Samurai doorheen Meiji-omwenteling
Uit GeschiedenisJapan
Dit artikel handelt over hoe het toch is kunnen gebeuren dat de Samurai, die vòòr de Meiji-periode zo'n hoog aanzien en zoveel macht hadden, even laag zijn gevallen dan de gewone burgers. De oorzaken hiervan worden hier uitgebreid uit de doeken gedaan.
Inhoud |
Samurai vòòr 1853
|
Vanaf de 17e eeuw tijdens het vredige Tokugawa-shogunaat, waren de functies die de samurai bekleedden meer en meer op bureaucratisch en administratief vlak toegespitst in vergelijking met vroeger, toen de Samurai voornamelijk strijders waren. Ze bleven nog steeds de voornaamste dienaars van hun daimyo, maar dit werd nu minder en minder militair opgevat. Hun katana (刀) en wakizashi (脇差) werden ook doorheen deze periode meer symbolisch gezien dan als effectieve gebruiksvoorwerpen. De samurai werden desondanks door het gewone plebs nog steeds zeer hoog aanzien, hun sociale status was tenslotte niet veranderd. Ze hadden nog steeds het recht om over het leven van een gewone burger te beslissen als die in hun opinie niet genoeg respect toonde. De Bushido (武士道) (Code van de samurai) was ook nog steeds onveranderd het ideaal waar de hoog aanziene samurai zich aan hielden. Deze Samurai waren dus niet vergelijkbaar met de Europese aristocratie in de Middeleeuwen, die grotendeels enkel op macht en eigen comfort uit waren. Dit rustige deel van de Tokugawa-periode bleef echter niet rustig voor de Samurai. Er was al sterke onrust omtrend de opium-oorlog in China, waarin een Westerse mogendheid (Groot-Brittanië) China helemaal had kunnen vermorzelen op militair vlak. Voor Japan, die China op dat moment beschouwde als grote broer, was dit een grote schok. Deze 'onrust' mondde echter uit in een crisis, toen op de derde dag van de zesde maand (in onze jaartelling 8 juli) van 1853 er 4 oorlogsbodems (waarvan Matthew Calbraith Perry commodore was) de haven van Uraga kwamen binnenvaren. Niets kon de Amerikaanse schepen tegenhouden, het idee dat samurai op militair vlak heel waardevol waren werd op ruwe manier aan diggelen geslagen. |
</tr> |
Opening van de grenzen in 1854 en directe gevolgen
Hitotsubashi-ha <-> Nanki-haDe oorlogsschepen, die in 1853 onder leiding van Matthew Perry een vriendschapsverdrag eisten, kwamen een jaar later op 13 februari 1854 terug om het antwoord op deze eis te weten. Op 31 maart werd zo het Amerikaans-Japanse vriendschapsverdrag gesloten. Dit was het eerste in een lange rij van zulke verdragen met grote Westerse mogendheden, en daarmee eindigde het Japanse isolement definitief. Vanaf dan begonnen westerse invloeden Japan aan 'sneltreintempo' binnen te dringen. De meeste Japanners waren radicaal anti-buitenlands ingesteld, en was dus heel erg tegen dit vriendschapsverdrag gekant. In 1858 vonden de onderhandelingen plaats waarbij Townsend Harris, de belanrijkeste Amerikaanse vertegenwoordiger (consul-generaal), concrete afspraken over het vriendschapsverdrag op papier wilde. Daarbij kwam dat Shogun Tokugawa Iesada door zijn ziekte in kritieke toestand was. Omdat hij geen nageslacht bezat moest er een opvolger gezocht worden. Hierbij ontstonden twee kanten die elk een andere opvolger nastreefden. Aan de ene kant stond de Hitotsubashi-ha (一橋派) die Hitotsubashi Yoshinobu (一橋慶喜) als nieuwe Shogun voordroegen. Zij werden vooral gesteund door de machtige Han Mito, Tosa, Satsuma, Uwajima en Echizen o.a. Aan de andere kant stond de Nanki-ha (南紀 派). Zij wilden de neef van de huidige shogun, Tokugawa Yoshitomi, op de troon. (die was echter nog maar twaalf jaar oud.) De Nanki-ha werd vooral gesteund door de familie en entourage van Shogun Iesada. Toen Ii Naosuke, Fudai-Daimyo en aan de kant van de Nanki-ha zijnde, regent werd, besliste die om Tokugawa Yoshitomi als 14e Shogun van het Tokugawa-tijdperk te benoemen. De Hitotsubashi-ha konden hier niet in het minst om lachen. Dit had hevig verzet van de Hitotsubashi-ha als gevolg, dat gesterkt werd door de goedkeuring van de keizer.(Het Bakufu had vele handelsverdragen afgesloten zonder diens toestemming) Het Bakufu trad echter heel streng tegen deze opstanden op en zette de grote figuren van de Hitotsubashi-ha onder huisarrest of veroordeelde sommigen tot de doodstraf of dwangarbeid. Als reactie hierop werd over de grenzen van de Han heen een groepering gevormd van lagere samurai, meesterloze samurai, grondbezitters en handelaars die streefden naar het neerhalen van het Bakufu en het wegjagen van de Gaijin (buitenlanders). In hun beroemdste actie, de zogenaamde Sakuradamon-gai no hen (桜田門外の変) vermoordden ze Ii Naosuke nabij de Sakurada-poort. Bij al deze conflicten zijn het de (meestal lagere) samurai die in deze schermutselingen worden ingezet door hun Han, na enkele generaties van vrede. Het is nogal paradoxaal dat door de openstelling met het moderne buitenland, de samurai terug moeten strijden zoals voor de Tokugawa-periode eeuwen daarvoor. De opstandige samurai beperken zich echter niet enkel tot de Han die de Hitotsubashi-ha het sterkst aanhingen, maar het begon zich steeds verder uit te breiden. De reden daarvoor was dat het Bakufu steeds hun inkomen verlaagde omdat de regering geld tekort had voor delegaties naar het Westen. Dit in combinatie met regelmatige prijsstijginging veroorzaakte bij deze verarmende samurai-klasse grote woede. Sonnô-Jôi <-> Kôbu-GattaiDe moord op Ii Naosuke had niet zo'n groot effect op de onrust in Japan. In die periode waren er twee vormingen van groeperingen merkbaar. Langs de ene kant had je de Kôbu-Gattai beweging, die streefde naar een alliantie tussen de hofaristocratie en de militaire elite. Aan de andere kant bevond zich de Sonnô-Jôi beweging. Hun slogan was:'Eer de monarch, verdrijf de barbaren'. De lagere samurai, boeren en handelaars bleven steeds meer benadeeld door langs de ene kant de lagere salarissen (door de stijging in uitgaven naar het buitenland toe) en langs de andere kant de stijging van prijzen van inheemse producten als gevolg van de oneerlijke concurrentie met westerse producten. Het enige wat ze konden doen was actie ondernemen, onder de leuze Sonnô-Jôi. Deze opstanden werden echter brutaal neergeslagen. Aanvankelijk waren de twee machtigste Han, Satsuma en Chôshû sterke pionnen in de rangen van de Sonnô-Jôi, maar na enkele rechstreekse conflicten tussen hen en de Britten veranderden ze hun mening radicaal. Ze beseften dat old-fashioned samurai niet tegen dit modern geweld opkonden. Vanaf dit moment waren Chôshû en Satsuma de grootste stimulansen van een nieuwe regering. Het bakufu verloor hoe langer hoe meer macht. Door de ontwikkelingen kreeg de Hitotsubashi-ha en de machtigste Han meer macht binnen het Bakufu. Dit betekende een grote hervorming van het Bakufu, de Bunkyû no kaikaku(文久の改革)genaamd. Hierdoor kregen de hoogst geplaatste samurai uit die machtige Han een mooie politieke functie. De machtigste samurai uit die periode waren ongetwijfeld Saigō Takamori 西郷隆盛 en ōkubo Toshimichi 大久保利道 (uit Satsuma). |
Meiji(明治)-restauratie in 1867
Door de grote tegenstand door de Han en diens steeds autonomer wordende handel met Westerse mogendheden, verbrokkelde de macht van het Bakufu. Hierbij bleven de boerenopstanden voortduren, wat tot een chaos leidde. Om een uitweg uit de chaos te bieden, bood de voormalige heer van Tosa, Yamanouchi Toyoshige (山内豊信), een oplossing aan. Shogun Yoshinobu werd voorgesteld dat hij zijn bevoegdheden aan de Keizer zou overdragen (Taisei Hôkan) en dat onder de supervisie van de Keizer een Hogerhuis zou opgericht worden, bestaande uit aristocraten en daimyô's, en een Lagerhuis bestaande uit samurai en vertegenwoordigers van het gewone volk. Binnen dit stelsel zou de huidige Shogun de functie van eerste minister bekleden. Yoshinobu aanvaardde dit voorstel en gaf op de 14de dag van de 10de maand van 1867 zijn macht terug aan Keizer Mutsuhito. Veel samurai hadden hiervoor gestreden, maar heeft het hen vooruit geholpen?
Nieuw bestuur
De zaken liepen echter niet zoals aan Tokugawa Yoshinobu was voorgesteld. De radicale anti-Bakufu-Han pleegden een kleine staatstgreep die leidde tot een kleine burgeroorlog tussen anti-Bakufu en de kleine groep Bakufu-getrouwen. De troepen die voor het Bakufu vochten waren echter helemaal niet opgewassen tegen de moderne uitgeruste strijdmachten van Chôshû en Satsuma. Yoshinobu gaf zich gewonnen en het kasteel van Edo werd opgegeven. Yoshinobu werd verbannen naar Mito, de laatste Tokugawa Shôgun was verleden tijd. (hij werd gedegradeerd tot gewoon daimyô)
In het nieuwe bestuurd stond keizer Mutsuhito (na zijn dood hernoemd naar Meiji) aan het hoofd. Vele hooggeplaatste samurai uit onder andere Satsuma, Chôshu, Tosa en Echizen hadden ook een zeer aanzienlijke macht.
De eed in Vijf Artikelen
Keizer Meiji proclameerde op de 14e dag van de derde maand van 1868 vijf artikelen (die een hooggeplaatst samurai-politicus uit Echizen had opgesteld) waarin de principes van het nieuwe bestuur werden vastgelegd. De belangrijkste punten waren de openstelling voor het buitenland en de afschaffing van het onderscheid tussen de rangen en klassen. Dit kondigde het begin aan van de ontmanteling van de samurai-klasse. De hogere samurai, die goede politieke posities hadden verworven, trof dit niet zo erg. Degenen die het meest hadden gevochten voor de revolutie daarentegen, de lagere samurai, werden het grote slachtoffer... Het afschaffen van het onderscheid tussen Samurai en gewone burgers ging geleidelijk. Doordat er een modern, dienstplichtig leger werd samengesteld en later ook politie, waar samurai geen plaats in hadden, verloren die helemaal hun militaire waarde. Er werd ook een centralisatie van het bestuur doorgevoerd, waarbij de Han zogezegd aan de troon werden teruggegeven(Hanseki hōkan 藩籍奉還). Hierbij werd het klassenstelsel volledig herzien. De Daimyō's van elke han hielden wel het leiderschap van hun domein, maar samen met hofedelen werden ze in een nieuwe klasse ondergebracht (kazoku). Het verschil met hun vorige klasse was dat hun leiderschap niet meer erfbaar werd. Samurai die hun heer dienden hadden dus ook geen blijvende zekerheid meer op een hoge positie als een nieuwe heer aan het hoofd van hun domein kwam te staan. De samurai-klasse zelf werd nu echt afgeschaft, zij werden nu Shizoku. Boeren, ambachtslieden en handelaars werden alle gewone burgers (heimin 平民). Gewone burgers kregen nu ook het recht een familienaam te hebben en te huwen met iemand uit een hogere klasse.
Om het uiterlijk onderscheid tussen shizoku en heimin kleiner te maken, werd in 1871 het Decreet op de haarsnit (sanpatsu-rei 散発令) uitgevaardigd, dat de haarsnit vrij liet en de dracht van zwaarden verbood. Dit decreet werd maar matig opgevolgd. Daarom diende men in 1876 een strenger decreet uit te vaardigen: het Decreet op de afschaffing van de zwaarddracht (haitō-rei 廃刀令). Zo werd het zichtbare onderscheid tussen de gewone burgers en shizoku vrijwel tot nihil herleid. Dit bracht een enorme deuk in hetgene wat voor samurai het belangrijkeste was, hun eergevoel. Het laatste dat de 'samurai' nog over hadden, hun verzekerde inkomen, moest ook voor de bijl. Eerst werden de feodale stipendia en salarissen vervangen door karoku 家録, die iets lager lagen dan wat onder het Bakufu normaal was. Omdat deze salarissen zo veel op de staat weegden boden ze de shizoku aan om hun salarissen in één keer af te kopen door hen ineens het salaris voor 4 à 6 jaar uit te betalen. De helft van deze afkoopsom werd daarbij ook nog eens in staatsobligaties betaald, wat helemaal niet veel zekerheid bood voor de jongere ex-samurai. Weinigen kozen dus voor deze mogelijkheid. Even later werd er nog een grote hervorming doorgevoerd met betrekking tot de salarissen. Alle salarissen en stipendia, tot op dat ogenblik nog steeds uitgedrukt in maten rijst, of in een equivalent van de prijs van rijst, werden voortaan berekend en uitgedrukt in geld, onafhankelijk van de schommelende rijstprijs. Ook de uitkeringen gebeurden voortaan in contant geld, of nog vaker, in staatsobligaties. Het gevolg van dit alles was dat de shizoku-klasse helemaal verarmde. Omdat ze vroeger als krijger waren opgeleid hadden ze heel veel moeite met het uitoefenen van een nieuwe job. De ontevreden samurai, waarbij de onmacht hen te sterk werd, organiseerden tal van kleine opstanden, die telkens gemakkelijk werden neergeslagen door het moderne leger van de regering.
Seinan-rebellie
|
Saigō Takamori, die uit de regering was gestapt omdat zijn plannen voor een oorlog tegen Korea niet de nodige steun kregen, riep alle onteverden ex-samurai op tot een grote opstand tegen de regering. Deze opstand, bekend als de Seinan-rebellie (Seinan no ran 西南の乱), werd door het moderne staatsleger meedogenloos neergeslagen. Het was de laatste opstand van ontevreden samurai. Op deze opstand is de film 'The Last Samurai' gebaseerd, die uit historisch punt gezien wel heel wat juiste dingen bevat (Natuurlijk niet helemaal juist, het blijft geproduceerd door Hollywood). In elk geval kan deze gebeurtenis wel gezien worden als hèt einde van de samurai. Vanaf dan legden ze zich algemeen neer bij de moderne miltaire overmacht. Ze vonden echter wel een andere manier om hun rechten te verdedigen, langs de politieke kant. |
http://www.bujinkan-duisburg.de/images/saigo.jpg Saigō Takamori |
Bronnen
Vande Walle, Willy en Coppens, Hans, Geschiedenis van het Moderne Japan, Cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Geschiedenis van het Moderne Japan', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 2003
http://news.3yen.com/2005-03-31/black-ships-black-ships/
Matsuoka, Takashi. Samoerai. Utrecht:A.W. Bruna Uitgevers B.V, 2003. (Ter documentatie gelezen)

