[2] verslagen hadden en de Japanse staat oprichtten in 645, van Minamoto no Yoriyoshi en Minamoto no Yoritomo, beiden hoofden van een prominente militaire clan, en van verschillende stichters van nieuwe politieke era, waaronder Oda Nobunaga en Tokugawa Ieyasu.
Er waren tevens kami die dienst deden als zondebok. Deze kami werden eerst geïncorporeerd in een buitenstaander, die van elke inwoner van de gemeenschap de zonden en tegenslag meekreeg door aanraking en daarna uit de gemeenschap weggejaagd werd. Later werd deze buitenstaander vervangen door een gekozen persoon van de gemeenschap zelf, en ook door symbolische figuren zoals bijvoorbeeld een masker van een draak, gedragen door een of meerdere inwoners.
Rituelen ter verering van de kami waren bedoeld om deze kami gunstig te stellen, en zo te zorgen voor een goede oogst, maar ook om natuurrampen en tegenspoed te voorkomen en te verhelpen. Telkens als er namelijk een natuurramp (aardbeving enz.) voorkwam, nam men aan dat een kami ontstemd was. Hierdoor trachtte men deze kami dan te vereren door onmiddellijk rituelen uit te voeren, en tevens de bestaande rituelen te verbeteren. Hierdoor is ook vaak het tijdstip van een matsuri (festival) veranderd geweest doorheen de tijd, en zijn de rituelen ook telkens aangepast geweest.
Men gebruikte de rituelen ook om een belangrijke gebeurtenis te helpen slagen, bijvoorbeeld als er een nieuw bouwwerk in gebruik werd genomen.
Dit toont aan dat de kami alom tegenwoordig waren in het leven van elke Japanner.
Ook nu nog vereert men de verschillende kami voor voorspoed bij een gebeurtenis of om natuurrampen en onheil te voorkomen.
Classificaties van Shintō-rituelen
Chōtei Saishi (Rituelen aan het Keizerlijk Hof)
Dit zijn rituelen die uitgevoerd werden door de keizer, zijn familie en het keizerlijk hof. Ze omvatten rituelen die beschreven staan in de Ritsuryō-code[3] en rituelen uit de Heian-periode. Ze omvatten een groot aantal plechtigheden, gaande van de publieke rituelen van de Ritsuryō-staat over rituelen bij keizeropvolging tot gebeden en aanbiddingen door de keizer zelf.
Chōtei saishi kunnen onderverdeeld worden in:
- Rituelen van het administratief hof
- Rituelen van het keizerlijk hof
- Rituelen door keizerlijke ambtenaren
- Rituelen door de keizer zelf
- Rituelen door gezanten van de keizer
Deze categorieën verschillen naargelang hun opzet en betekenis. De dertien types van rituelen uit de Ritsuryō-code worden beschreven in de Yōrō-code (757)[4]. Hieruit zijn de belangrijkste: Kinensai, Tsukinamisai en Niinamesai.
Hoewel het Ritsuryō-systeem wat betreft de rituelen uitgehold raakte, bleven veel van deze rituelen bestaan tot het einde van de Muromachi-periode.
Dōzoku Saishi (Religieuze rituelen gebaseerd op verwantschap en familie)
Dit soort rituelen zijn rituelen uitgevoerd in een bepaalde dōzoku (groep van familieleden met dezelfde voorouders), en werd meestal uitgevoerd onder begeleiding van de patriarch van de dōzoku, als deel van de jaarlijkse festiviteiten van die dōzoku. Dit komt met andere woorden voort uit een patriarchale maatschappij.
De voorouders van zo'n dōzoku staan misschien wel symbool hiervoor, maar dat wil niet zeggen dat zij de gemeenschappelijk aanbeden godheden zijn van deze dōzoku. In feite werden een aantal godheden door één en dezelfde dōzoku' vereerd, dit naargelang de tak van afstamming.
Tegenwoordig wordt er niet zoveel belang meer aan gehecht, doordat de dōzoku als sociale groep stilaan aan het verdwijnen is.
Kodai Saishi (Eeuwenoude rituelen)
Zoals hierboven reeds vermeld, waren het in de Japanse oudheid vooral natuurgoden die men aanbad. Naarmate er meer en meer gemeenschaps- en familievorming kwam, werd er ook steeds meer aan voorouderverering gedaan.
Rituelen tijdens Jōmon en Yayoi-periode
Op archeologische sites zoals Kamikuroiwa Iwakage in de Ehime prefectuur, heeft men geëtste stenen gevonden, waarvan men gelooft dat zij vrouwelijke godheden voorstellen. Men heeft ook circulaire formaties van zulke stenen met heel wat artefacten gevonden, die als grafsites benoemd zijn.
Men heeft ook nog figuren van steen of klei gevonden, die waarschijnlijk als magisch aanzien werden en gebruikt werden in rituelen. Dit alles is echter nog in onderzoek en moeilijk te bewijzen, aangezien er nergens iets van opschrift of aantekening bestaat van deze periode.
Ook bronzen klokken zonder klepel werden gevonden, waarvan men dacht dat ook deze klokken voor rituelen gebruikt werden. Hoewel op velen rituele handelingen afgebeeld staan, werden ze nog maar sporadisch op rituele sites gevonden.
Rituelen tijdens Kofun-periode
Uit bevindingen blijkt dat men tijdens deze periode naast begrafenisceremonieën ook aandacht begon te schenken aan andere rituelen. Zo heeft men ook voorwerpen voor aanbidding en rituelen gevonden buiten de graftombes.
De meest gevonden voorwerpen met rituele betekenis zijn bronzen spiegels, zwaarden, sieraden en aardewerken gebruiksvoorwerpen, meestal met symbolische betekenis.
Kōrei Saishi (Rituelen ter verering van de vroegere keizers en hun familie)
Deze rituelen werden en worden nu nog uitgevoerd door leden van de keizerlijke familie ter verering van de keizerlijke voorouders.
De basis voor deze ceremonieën werd gelegd in het Japan van de oudheid, maar ze werden aangepast in het moderne Japan, doordat de belangstelling opnieuw toenam. De rol van de Japanse keizer werd kleiner doorheen de geschiedenis, en de boeddhistische rituelen maakten een opgang, waardoor de shintō-gebruiken in verval raakten. Door studie van de [[Kojiki (古事記)], Nihingi en Engi Shiki[5] wakkerde de belangstelling opnieuw aan, en tijdens het Tokugawa-shogunaat[6] begon men de mausolea te restaureren. Men begon met de restauratie van de tombe van Keizer Jimmu (神武天皇), en tegen de Meiji-restauratie was de restauratie van de mausolea voltooid. De rituelen worden nog steeds op de oude wijze uitgevoerd.
Meiji Kokka Saishi (Staatsrituelen uit de Meiji Periode)
Deze vorm bestond uit een groep van staatsrituelen en keizerlijke rituelen, aangesteld door keizerlijk decreet in 1908. Het waren staatsrituelen die de Ritsuryō-code volgden, en heringevoerd waren tijdens de Meiji-restauratie. Ze kunnen onderverdeeld worden in drie groepen.
Jaarlijkse rituelen
Dit zijn jaarlijks terugkerende rituelen voorgezeten door de keizer ter verering en herdenking van Amaterasu[7], van alle voorafgaande keizers vanaf het ontstaan van Japan in de oudheid, ter herdenking van de dood van de voorafgaande keizerin en de moeder van de voorafgaande keizer, maar ook rituelen voor goede oogst (kinensai), het lente- en herfstritueel, "Eerste Fruit-ritueel", Nieuwjaarsritueel, Kagura-opvoering (ceremoniële zang en dans ter verering van de kami) en de verjaardag van de huidige keizer.
Deze jaarlijkse rituelen hebben ook invloed op de gewone bevolking onder de vorm van vakantie en festivals.
Begrafenisrituelen
Rensō no Gi (shintō-begrafenisceremonies) werden ook uitgevoerd. Het verloop werd bij wet bepaald in 1926, alsook de verering van de keizerlijke ziel tot de eerste verjaardag van zijn dood, waarna zijn geest naast de andere geesten van de vroegere keizers een plaats voor verering kreeg in het Kōreiden (keizerlijk mausoleum).
Rituelen bij troonsopvolging
Ook deze rituelen zijn bij wettelijk decreet vastgelegd, in 1909.
Tijdens de Kenji Togyo no Gi krijgt de opvolgende keizer het zwaard en de sieraden, symbolen van de keizerlijke macht, waarna hij de naam van de periode verandert en het rijstveld waar de heilige plantjes voor de Daijōsai (zijn eerste Niinamesai als nieuwe keizer) groeien, inwijdt.
In het volgende jaar verkondigt hij zijn opvolging tijdens de sokuishiki ceremonie, zit de Daijōsai ceremonie voor en organiseert een banket.
Saijitsu
Saijitsu zijn de dagen waarop een ritueel uitgevoerd wordt. Deze dagen zijn vastgelegd volgens verschillende systemen.
Een eerste systeem, sinds de Japanse oudheid, is het agrarisch systeem. Hierbij wordt rekening gehouden met de seizoenen en de tijden van bezaaiing en oogst. Zo heeft men onder andere de gosekku of vijf-seizoenen-festivals, die overeenkomen met belangrijke tijdstippen bij de rijstbouw. Hieronder vallen ook de ujigami-matsuri of clan-matsuri uit de oudheid, die zouden verband houden met tijdstip van zaaien en oogsten van de gewassen binnen een clan. Deze data verschilden qua data tussen de verschillende gemeenschappen en streken onderling, en konden ook jaarlijks veranderen.
Verder heeft men ook nog op kalender gebaseerd systeem, waaronder onder andere Nieuwjaar valt.
Een derde systeem is dat volgens de twaalf horoscooptekens (jūnishi).
En ten laatste heeft men nog een systeem dat de maankalender volgt (1ste dag van de volle maan enz.)
Saikai
Met deze term wordt algemeen bedoeld: zonden en onreinheden vermijden volgens strikte spirituele regels, terwijl men contact en eenheid zoekt met de goden. Op deze manier werd men reeds voor de regeerperiode van Keizer Jimmu (神武天皇) geacht rituelen uit te voeren. Zo vindt men reeds beschrijvingen van saikai terug in de Taihō Jingiryō gedateerd uit de achtste eeuw.
Saishi Shūzoku
Dit is een algemene term voor de rituele gebruiken, tradities en praktijken tijdens de festivals. Men heeft getracht een algemene structuur in te bouwen in elk ritueel en festival, maar toch kunnen deze gebruiken nog variëren naargelang het ritueel of festival.
Saishi Yōgo
Matsuri kunnen onderverdeeld worden in twee types.
Nenshū gyōji (Jaarlijks terugkerende rituelen)
Dit is een systeem waarin de rituelen jaarlijks terugkeren binnen een bepaalde sociale groep. Dit werd oorspronkelijk bepaald, tijdens de Heian-periode, door de Chinese maankalender die gebruikt werd aan het hof en aangevuld door de agrarische kalender van de gewone bevolking volgens de seizoenen die gebaseerd is op de rijstproductie.
Tsūka girei (Overgangsrituelen)
Deze rituelen gaan over de verschillende keerpunten in het leven, beginnend van voor de geboorte en eindigend na de dood bij wijze van herdenking. Bij elk van die keerpunten ondergaat men een verandering van sociaal statuut. Belangrijke keerpunten zijn onder andere geboorte, doop, overgang naar volwassenheid, afstuderen, huwelijk en dood. Bij deze keerpunten horen rituelen om een goede overgang van het ene statuut in het andere te verzekeren.
Shuku-sai-jitsu of Kokusaijitsu
Deze term omvat zowel de nationale feestdagen (shukujitsu), als de nationale saijitsu. De grote nationale feestdagen van voor de Meiji-periode zijn:
- Shinnensetsu (Nieuwjaar)
- Kigensetsu (Dag van het Keizerrijk)
- Tennōsetsu (Verjaardag van de Keizer)
- Meijisetsu (Verjaardag van de Meiji-Keizer, sinds de Meiji-periode)
Daarbij zijn later nog gevoegd:
- Genshisai (Festival of Origins)
- Shunki kōreisai (Spring Commemoration for the Imperial Spirits)
- En nog één andere gelegenheid, om het aantal festivals op zeven te brengen (saijitsu), aangezien het cijfer 7 als een magisch getal aanzien werd.
De muziek en instrumenten gebruikt bij shinto-rituelen
Inleiding
Shintō-muziek en dans, ook wel kagura of "goddelijke muziek" genoemd kan onderverdeeld worden in kagura gebruikt bij rituelen in het paleis, ook wel mikagura genoemd, of bij nationale schrijnen, ook wel okagura genoemd enerzijds; en kagura gebruikt bij plaatselijke shintō-evenementen en festivals, ook wel satokagura genoemd, anderzijds.
Instrumenten
Shakubyōshi
Deze twee kleine platte houten stokken worden gebruikt om een tekst of strofe af te bakenen. Wanneer ze onder de juiste hoek tegen elkaar geslagen worden produceren ze een scherp geluid.
Yamatogoto
Dit is een zes-snarige citer. Er zijn prehistorische beeldjes gevonden met yamagoto, waardoor aangenomen wordt dat het ee nauthentiek Japans instrument is, hoewel het qua vorm gelijkenissen vertoont met enkele Koreaanse muziekinstrumenten.
Yamagoto worden niet zozeer gebruikt om een melodie te produceren dan wel voor ritme en timbre van een lied te definiëren.
Om de yamagoto te stemmen, plaatst men bruggen in omgekeerde V-vorm onder elke snaar, die men verschuift tot elke snaar de juiste lengte heeft om een bepaalde toon te produceren.
Kagurabue of yamatobue
Dit is een fluit met zes gaten. Tegenwoordig wordt deze fluit enkel nog gebruikt bij evenementen binnen het keizerlijk paleis. Ze wordt vaak vervangen door de ryūteki of nōkan, die zeven gaten heeft.
Hichiriki
Dit kleine fluitje met negen gaten wordt aanzien als één van de "heilige" instrumenten en wordt bij de meeste kagura-liederen gebruikt om de hoofdmelodie te spelen. Ze produceert een apart nasaal geluid, dat door velen niet echt gewaardeerd wordt.
Mikagura
Mikagura worden gebruikt als een vorm van communicatie met de goden. De goden beantwoorden de muziek onder de vorm van een orakel. Het doel van de muziek wordt omschreven in verschillende verhalen in de Kojiki (古事記).
Vele generaties lang was het de keizer zelf die de citer bespeelde, tot professionele muzikanten deze rol van hem overnamen in ensembles. De muziek zelf blijft tot nu echter nog steeds van groot belang voor de keizer en het hof.
Naast de muziek is ook de dans en de zang, onder de vorm van poëzie, van groot belang bij kagura. Hierin onderscheiden we twee types: torimono, gebruikt om de goden te vereren en hun steun te vragen, en saibari om de goden te vermaken. Alle zangers en dansers zijn mannen.
Kagura in de grote schrijnen
In tegenstelling tot de mikagura, worden de dansen bij okagura opgevoerd door vrouwen, die hiervoor een speciale opleiding genieten. Men onderscheidt hierin twee soorten.
Mikomai
Gehuld in traditionele shintō-kleding met wit gepoederd gelaat en haardracht zoals in de Heian-periode, voeren zij een dans op die zijn oorsprong vindt in de mythologische dans van de godin Ama no Uzume voor de grot van de zonnegodin. Zij dragen ook een suzu, dit is een instrument in de vorm van een kleine boom met belletjes als takken, en worden vergezeld door de muziek van de yamatogoto en de hichiriki, soms nog aangevuld met drums.
Deze dansen worden tegenwoordig het meest opgevoerd in de schrijnen van Kyōto, Nara, Izumo, het keizerlijk schrijn in Ise en het Meiji schrijn in Tōkyō.
Shirabyōshi
De danseressen zijn gehuld in witte kledij, shira genaamd. Tijdens de Heian-periode bestonden er voor deze dansen speciale scholen aan het hof.
Naast de begeleidende muziek, imayō genoemd, gebruikte men tevens een tsuzumi, dit is een speciale drum in de vorm van een zandloper, een fluit en soms nog andere drums. Deze tsuzumi zorgde hier voor het ritme, zoals de yamagoto dat doet bij mikagura.
Plaatselijke kagura en festivalmuziek
Voor een agrarische samenleving zoals Japan, waren en zijn nog steeds de seizoenen en zaken zoals zaaien, gewasbewerking en -groei en oogst enorm belangrijk. Vandaar de ceremonieën en festivals, die gehouden werden en worden om de goden gunstig te stemmen en te bedanken voor de goede gang van zaken. Deze rituelen worden in de plaatselijke schrijnen in heel Japan uitgevoerd. De festivals worden (o)matsuri genoemd, en de begeleidende muziek noemt men matsuri bayashi. De bijhorende dansen worden satogakura (dorpskagura) of minzoku geinō (volkstheater) genoemd.
De matsuri bayashi wordt opgevoerd door de hayashi; een kleine band meestal bestaande uit drie drums (taiko), een fluit (takebue of shinobue) en een gong (atarigane). Eén drummer bespeelt de ōdaiko of grote drum, terwijl de twee andere drummers een kleinere taiko bespelen. Er kunnen ook nog andere drums en percussie-instrumenten toegevoegd worden aan deze band. Deze bands krijgen vaak de naam van het district vanwaar zij afkomstig zijn, ofwel van het soort muziek zij spelen.
De vorm van een omatsuri is heel verschillend van de officiële religieuze muziek. Een opvoering bestaat uit meerdere onderdelen die verschillen van de ene hayashi tot de andere. Meestal bestaat een ritueel uit volgende onderdelen: yatai, genoemd naar de kar waarop ensembles door de straten getrokken worden; kamakura; shōten, waarvan de betekenis enorm kan variëren (gaande van een plaats van aanbidding tot een wens gericht aan het hof); shichōme; en daarna nogmaals yatai.
Muziek en dans worden meerdere malen herhaald, meestal drie of negen keer per onderdeel. Het is dan ook niet de bedoeling dat men een opvoering in zijn totaliteit aandachtig volgt, maar dat men tijdens het kijken ook met mensen converseert. Het is immers een opvoering ter verering en amusement van de goden, en enkel zij worden geacht van de hele voorstelling te genieten.
Bronnen
Literatuurlijst
- Artful Means: An Aesthetic View of Shinto Purification Rituals, Journal of Ritual Studies, Volume 13, Number 1, Summer 1999, pp. 37-52.
- Malm, William. Traditional Japanese Music and Musical Instruments (Yamaguchi Kan Series). Tokyo-New York-Londen: Kodansha International, 2000. (1959, Traditional Japanese Music and Musical Instruments, Charles E. Tuttle Company)
- Plutschow, Herbert. Matsuri, The festivals of Japan. Curzon Press Ltd, 1996.
Internet (Laatst geraadpleegd op 27 mei 2012)


