Samurai in de Edo-periode
Uit GeschiedenisJapan
De bushi (武士), beter bekend als de samurai (侍), waren de leidende klasse in Japan sinds Minamoto no Yoritomo het Kamakura-bakufu oprichtte in 1192. In dit artikel wordt de geschiedenis van de samurai besproken in de Edo-periode, die begon in 1603 en eindigde in 1868. De bushi-klasse maakte toen tussen de 7 en 10% van de Japanse bevolking uit, en stond aan de absolute top van de sociale ladder. Daardoor hadden ze ook verschillende rechten en plichten, die in dit artikel besproken zullen worden. Ook binnen de klasse van de bushi zelf waren er verschillende rangen. Elk van deze rangen had een eigen sociale status, aanzien en taken, en ook dit zal in dit artikel worden toegelicht.
Inhoud |
Sociaal
Rangen binnen de Bushi-klasse
Daimyō
De daimyō waren de vazallen van de shōgun, en beheerden een han (藩, een leengebied, ook wel ryō (領) genoemd). De gronden van een daimyō brachten minstens 10 000 koku[1] op. Hoewel de daimyō onderdanig waren aan de shōgun, hadden ze op hun eigen han absolute macht.
Het Tokugawa shogunaat had de daimyō verschillende rangen toegekend. Hoe hoger de rang, hoe meer het bakufu deze daimyō vertrouwde (meestal omdat hij hen had gesteund in veldslagen). De shinpan (親藩) waren verwante clans, dus genoten ze vele voordelen. Ze kregen strategische en goede gronden, en drie bepaalde families hadden zelfs het recht om een nieuwe opvolger voor de shōgun uit hun families aan te duiden, als er geen geschikte opvolger was binnen de Tokugawa-clan. De fudai (譜代) waren families die de Tokugawa reeds hadden gesteund voor de slag van Sekigahara. Zij kregen functies in de centrale administratie van het bakufu. De shinpan en de fudai hadden ook de opdracht om de derde klasse, de tozama (外様), te controleren. Die klasse bestond uit clans die de status van daimyō pas hadden verworven onder Nobunaga of Hideyoshi, of die nooit door de Tokugawa onderworpen waren. Zij werden dus sterk gecontroleerd, en kregen geen functies in de administratie.
Hatamoto en Gokenin
De hatamoto (旗本, vaandeldrager) stond qua aanzien onder de daimyō, maar boven de gokenin, ashigaru en de rōnin. Ze hadden een inkomen van tussen de 100 en 10 000 koku. Samen met de gokenin moesten de hatamoto het leger van de shōgun vormen.
Immers, elke samurai moest een door de wet bepaald aantal manschappen onderhouden. Elke samurai moest in de Edo-periode ongeveer 20 infanteristen en 2 cavaleristen onderhouden per 1000 koku die hij verdiende.[2]
De gokenin (御家人, letterlijk "huisbedienden") hadden dezelfde taak als de hatamoto, maar hadden minder aanzien en een lager inkomen (steeds minder dan 100 koku).
Verder hadden de hatamoto ook het voorrecht van ome mie (御目見得), wat inhield dat ze een audiëntie met de shōgun mochten hebben.
Strikt gesproken waren de titels hatamoto en gokenin-klassen enkel voor de samurai die direct onder de shōgun dienst deden, maar er waren gelijkaardige klassen onder de daimyō.
Ashigaru
De ashigaru (足軽 , “lichte voeten”), waren aanvankelijk boeren en stedelingen, die als voetvolk in het leger van de shōgun dienst deden. Zoals hun naam doet vermoeden, waren deze soldaten niet al te best uitgerust.
In de 14de en 15de eeuw was hun aantal enorm gegroeid, omdat de vele oorlogen niet alleen de ashigaru de kans gaven zichzelf te verrijken met buit, maar ook omdat ze - als soldaten - tot de klasse van de bushi toetraden, die een hoger aanzien had. Oba Nobunaga had er ook voor gezorgd dat de ashigaru behandeld werden als de andere bushi. Dit hield concreet in dat de ahigaru nu ook goede uitrusting kregen en promotie konden krijgen. Toyotomi Hideyoshi is een schoolvoorbeeld van een ahigaru die zich zo heeft kunnen opwerken.
Na de standenvastlegging behoorden deze klasse officieel tot die van de bushi, maar ze stonden wel zeer laag op de ladder: enkel de rōnin hadden minder aanzien dan de ashigaru.
Rōnin
De rōnin (浪人) waren samurai die om een of andere reden geen meester meer hadden. Hun naam betekent letterlijk “mannen van de golven”, wat zou verwijzen naar het feit dat deze samurai zonder doel rondzwierven, net als de golven.
Het aantal rōnin was in het begin van de Edo-periode enorm gegroeid, doordat de Tokugawa veel daimyō hadden onteigend, of hadden overgeplaatst naar andere, minder vruchtbare han. Aangezien die daimyō dan minder inkomsten hadden, konden ze minder bushi onderhouden, en moesten er sommigen als het ware ontslaan worden. Men schat dat er ongeveer 400.000 rōnin waren tijdens de Edo-periode.
Maar een samurai kon ook om andere redenen rōnin worden: indien een samurai zich had misdragen of ernstige fouten had gemaakt, was voldoende reden om hem tot rōnin te degraderen.
Ook als de leenheer van een samurai kwam te sterven of seppuku had (moeten) plegen, kon een samurai een rōnin worden, zoals geïllustreerd wordt in het verhaal van de 47 rōnin.
Ten slotte kon een samurai zelf zijn degradatie aanvragen, om bijvoorbeeld een gespannen situatie in de clan op te lossen of om een illegale handeling uit te voeren. Immers, als hij als samurai in dienst gevat zou worden, zou zijn leenheer ook verantwoordelijkheid dragen.
Het leven van de rōnin was zeker niet gemakkelijk, want ze hadden geen vast inkomen. Daarom moesten ze op andere manieren geld verdienen (dit komt later aan bod). Aangezien ze wel nog het recht hadden wapens te dragen, werden sommigen huurlingen. Anderen vormden misdaadbenden, en zaaiden terreur onder de bevolking, organiseerden opstanden, ... Onder andere hierdoor werden de rōnin gewantrouwd door het bakufu en het volk.
Andere criteria
Naast deze klasseverdeling waren er nog andere criteria waarmee de stand van een samurai werd bepaald.
Eén ervan is de leenheer van de samurai in kwestie. Zo had een bushi in dienst van de shōgun meer aanzien dan iemand in dienst van een gewone daimyō.
Ook de status van de clan van een samurai en of hij al dan niet grond bezat, waren een basis voor onderscheid tussen verschillende bushi.
Rechten
Als leidende klasse hadden de bushi verschillende rechten, die hen konden onderscheiden van de gewone bevolking.
Ten eerste mochten ze als enige twee zwaarden dragen. Deze werden daishō genoemd (大小, letterlijk: "groot en klein"), en bestonden uit een katana (刀) en een wakizashi (脇差). Deze zwaarden stonden symbool voor hun verheven rang. Immers, de rest van de Japanse bevolking mocht sinds de katana-gari (刀狩, zwaardenjacht), die Toyotomi Hideyoshi in 1588 had bevolen, geen wapens meer dragen.[3]
De samurai hadden ook het recht om mensen uit een lagere klasse te doden als zij hen onrespectvol behandelden of hen teleurstelden. Dit werd kirisute gomen (切捨御免) genoemd, maar waarschijnlijk werd dit slechts zelden uitgeoefend.
Ten slotte hadden de bushi ook het privilege om een voornaam te hebben.
Plichten
Aangezien de samurai de leidende klasse was, moesten ze er altijd op hun best uitzien, om zo een voorbeeld te stellen aan de lagere klassen van de bevolking. Dit hield onder andere in dat hun uitrusting steeds goed onderhouden moest zijn, en als zij deze niet aanhadden, dan gingen de samurai altijd gekleed in mooie kleren. Ook moesten ze zich anders kleden naargelang de situatie. Daarnaast werd ook het haar van de bushi goed verzorgd.
Dit alles was vanzelfsprekend niet kosteloos.
Omdat de bushi in de eerste plaats krijgers waren, werden ze verplicht altijd klaar te zijn voor de strijd. Concreet hield dit in dat ze hun wapens en wapenrusting in perfecte staat moesten houden, en ze moesten zorgen dat ook hun gevolg gevechtsklaar was. Bovendien was het bij wet bepaald hoeveel manschappen een samurai van een bepaalde rang moest onderhouden, en welke uitrusting deze moesten dragen. Het is dan ook niet vreemd dat dit vooral voor de laagste klasse van de samurai alles behalve vanzelfsprekend was. Extra loon krijgen was niet evident, aangezien promoties in de Edo-periode niet vaak voorkwamen, omdat er geen grote oorlogen meer waren. Daarom moesten vele samurai een alternatieve vorm van inkomsten vinden. Dit zal ook worden besproken in het onderdeel "Levenswijze".
Sankin kōtai-sei
De daimyō werden door het bakufu ook verplicht om op regelde tijdstippen naar Edo (het huidige Tōkyō) te reizen, en daar 1 op de 2 jaar te wonen. De familie van de daimyō werd zelfs verplicht om voltijds in Edo te verblijven.
Dit systeem werd sankin kōtai-sei (参勤交代制) genoemd, en had als doel dat de shōgun rechtstreekse controle kon uitoefenen op zijn vazallen.[4]
De shōgun kon immers de daimyō controleren als ze in Edo waren, maar had ook de familie van de daimyō als gijzelaar, voor het geval één van hen toch in opstand zou komen. Verder werden de vazallen financieel enorm belast, omdat ze met een heel gevolg elk jaar een tocht van of naar Edo moesten maken. Bovendien moesten ze ook twee residenties onderhouden in plaats van één (namelijk één in Edo en één op hun eigen han). Het systeem zorgde er ook voor dat de daimyō steeds op de hoogte waren van de nieuwe wetten en besluiten die het bakufu had uitgevaardigd.
Levenswijze
Ondanks al hun rechten, plichten en prestige waren de samurai in de Edo-periode krijgers zonder oorlogen om in te vechten. Zoals al bleek uit de vorige paragrafen, was het leven van een samurai duur. De samurai kregen wel een loon van het bakufu, maar dit loon steeg niet, ondanks dat het leven duurder werd. De bushi moesten dus andere inkomsten zoeken.
Sommigen konden in hun behoeftes voorzien dankzij de grond die ze bezaten, anderen werkten als ambtenaar. Nog anderen, zoals de rōnin, moesten hun inkomen verdienen door les te geven in gevechtstechnieken of in tempelscholen, lijfwacht (yōjimbō, 用心棒) te zijn voor rijke heimin, aan landbouw te doen of een ambacht uit te oefenen. Onder andere het maken van parasols was een populair bij de armere samurai. [5]
Sommigen moesten zelfs gaan lenen bij de handelaars, die ze zo verachtten.
Nog anderen gebruikten hun vrije tijd om na te denken over de geschiedenis van bushi-klasse, hun rol in de Japanse geschiedenis en hun ethische codes. Zij schreven het bushidō, een beschrijving van de ideale levenswijze van de samurai, met voorschriften over hoe bushi zouden moeten handelen, leven, ...
De meeste samurai leefden in de Edo-periode in steden, vaak kasteelsteden (in het Japans jōkamachi (城下町) genoemd). Ook hier werd er een onderscheid gemaakt in rang: hoe dichter een samurai bij het kasteel woonde, hoe hoger zijn rang.
Militair en Politiek
Nadat de Tokugawa Japan eengemaakt hadden, waren er geen grote oorlogen meer in Japan. Ook het aantal opstanden werd tot een minimum beperkt, door middel van een aantal maatregelen.
De katana-gari, de zwaardenjacht, had het voor de lagere lagen van de bevolking bijna onmogelijk gemaakt om nog een opstand te beginnen.
De daimyō werden - zoals al gezegd - onder controle gehouden door de sankin kōtai-sei; daarnaast had Tokugawa Ieyasu de bushi die hem hadden gesteund, de beste en strategisch belangrijke gronden gegeven. De anderen waren overgeplaatst naar andere gebieden, die minder vruchtbaar waren en geen strategisch belang hadden.[6]
Verder moesten de daimyō ook veel 'donaties' geven aan het bakufu, die dan gebruikt werden om kastelen te bouwen en te onderhouden. Hierdoor hadden ze nog minder financiële middelen (want de sankin kōtai-sei kostte de daimyō ook handen vol geld). Ten slotte mochten daimyō niet ingrijpen in het han van een andere.
Ook de communicatie werd bemoeilijkt: zo werden er nauwelijks bruggen gebouwd, en waren voertuigen met wielen verboden (zogezegd omdat ze de wegen zouden beschadigen).
Door al deze maatregelen waren er nauwelijks opstanden. Er was echter ook een keerzijde aan de medaille: het bakufu kon slechts traag reageren op de opstanden die wel de kop opstaken. Zo was er de opstand in Shimabara: de rebellen konden aanvankelijk ongestoord werken, aangezien de daimyō in de buurt niet mochten ingrijpen (dat was immers verboden), de communicatie zeer traag was (zodat het lang duurde voor het shōgunaat van de opstand op de hoogte werd gebracht) en door de moeilijkheden in transport (waardoor het leger van het bakufu er lang over deed om in het opstandig gebied aan te komen).
Voetnoten
- ↑ Eén koku is ongeveer 180 liter.
- ↑ S.R. Turnbull zegt in zijn boek The Samurai, a Military History dat “een hatamoto die 1000 koku verdiende, 1 haakbusschutter, 1 boogschutter, 5 zwaardvechters en 5 bedienden (die niet tot de samurai-klasse behoren) moest onderhouden.
- ↑ Uiteraard was de gewone bevolking niet opgezet met de katana-gari, maar Hideyoshi had beloofd om uit het metaal een Boeddhabeeld te maken. Hierdoor zou het volk ook rust kennen in het volgende leven, naast de vrede die een ontwapening met zich meebracht.
- ↑ De sankin kōtai-sei had ook als voordeel dat het wegennet in Japan verbeterd werd, omdat de daimyō er veel moesten over reizen. Zo ontstonden onder andere de shukubamachi (宿場町). Deze verbetering hield wel niet in dan de wegen echt goed werden. Zo werden er veel bruggen afgebroken om opstanden te vermijden.
- ↑ De nevenactiviteiten van de samurai waren eigenlijk door het bakufu verboden; de samurai mochten zich officieel enkel bezighouden met bestuurlijke aangelegenheden, militaire oefeningen en literaire studies.
- ↑ Het confisceren of verkleinen van de han van de daimyō, werd ook kaieki (改易) genoemd.
Bronnen
Gespecialiseerde Boeken
- Ratti, Oscar en Westbrook, Adele. Secrets of the Samurai, Edison (NJ): Castle Books, 1999
- Turnbull, Stephen Richard. The Samurai: A Military History, London: Osprey Publishing Limited, 1977
- Turnbull, Stephen Richard. Samurai Warriors, Londen: Blandford Press, 1987
- Turnbull, Stephen Richard. Warriors of Medieval Japan, Oxford: Osprey Publishing, 2005
- Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power, Leuven: Acco, 2007
- Varley, H.Paul; Morris, Ivan en Morris, Nobuko. The Samurai, Londen, The Trinity Press, 1970
Algemene Naslagwerken
- Japan: An Illustrated Encyclopedia, Tōkyō: Kodansha LTD, 1993
- Kodansha Encyclopedia of Japan, Tōkyō: Kodansha LTD, 1983
Andere
- Kesteloot, Chris. 'Cursus: Sociaal-Economische Geografie van Japan'. Leuven, 2007.

