Sengoku-daimyō

Uit GeschiedenisJapan

Achtergrond

Een belangrijke factor in dit proces was de ‘ontvoogding’ van de genin tot kleine zelfstandige boeren, een tendens die zich reeds in de dertiende eeuw begon af te tekenen, en de splitsing van de myōshu in enerzijds grondbezitters, anderzijds kleine boeren. In de meest ontwikkelde gebieden was dit proces voltooid tegen het midden van de zestiende eeuw. De kleine zelfstandige boeren vormen de voornaamste groep in het dorp (mura). Ook in de minder ontwikkelde gebieden verstevigen de kokujin hun macht in de dorpsgemeenschappen. Een groep van landheren slaagt erin deze laag van kokujin aan zich te binden en ontwikkelt zich tot machtige feodale landheren: zij zijn de zogenaamde Sengoku-daimyō 戦国大名. De shugo-daimyō die niet in de transformatie slagen en het Muromachi-bakufu gaan aan hun innerlijke verdeeldheid ten onder. De keizerlijke familie en de oude aristocratie (kuge-klasse), die afhankelijk zijn van de bescherming van het bakufu en de inkomsten van hun schaars geworden shōen, vervallen tot armoede en machteloosheid. In de 16de eeuw zijn er zelfs vele gebieden waar men de keizerlijke periodenamen (nengō 年号) niet langer gebruikt. Sommige keizers hadden niet eens de middelen om hun kroningsceremonie te betalen, sommige hovelingen vervielen tot de bedelstaf of hadden geen kleren om zich tegen de kou te beschermen.

Profiel van de voornaamste sengoku-daimyō

De sengoku-daimyō ontwikkelden zich uit de lokale landheren die weinig of geen banden met het centrale bakufu-gezag hadden. Hier volgt een lijst van de voornaamste:

1. Ise Nagauji 伊勢長氏 (1432-1519): was oorspronkelijk een cliënt van de shugo van Suruga 駿河, die geen domein had. Toen zijn leenheer gesneuveld was bij het onderdrukken van de kuni-ikki van Tōtōmi 遠江, brak de traditionele twist om zijn opvolging uit in diens clan, de Imagawa. Nagauji wist daarin te bemiddelen en kreeg als beloning het gebied van de commanderie Fuji 富士. Dit werd het eerste stuk van een groot gebied dat hij wist te verzamelen, onder meer door handig gebruik te maken van de strijd om het vice-shōgunaat (kanrei) van Kantō. In 1495 nam hij het kasteel van Odawara in en maakte er zijn hoofdkwartier van.

2. Nagao Tamekage 長尾為景 was vazal van Uesugi, shugo van Echigo. Hij werd geleidelijk sterker dan de clan van zijn landheer, en vermoordde deze laatste. Zijn zoon Kagetora 景虎 dwong de Uesugi-familie hem als familiehoofd (katoku 家督) te adopteren, waarna hij bekend stond als Uesugi Kenshin 上杉謙信 (1530-1578). Hij riep zichzelf uit tot vice-shōgun van Kantō en breidde zijn heerschappij uit over Echigo en Noord-Kantō.

3. In Kai 甲斐 slaagde de Takeda 武田-clan erin om zijn heerschappij te vestigen over de provincie Kai, Zuid-Shinshū 信州, Suruga en een gedeelte van Tōtōmi. Hij bereikte zijn hoogtepunt onder Takeda Shingen 武田信玄 (1521-1573).

4. In de regio Tōkai werd de Imagawa 今川-clan als shugo van Suruga en Tōtōmi machtig in de eerste helft van de zestiende eeuw. Iets later liet de Matsudaira 松平-clan van Mikawa 三河 zich opmerken, in het bijzonder Matsudaira Ieyasu, de latere Tokugawa Ieyasu 徳川家康 (1542-1616).

5. In Owari 尾張 was het de Oda 織田-clan, in oorsprong kleine landheren van Echizen, die zich als vazal van de Shiba 斯波-clan ontpopte tot een machtige clan, vooral onder Oda Nobuhide 織田信秀. Zijn zoon was niemand minder dan Oda Nobunaga 織田信長 (1534-1582).

6. Een mooi voorbeeld van gekokujō treffen we aan in Chūgoku. Daar was de Ōuchi 大内-clan heer en meester als shugo van Suō 周防, Nagato 長門 en Buzen 豊前. Door de handel met het buitenland had hij macht en rijkdom verworven. In 1551 komt zijn vazal Sue Takafusa 陶隆房 in opstand en dwingt zijn leenheer en diens zoon tot zelfmoord. De Sue-clan wordt op zijn beurt te gronde gericht door Mōri Motonari 毛利元就 (1497-1571), oorspronkelijk een kleine landheer van Aki 安芸 en vazal van de Ōuchi 大内.

Over het hele land kan men dergelijke voorbeelden citeren, met uitzondering misschien van de streek van Kinki, waar geen grote sengoku-daimyō opstaan.

Karakterisering van de sengoku-daimyō

De sengoku-daimyō worden het best gekarakteriseerd door de uitdrukking “Kiritorigōtō wa bushi no narai” 切り取り強盗は武士の習い (land afhandig maken is het gebruik van de krijger). Door voortdurend wisselende allianties, complot en list streefden zij hun doel na. Vriend noch verwante waren heilig. In de regel werden zij zelf uiteindelijk ook het slachtoffer van hun eigen praktijken. Iedereen was een mogelijke vijand en zij leefden in constante vrees, wantrouwen en achterdocht. In het begin verschilde de machtsstructuur van de sengoku-daimyō niet zo erg van die van de shugo-daimyō. De daimyō oefende rechtstreekse controle uit over een klein gedeelte van zijn gebied, terwijl de rest rechtstreeks het bezit was van plaatselijke kleine landheren die de daimyō onderdanigheid verschuldigd waren, hetgene zich onder meer uit in dienstplicht.

De sengoku-daimyō kenmerkt zich naderhand echter door zijn streven naar directe controle over zijn gehele territorium. Hij probeert daarbij zoveel mogelijk de autonomie van de kleine landheren te ondermijnen of teniet te doen en hen als zijn vazallen of cliënten (kashin 家臣) aan zich ondergeschikt te maken. Zij profileerden zich met andere woorden als zuiver feodale heren. Daarbij deinsden zij er ook niet voor terug, zoals de Hōjō vroeger hadden gedaan, de boeren op te zetten tegen de kleine landheren.

De cliënten werden ingedeeld in een hiërarchisch opgebouwde legerstructuur en bedacht met titels die hun rang weergaven (bijvoorbeeld bugyō 奉行, kumigashira 組頭,...). Deze organisatie fungeerde meteen ook als orgaan om het volk op het territorium te controleren. Tot het midden van de zestiende eeuw was het gebruikelijk bij de bushi, dat de hogergeplaatsten onder hen tevens optraden als administrator van een commanderie, terwijl de middenklasse meestal militaire activiteiten met agrarische combineerden. De niet-ophoudende oorlogen noopten de daimyō er echter toe een groot staand leger te onderhouden. Bovendien evolueerden de strijdtechnieken in die zin dat de individuele ruiters aan belang inboette en dat voetvolk, dat zich bediende van boog, speer of geweer en opereerde in gesloten orde, massaal in de strijd werd geworpen. De nood aan een staand leger riep de beroepssoldaat in het leven: de bushi zetten hun agrarische bezigheden stop en gingen zich vestigen aan de voet van het kasteel van de daimyō. Deze scheiding van boeren en krijgers zette zich door vanaf het midden van de zestiende eeuw. Uit de concentratie van de krijgers rond het kasteel groeiden de zogenaamde kasteelsteden (jōkamachi 城下町).


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo