Sakoku

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Japan was gedurende meer dan twee eeuwen bijna volledig afgesloten van de buitenwereld. Handel was alleen toegestaan met de Nederlanden en met China, enkel in de haven van Nagasaki. Deze politiek van isolatie noemt men Sakoku (鎖国) wat letterlijk 'gesloten land' betekent.

Contacten met het buitenland in de beginjaren van het Tokugawa Bakufu

Oda Nobunaga

Toen de Portugezen als eerste westerlingen voet aan land in Japan zetten in 1543, werden ze met open armen onthaald. De Japanners verbaasden zich enorm over de westerlingen en hun technologie, en importeerden die graag. Zo zagen ze bijvoorbeeld vuurwapens als een waardevolle toevoeging, en veel daimyō aarzelden niet om hun leger ermee uit te rusten. Samen met de Portugezen kwamen missionarissen aan in Japan, en ook zij werden in het begin enthousiast verwelkomd. Oda Nobunaga zag het christendom als een tegengewicht tegen de naar zijn zin te invloedrijke boeddhisten, en omdat duidelijk was dat de Portugezen de missionarissen steunden, werd missionering aanmoedigen een manier om de handel met Portugal veilig te stellen. De missionarissen waren dus succesvol, en het christendom verspreidde zich snel in Japan. Volgens schattingen van de Jezuïeten werden tussen 1550 en 1614 bijna 1.000.000 mensen bekeerd.

Ieyasu, de eerste Tokugawa shōgun, was even enthousiast in het promoten van buitenlandse handel. Hij had goede contacten met de Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders en Engelsen, die het voorbeeld van de Portugezen hadden gevolgd en ook handel met Japan begonnen waren in respectievelijk 1608 en 1613. De Engelsen gaven echter na tien jaar de concurrentie met de VOC op en stopten met hun Japanse handel.

Japanners waren echter ook zelf actief. Het Bakufu gaf licensies voor koopvaardijschepen, het zogenaamde 'vermiljoenzegel'. Tussen 1604 en 1635 werden ongeveer 10 reizen per jaar onder dit zegel ondernomen. Aangezien het zeeverkeer toen nog enorm traag ging, is dit zeer veel. Deze schepen gedroegen zich soms echt als piraten (1), en na veelvuldig protest van andere landen werd het aantal reizen verminderd naar 4 per jaar. Sommige daimyō stuurden ook op eigen initiatief handelsschepen uit. Japanners vestigden zich in het buitenland, er ontstonden Japanse nederzettingen op de Filipijnen, Java, Maleisië, ...

De afzondering

Maar aan deze periode van gerichtheid op het buitenland zou vrij abrupt een einde komen. De politiek van afsluiting is nauw verbonden met de strijd tegen de christenen. De christelijke doctrine strookte niet met de Japanse manier van leven: het idee van gelijkheid staat lijnrecht tegenover de feodale structuur van de Japanse staat, en ethisch gezien was het moeilijk te verenigen met de code van de samurai. Naarmate het aantal christenen groeide, werden ze steeds meer als een bedreiging gezien. De Japanse leiders wantrouwden de katholieke kerk, waarop ze geen enkele invloed hadden, en de band die deze had met Portugal en Spanje. De missionering werd gezien als een manier van deze landen om controle te verwerven over de binnenlandse aangelegenheden van Japan.

Hoewel het christendom in 1612 al officieel verboden was, kwam de christenvervolging pas echt goed op gang na de dood van Ieyasu in 1616. Missionarissen werden het land uitgezet, christenen die hun geloof niet wilden afzweren werden vermoord, net als missionarissen die ondergedoken waren. Nadat in 1622 de Shōgun meer redenen had gekregen om de Spanjaarden ervan te verdenken invloed in Japan te willen verwerven, werd de christenvervolging nog intenser. Tegelijkertijd werden alle Spanjaarden het land uitgezet en werd het Japanners verboden nog naar het buitenland te reizen.

Dit werd verdergezet met verschillende decreten. In 1633 werd een edict uitgevaardigd dat handel verbood zonder toestemming van het bakufu (het vermiljoenzegel). De handel met het buitenland was al beperkt tot Hirado en Nagasaki in 1616, en om contact met de bevolking nog meer te vermijden, werden in 1636 alle Europese residenten van Nagasaki verbannen naar het kunstmatig eiland Deshima. Dit waren aanvankelijk enkel Portugezen, maar na het sluiten van Hirado kwamen ook de Nederlanders hier terecht.

Maar de aanleiding tot volledige isolatie was de Shimabara-revolte in 1637. Dit was een opstand van boeren, gesteund door rōnin en soldaten, gericht tegen de onderdrukking door de daimyō. Hoewel de opstandelingen wel hoofdzakelijk christenen waren, was dit niet de christelijke poging om de macht over het land te verwerven die het bakufu ervan maakte. Het bakufu zag hierin zijn vermoedens bevestigd, en het gaf een voorwendsel om hun politiek van isolatie verder door te voeren. In 1639 werd de definitieve isolatie afgekondigd. Alle Portugezen werden verbannen uit Japan en Portugese schepen werden niet meer toegelaten in de haven. Japanners die naar het buitenland reisden, of wilden terugkeren vanuit het buitenland, kregen de doodstraf. Er kwam een verbod op het bouwen van schepen die geschikt waren voor zeereizen. Het enige toegestane contact met de buitenwereld was de gecontroleerde handel met de Nederlanders en de Chinezen in Nagasaki.


Reden voor de afsluiting

Uit de tekst van alle isolationistische edicten blijkt dat ze uitgevaardigd zijn om het christendom uit te roeien. Dit kan echter onmogelijk de enige reden zijn. Tegen 1639 was het christendom al zo goed als uitgeroeid, en werd het enkel ondergronds beleden. Het kon gemakkelijk gecontroleerd worden zonder zulke drastische maatregelen. Het bakufu zag het christendom natuurlijk wel als een bedreiging, zeker omdat de band tussen Portugal en de Kerk sterk overdreven werd door de protestantse Verenigde Provinciën, die natuurlijk graag het monopolie op de handel wilden verwerven.

scene van de slag van Sekigahara

Het Tokugawa bakufu was een nieuw regime, en verre van zeker van zijn positie. De slag van Sekigahara was nog geen 40 jaar geleden, en de Tokugawa waren beducht voor een opstand van de Tozama daimyō(2). Het bakufu probeerde hen dat op alle mogelijke manieren onmogelijk te maken, en het verbieden van buitenlandse handel was er een van. Een daimyō die veel geld verdiende met de handel, daardoor de macht en het geld had om een goed leger uit te rusten, misschien de steun inriep van een westerse mogendheid en zo het bakufu omverwierp was zeker geen onrealistisch scenario, en het bakufu wilde dat vermijden. Sakoku paste in een hele politiek van maatregelen om de daimyō onder controle te houden. Zo voerden ze ook het Sankin Kōtai systeem in, wat een daimyō verplichtte om elk jaar een (dure) reis naar de hoofdstad te maken en zijn familie achter te laten als gijzelaars, waardoor ze ook twee huizen moesten onderhouden. Het was de bedoeling ervoor te zorgen dat de daimyō gewoon niet in de mogelijkheid zouden zijn om een opstand te financieren.

De handel was enkel toegestaan in de haven van Nagasaki die onder de rechtstreekse controle viel van het bakufu. Hierdoor konden ze de handel goed in het oog houden. Dit verzekerde het bakufu er ook van dat alle winsten van de handel rechtstreeks naar hen zouden gaan.

En natuurlijk is het feit dat Japan een eiland is ook niet volledig vreemd aan zijn isolationistische politiek. Om te beginnen omdat dit het afdwingen van zo'n politiek een stuk simpeler maakt, in een land met uitgestrekte grenzen als China is dit vrijwel onmogelijk. Japan was een zelfvoorzienend land, en het had de handel dus niet nodig. Verder is er natuurlijk altijd een eilandmentaliteit, die ervoor zorgt dat dit gemakkelijker in te voeren is, net zoals Engeland zich ook afzet van het vasteland.

De periode van afsluiting

Leven tijdens de isolatie

Hoewel de politiek van de Tokugawa erop gericht was zo weinig mogelijk binnenlandse veranderingen mogelijk te maken, stond het leven in Japan tijdens de isolatie natuurlijk niet stil. Integendeel, door de tweehonderd jaar durende periode van vrede onder het bewind van het Tokugawa bakufu verhoogde de levensstandaard en ontstond er in de steden een rijke cultuur.

Het bakufu verbood buitenlandse handel, maar de binnenlandse handel kwam tot een ongekende bloei. Door het Sankin Kotai systeem verbleef er altijd een groot aantal rijke daimyō en samurai in de steden. Vermits zij niet werkten, dat hoorde niet voor de hoogste klassen, was er een heel leger aan mensen nodig om hen in hun behoeften te voorzien. Zij gaven enorm veel geld uit aan luxegoederen en entertainment, en zorgden zo voor het ontstaan van een 'nieuwe' klasse: de chōnin, oftewel de rijke stedelingen. Dit waren vooral ambachtslui, die goed geld verdienden aan de neiging tot luxe van de daimyō, en handelaars, die profiteerden van de florerende geldeconomie. De feodale maat van rijkdom was immers rijst, maar door het verschuiven van het belang naar de steden, werd het belangrijkste betaalmiddel geld. Tijdens het wisselen van rijst naar geld werd er ook winst gemaakt. Zo werden de stedelingen altijd rijker, en zij gaven hun geld ook graag uit. Over heel het land ontstonden dus industrieën om te voldoen aan de groeiende vraag naar producten in de steden. Zo ontstond er zijde-industrie in Kyōto, Fukuoka, Sendai, werd de keramiekproductie groot in Arita en Kutani, kwamen er sake-brouwerijen in de buurt van Osaka,...

Ook het binnenlands transport ging er sterk op vooruit. Door de verplichting van de daimyō om regelmatig naar de hoofdstad te reizen was er een voortdurend transport van mensen en goederen in en uit Edo, en de 'Vijf Hoofdwegen' werden aangelegd: de Tokaido naar Kyōto langs de kust, de Nakasendō naar Kyōto door de bergen, de Koshukaidō naar Kofu, de Nikkōkaidō naar Nikkō, en de Oshukaidō naar Noord-Japan. Langs deze weg werden stopplaatsen ingericht waar de daimyō konden overnachten op weg naar Edo, of waar koeriers van paard konden wisselen. Soms groeiden deze etappeplaatsen uit tot steden. Deze reizen kostten de daimyō veel geld, en ze stimuleerden zo ook de economische groei.

Dit alles had tot gevolg dat er een cultuur van rijke stedelingen ontstond, die veel geld hadden en dat graag uitgaven, aan theater, kunst, accessoires,... Ze hielden van vrolijke kleuren en realistische uitbeeldingen van het stadse leven, de beroemde ukiyo-e, of kunst van het vlietende leven. Deze mooie kleurprenten waren enorm populair, en de grote kunstenaars zoals Hokusai, Hiroshige, Harunobu, Utamaro, ... zijn ook bij ons in het westen bekend. Ook de literatuur en het theater kwam tot bloei, met als bekendste artiesten respectievelijk Saikaku en Chikamatsu, zij schreven voor hun publiek van stedelingen romantische verhalen of tragedies vol helden. Deze periode van culturele bloei wordt Genroku genoemd.

Rangaku

Het land was dan wel politiek gezien tot stilstand gekomen, maar net zoals het sociaal gezien verder bleef evolueren stond ook de wetenschap niet stil. Via de Nederlandse nederzetting op Deshima hadden de Japanners mondjesmaat toegang tot westerse boeken. Vandaar de naam voor het verwerven van westerse kennis, rangaku, of Nederlandse studie.

Het invoeren van boeken was nooit verboden door het shōgunaat, met een uitzondering voor boeken die christelijke propaganda bevatten. Dit werd wel zeer ruim opgevat, boeken geschreven door Jezuïeten en elk boek met de minste verwijzing naar het christendom, zelfs een enkel woord zoals 'katholicisme', werd in beslag genomen. Maar vanaf 1720 verbeterde de sfeer voor buitenlandse studies. Shōgun Yoshimune vaardigde toen een edict uit waarin hij het invoeren van buitenlandse boeken toeliet zolang ze het christendom niet propageerden. Vanaf nu konden de Japanse geleerden in relatieve vrijheid hun westerse studies voortzetten.

Belangrijke personen hier zijn Hiraga Gennai, Otsuki Gentaku en Sugita Gempaku. Toen deze laatste een dissectie op een crimineel verichtte, zag hij dat er veel fouten zaten in de traditionele geneeskunde en dat de westerse beschrijving van het menselijk lichaam veel accurater was. Dit leidde ertoe dat er meer westerse boeken vertaald en gepubliceerd werden, aangezien de westerse wetenschap duidelijk verder stond. De studie van deze boeken werd natuurlijk bemoeilijkt door het taalprobleem, maar dit belette hen niet. Woord per woord, zin per zin worstelden zij zich samen met tolken door deze boeken, zoals beschreven staat in 'rangaku kotohajime' (het begin van de Nederlandse studie) van Sugita Gempaku.

Niet enkel via boeken, maar ook door de jaarlijkse reizen die de Nederlanders van Deshima naar Edo maakten om de shōgun te bezoeken hadden de Japanse wetenschappers toegang tot westerse kennis. De Nederlanders brachtten meestal geschenken, waaronder boeken, mee voor de shōgun en de Japanse wetenschappers konden hen ook uitvragen terwijl ze in Edo verbleven.

Dankzij al deze contacten werd de Japanse wetenschappelijke kennis constant verbeterd, en vreemd genoeg is de periode van afsluiting, meer dan de periode van groot contact ervoor, de periode waarin de westerse wetenschap zijn weg vindt in de Japanse samenleving.

Pogingen tot doorbreken van de isolatie

Zoals hierboven beschreven was de afsluiting van het land zeker niet volledig, en al vanaf het begin zijn er pogingen ondernomen om deze te doorbreken, zowel van binnenuit als van buitenuit.

Al in 1640 legde een Portugees schip aan in Japan om het shōgunaat te smeken de handel te hervatten. De stopzetting door Japan het jaar voordien had de Macao handel zwaar aangetast, en daarom had de senaat van het eiland het risico genomen de Japanners te vragen hun beslissing te herzien. Dit werd echter zwaar afgestraft: hun schip werd verbrand, en het overgrote deel van de bemanning kreeg de doodstraf. De overlevers werden teruggestuurd naar Macao zodat ze verslag konden uitbrengen over de wetgeving van Japan en de straf die stond op het overtreden ervan. Dit was natuurlijk helemaal in het begin van Sakoku, toen het bakufu nog duidelijk moest maken dat de wet er was om nageleefd te worden. De volgende illegale bezoekers van Japan werden nooit meer zo zwaar gestraft.

Gedurende de hele periode van isolatie bleef de angst voor het christendom en inmenging van de Katholieke Kerk via katholieke staten er diep inzitten.Zo werden er bijvoorbeeld nog regelmatig christenjachten georganiseerd. En toen de Engelsen in 1673 terugkwamen om de handelsbetrekkingen te herstellen, weigerde het bakufu, dat eerst wel geneigd was tot een positief antwoord, toen het te weten kwam dat de Engelse koning getrouwd was met een Portugese prinses.

In 1777 landden Russen op de Koerilen. Ze vroegen om handel te openen met Japan, maar kregen te horen dat het verboden was, maar dat ze altijd nog eens in Nagasaki konden proberen. Door de Russisch-Turkse oorlog werd dat plan een tijdje opgeborgen, tot in 1792 luitenant Laxman op bevel van de gouverneur van Siberië terugkwam. Hij onderhandelde over een handelsakkoord, maar het antwoord was een duidelijke nee. Het was tegen de Japanse wet, hij zou kunnen gearresteerd worden, maar deze keer werd het hem vergeven omwille van zijn onwetendheid. Rusland moest het echter niet nog eens proberen. Als ze handel wilden moesten ze naar Nagasaki gaan en daar toestemming vragen, de enige haven die openstond voor handel. Dit gaf Japan een eerste idee van de bedoelingen van de buitenlanders, en kustverdediging werd versterkt uit voorzorg. In de volgende eeuw zou blijken dat dit geen overbodige maatregel was

Want de Russen gaven het niet op en in 1804 verscheen het volgende ship, ditmaal in de haven van Nagasaki. Aan boord van dit schip was Rezanov, die de missie had om handel met Japan af te dwingen. Hoewel hij dreigende taal gebruikte, gaf de Japanse regering niet toe en hij moest zijn plannen opbergen, in het besef dat de Russische regering Japan toch niet met geweld tot opening wilde dwingen. Het shōgunaat kreeg echter wel die indruk, die nog versterkt werd door twee van Rezanov's manschappen, die Japanse handelsposten op Sachalin aanvielen en het land in bezit namen in naam van de tsaar.

In de volgende jaren waren er nog verscheidene Russische pogingen om Japan tot opening te dwingen, maar deze werden allemaal niet echt enthousiast ondersteund door de Russische overheid, en er kwam dus weinig van terecht. Het was pas in 1852 dat de tsaar besliste om serieus actie te ondernemen in de kwestie Japan, en hij Putyatin stuurde. Deze kwam in 1853 aan in Nagasaki, enkel om te horen dat Matthew Perry al in Uraga geland was. Ondanks al deze pogingen had Rusland toch niet de eer om het eerste land te zijn dat handel met Japan had afgedwongen.

Maar de druk kwam niet enkel van Rusland, ook andere landen probeerden tevergeefs contact te zoeken met Japan. In 1808 voer een Engels schip (3) de haven van Nagasaki binnen, en eiste brandstof en voedsel, anders zouden ze de haven beschieten. Er was nog een ander incident met de Engelsen, die zich misdroegen voor de kust van Satsuma(4). En dan waren er nog de twee Russen die kort daarvoor Sachalin waren binnengevallen. Dit alles schoot het bakufu in het verkeerde keelgat, en in 1825 vaardigde het een edict(5) uit dat vanaf nu elk schip dat de kust naderde tot zinken gebracht moest worden, en de bemanning vermoord.

Dit was niet lang vol te houden. Toen in Japan bekend werd hoe China verslagen was in de Opiumoorlog besefte men hoe sterk de westerse naties waren, en men durfde niet meer anders dan de buitenlandse schepen vriendelijker behandelen door hen te ontvangen en te voorzien van voedsel en brandstof. Zo werd de H.M.S Samarang, die in 1845 in Nagasaki aankwam goed ontvangen en mocht het voorraad inslaan. De druk van de buitenlandse mogendheden op Japan werd steeds groter, en de Nederlanders sloten zich hierbij aan. In 1844 schreef de Nederlandse koning een brief naar de Japanse regering, waarin hij de internationale situatie uit de doeken deed, met het advies om de grenzen weer op te stellen. Het bakufu weigerde dit opnieuw.

Maar ook binnenlands was het verre van rustig. De macht van het bakufu was in de voorbije eeuwen sterk verzwakt. Kritiek op hun buitenlands beleid kwam uit verschillende hoeken. Er waren de ontevreden samurai, die na eeuwen van vrede het vechten verleerd, en hun functie in de maatschappij verloren waren. De wetenschappelijke onderzoekers wilden ook een openstelling van het land, om gemakkelijker toegang tot westerse kennis te verkrijgen. Uit alles bleek dat het een kwestie van tijd was voor het bakufu zou moeten zwichten.

Het was de daimyo van Satsuma die voor de eerste echte breuk zorgde. Toen in 1848 een Frans oorlogsschip Japan bereikte, sloot hij een handelsovereenkomst met hen. Hij kocht geweren en machines, die via de Ryukyu-eilanden(6) afgeleverd moesten worden. Dit toont duidelijk de zwakte van het Bakufu aan, maar het zou duren tot 1853, met de komst van Matthew Perry voor er officieel een einde kwam aan de afzonderingspolitiek van het bakufu.


Het einde van de afzondering

Einde van de Sakoku door Commodore Perry

Engeland en Rusland hadden al zeer vroeg interesse in Japan opgevat, maar toch zou het uiteindelijk Amerika zijn dat het eerste handelsverdrag in de wacht zou slepen. Amerika had een bijzondere interesse in Japan, omdat het een goede tussenstop was in de handel met China. Ook hadden de Amerikaanse walvisjagers een haven nodig om voorraad in te slaan. De Amerikanen waren het tenslotte ook beu dat hun schipbreukelingen in Japan slecht behandeld werden. Om al deze redenen stuurde het congres in 1845 James Biddle met twee oorlogsschepen naar Japan. Hij kwam aan in de baai van Edo, met het verzoek om handelsrelaties te openen. Hij ving echter bot.

De USA was echter vastbesloten om zijn belangen in Japan te vrijwaren. In 1853 bereikte Commodore Matthew Perry, samen met vier oorlogsschepen(7) de baai van Uraga. Hij had een duidelijke missie: hij leverde een brief af waarin de president vroeg om het openen van handelsrelaties. Commodore Perry liet weten dat hij het volgende jaar zou terugkomen met een grotere oorlogsmacht, en dat hij een positief antwoord verwachtte. Dit liet niets aan duidelijkheid over, en het bakufu besefte dat het geen schijn van kans maakte tegen de veel sterkere buitenlandse machten.

Op 31 maart 1854 werd het verdrag van Kanagawa getekend, of het Japans-Amerikaans vriendschapsverdrag. Dit verdrag voorzag in de opening van twee havens, Shimoda en Hakodate, voor beperkte handel, en zo kwam officieel een einde aan de lange periode van afsluiting. In navolging van Amerika sloten ook de andere westerse landen (Frankrijk, Rusland,...) gelijkaardige verdragen. Dit was het begin van een snelle evolutie van Japan, van een feodale staat naar een sterk, modern land, en luidde ook de val van het bakufu in, zoals ze meer dan tweehonderd jaar eerder hadden voorzien.

Voetnoten

(1)De zogenaamde wakō

(2)Dit waren de daimyō die overwonnen waren bij de slag van Sekigahara, en dus als minder betrouwbaar werden aanzien. De daimyō die hiervoor al bondgenoten van de Tokugawa waren, worden Fudai daimyō genoemd

(3)De H.M.S Phaeton

(4)Ze raakten in conflict met de bewoners van het eiland Takarajima

(5)Het 'ninen naku' of het 'geen tweede gedachte' edict

(6)Ze hadden wel een eigen koning, maar de Ryukyu-eilanden stonden eigenlijk onder gezag van de daimyo van Satsuma, en stuurden ook regelmatig tribuut.

(7)De 'kurobune' of zwarte schepen


Bronnen

Sansom, George B. The Western World and Japan. New York: Alfred A. Knopf, 1950.

Ienaga, Saburo History of Japan. Tokyo: Japan Travel Bureau, 1969

Kato, Shuichi A History of Japanese Literature: the years of isolation. London: The Macmillan Press, 1983

Sansom, George B. A History of Japan 1615-1867. Stanford: Stanford University Press, 1963


Externe links

Het Engelstalig wikipedia artikel: [1]

Het Japanse wikipedia artikel: [2]

Wikipedia artikel over de Russische toenaderingspogingen: [3]