Sakashita mongai no hen

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Inhoud

Sakashita mongai no hen

inleiding

De periode die de Edo- of Tokugawa-periode werd genoemd, werd gekenmerkt door de overheersende macht van de Bakufu (van 1603 tot 1868) in Japan. De Bakufu was het militair regime onder leiding van een shôgun, die alle touwtjes in handen had. De keizer had wel macht, maar was slecht een marionnettenfiguur.Bij de hoge elite behoorden de daimyô’s, hofadel en de samurai. Daimyô’s waren grote leenheren die grote stukken land bezaten, samurai genoten van een heel machtige positie tegenover het gewone volk. Zij hadden de vrijheid mensen te doden wanneer zij dat juist achtten. Handelaars en kooplieden stonden onderaan de feodale keten omdat handel in die tijd als iets verachtelijks werd beschouwd. Rond 1858 kwam door het ontsluiten van de grenzen een einde aan de hoge machtspositie van de samurai. De situatie waarin zij nu terechtkwamen zorgde voor veel ontevredenheid, de grondslag voor het ontstaan van radicale groeperingen.

Isolationisme

Ruim 250 jaar (van 1603 tot 1858) sloot Japan zich zoveel mogelijk af van alle buitenlandse contacten. Er heerste een conservatieve en minachtende houding tegenover het buitenland en men wilde elke mogelijke confrontatie met het buitenland uit de weg gaan. Het begin van de Edo-periode was aldus een rustige en stabiele periode enerzijds door dit isolationiseme en anderszijds door de strenge regels die de Bakufu handhaafde om het volk in het gareel te houden. De maatschappij was onderverdeeld in vier rangen:

1. samurai

2. boeren

3. handelaars

4. kooplieden

Opiumoorlog

In 1842 werd China verslagen door de Britten na een vierjarige oorlog, die de Opiumoorlog genoemd werd (1839-1842). Voor het eerst besefte Japan dat het buitenlands gevaar dreigde: het grote China, dat Japan zo bewonderde, bleek Groot-Brittannië niet de baas te kunnen. Het kwam als een shock aan voor de Bakufu en zij reageerde hierop door maatregelen te nemen voor modernere bewapening en verbeterde mobiliteit.

Ontsluiting van de grenzen

Commodore Perry

In 1853 kwam Commodore Perry (uitgezonden door president Phil Moore) aan te Uraga en eiste de openstelling van Japan. Een interne strijd ontstond tussen de Bakufu en de conservatievelingen (de daimyô's en het hof). De Bakufu stond voor een zwaar dilemma: enerzijds moest zij rekening houden met het groeiende buitenandse gevaar maar ook met de conservatievelingen. Het Westen dreigde met oorlog als Japan blijvende weerstand zou bieden en de conservatievelingen dienden rustig gehouden te worden. De keizer speelde slechts een figurantenrol.

Vriendschaps- en handelsverdragen

Na de komst van Perry in 1853 en het - onder dwang - sluiten van een vriendschapsverdrag met de VSA, sloot de Bakufu in 1854 nog een aantal dergelijke vriendschapsverdragen met buitenlandse mogendheden (Groot-Brittannië, Rusland, Nederland), die ook werden afgedwongen. Bij de onderhandelingen van de VSA omtrent het sluiten van een handelsverdrag (1856) deed de Bakufu, die geen raad meer wist met de situatie, beroep op de mening van de keizer, daimyô’s en artistocraten. Gezien de omstandigheden was dit begrijpbaar, maar deze actie was heel uitzonderlijk en het had noodlottige gevolgen. De Bakufu had voorheen altijd zijn gezag willen laten gelden en consultatie van de daimyô’s voedde de gedachte dat de Bakufu zwak was. Het gezag van de Bakufu begon reeds te tanen. Voor het sluiten van een verdrag met de VSA wilde de Bakufu, die voorheen (2 eeuwen lang) niets met de keizer te maken wilde hebben, zichzelf indekken door toestemming te vragen bij de keizer. Maar aan het Keizerlijke Hof begonnen de anti-Bakufu-tendenzen te ontkiemen en te broeien. De Bakufu was geëvolueerd van een krachtig militair regime naar een slordig bureaucratisch systeem en was zelfs verdeeld geworden door verschillende meningen binnen de Bakufu zelf. Zij miste een krachtig leiderschap en was afhankelijk van de publieke mening. De keizer was zich meer en meer bewust van zijn groeiende achterban en het leek hem nu het ideale moment om zijn macht te affirmeren. Het Keizerlijke weigerde de Bakufu te steunen. Het handelsverdrag van 1858 met de VSA hield in slordige lijnen in dat de grenzen van Japan geopend werden. Vrij handelsverkeer met de buitenwereld werd mogelijk en zorgde voor een beduidend groter aantal buitenlanders in Japan. Later volgden nog gelijkaardige verdragen met Nederland, Engeland, Frankrijk en Rusland, die de Ongelijke of Onrechtvaardige Verdragen werden genoemd.

Li Naosuke - bestuurlijke malaise

Toen Li Naosuke 'tairô' (regent van het shôgunaat) werd en dus genoot van de één na machtigste positie, bracht hij (na de dood van shôgun Iesaka) een nieuwe shôgun aan de macht, Iemochi genaamd. Het tekenen van de handelsverdragen zonder keizerlijke toestemming en deze nieuwe aanstelling, 2 belangrijke beslissingen die in een periode van slechts 10 dagen genomen werden door Li Naosuke zelf, veroorzaakten hevig verzet. Li Naosuke had zelfs eigenhandig één van de verdragen getekend, dus in een goed daglicht stond hij niet. Hij onderdrukte dit verzet met krachtige hand. De keizer drukte zijn ontevredenheid uit tegenover de houding van de Bakufu en veroorzaakte op die manier het onstaan van bewegingen die de Bakufu onder druk begonnen te zetten. Li Naosuke reageerde hierop met een nooit eerder geziene politieke repressie (Ansei no Taigoku: de Zuivering van de Ansei-periode) in een poging het gezag van de Bakufu weer op te krikken. Deze arbitraire maatregelen bezorgden Li Naosuke juist het ongewenste effect: de anti-Bakufu stroming werd verder opgehitst en activistische groeperingen werden gevormd (Shishi) door lagere samoerai, meesterloze samoerai, grondbezitters en handelaars. Deze idealisten waren tegenstanders van de ontsluiting van Japan, anti-buitelands en voorstanders van de terugkeer van de keizer. Rellen ontstonden waarbij buitenlanders werden gedood. In 1860 werd Li Naosuke vermoord door extremisten (sakuradomon-gai).

Economische gevolgen: armoede van het volk en de lagere samurai-klassen

Door het openen van de grenzen evolueerde de Japanse economie meer en meer naar een kapitalische economie, gebaseerd op die van het westen. Deze evolutie zorgde voor grote veranderingen in de maatschappij: prijsstijgingen, het afvloeien van goud, verstoringen van de markt en ontwikkeling van manufacturen. De landbouwers werden zwaar belast en de samurai verloren hun privileges.Zij werden het slachtoffer van een laag inkomen (er ging veel geld uit naar het sturen van delegaties naar Amerika). In de feodale keten speelde grondbezit geen rol meer: mensen met veel geld verwierven nu een machtige positie. Er heerste ontevredenheid over het beleid van de Bakufu. Aan de grenzen ontstonden relletjes waarbij buitenlanders werden gedood door diegenen die behoorden tot de factie die de keizer in eer wenste te herstellen en die tegen de opening van de grenzen was. Li Naosuke werd het slachtoffer van zijn eigen handelen: zijn harde repressie had de gemoederen van de anti-Bakufu beweging alleen nog meer versterkt. Het prestige en gezag van de Bakufu was aanzienlijk verminderd en Satsuma en Chôshû vormden de centra van opstandelingen. De Bakufu was genoodzaakt een delegatie naar de Europese machten te sturen om hen te laten weten dat de veiligheid van buitenlanders in Japan nog niet gegarandeerd kon worden. Toen had het westen blijkbaar nog vertrouwen in de Bakufu, want zij gingen akkoord met het voorstel.

Kôbu-gattai en Sonnô-jôi

Voor het hoofdartikel zie Sonno-joi

Na de dood van Li Naosuke ontwikkelden zich 2 facties, de Kôbu-gattai-factie en de Sonnô-jôi-factie, die verschillende standpunten naar voren brachten. Deze periode werd gekenmerkt door hun onderlinge politieke strijd.

Sonnô-jôi

Jôi (“verdrijf de barbaren”) en Sonnô (“eer de monarchie”)

De sonno-joi-tendenzen kwamen voor in alle lagen van de maatschappij: binnen de kringen van de keizer, binnen de kringen van de Bakufu, tussen de machtige Han onderling en onder de samurai onderling. De beweging werd gevormd door de lagere rangen van de samurai-stand, de grondeigenaars en de handelaars. Hun politiek bestond uit de idealisatie van het verleden, waarnaar zij verlangden terug te keren. Ook al waren hun acties radicaal en hardvochtig, de doelen die zij hadden waren eerder traditioneel dan revolutionair. Zij werden nu volledig buiten het besluitvormingsproces gehouden en actie was voor hen de enige oplossing. Zodus waren zij veel radicaler dan de Kobu-gattai-beweging (veel te verliezen had de Sonnô-jôi immers niet) en wilden zij resoluut komaf maken met de Bakufu. Aanvankelijk hadden zij anti-buitenlandse overtuigingen, maar door de wapenfeiten te Satsuma en Chôshû leken zij te beseffen dat ze de situatie op een andere manier zouden moeten aanpakken om hun acties een kans op slagen te geven. Zo evolueerde hun anti-buitenlandse beleid naar een heftig anti-Bakufu beleid. De Bakufu getuigde immers, naast een pro-buitenlandse houding, ook van geen respect voor de keizer toen zij zonder de keizerlijke toestemming de handelsverdragen met buitenlands mogendheden sloot. De Sonnô-jôi wilde terugkeren naar de tijd waarin de keizer wel macht had.

' De Bakufu had hemel en aarde opgegeven, en de woede opgewekt van de goden. Zij voedde de toenmalige nationale crisis en bracht een nationale schande over de toekomstige generaties. Het vernietigen van een verrader is een teken van loyaliteit tegenover de keizer. ' (Yoshida Shoin)

Door de nadruk te leggen op het symbolische belang van de keizer en de onverwaardelijke trouw aan de keizer, versterkten zij het Japans nationalisme.

Kôbu-gattai

De Kôbu-gattai-factie bestond uit hofaristocratie en daimyô’s die streefden naar een alliantie tussen de hofaristocratie en de militaire elite. De kobu-gattai-tendenzen waren zowel binnen de Bakufu als binnen enkele machtige Han zoals Chôshû terug te vinden. Andô Nobumasa was de protagonist van deze beweging. Met een beleid van enerzijds modernisering van het leger en anderzijds economische aanpassingen trachtte hij de internationale markt onder controle te krijgen en zodoende de Bakufu wat meer aanzien te geven. Het gezag van de Bakufu was immers al fel getaand. Samen met Kuse probeerde hij de tegenstellingen tussen de Bakufu en de conservatievelingen (daimyô’s en aristocraten) te minimaliseren door aan te sturen op een alliantie van het hoogste niveau. Over het algemeen bleef de Kôbu-gattai-beweging eerder omzichting: de samurai-elite wilde immers geen radicale acties ondernemen, want zij hadden een positie die ze konden verliezen door te overhaaste beslissingen.

Kazu-no-miya koka

Hoewel de keizer niet veel macht had, diende de Bakufu toch de banden met het Keizerlijke Hof te onderhouden. De keizer had immers nog de taak elke nieuwe shôgun officieel te benoemen. Zo werden lange tijd huwelijken gearrangeerd tussen een shôgun en een lid van de keizerlijke familie, om een persoonlijke band tussen de 2 families te creëren.

Andô Nobumasa

Andô Nobumasa was de protagonist van de Kôbu-gattai-beweging. Samen met zijn kompaan Kuse regelde hij het huwelijk tussen shôgun Iemochi en de dochter van keizer Kômei, Kazu-no-miya. Dit huwelijk diende de relatie tussen het shôgunaat en het keizerlijke hof, dat nu zijn grandeur aan het herwinnen was, harmonieus te houden. Het shôgunaat had deze keizerlijke band nodig om de groeiende tegenstand te trotseren.

Kazu-no-miya Chikako naishinnô

Prinses Kazu-no-miya was de zus van keizer Kômei en hoewel zij reeds op 16-jarige leeftijd met een ander verloofd was, werd zij toch uitverkoren om te huwen met shôgun Iemochi. De toepassing van dergelijk verstandshuwelijk (een shôgun die huwt met een keizerlijke prinses) kwam voorheen reeds veel voor. Het kwam zo veel voor dat de route van de prinses, die aan het huwelijk vooraf ging, de Nakasendo, ook de Hime no Kaido genoemd werd (‘de grote weg van prinsessen’). Het shôgunaat wankelde toen in haar machtspositie; het had een serieus effect op de reis van de prinses, vooral omdat zij via de Nakasendo naar Edo reisde, daar waar het shôgunaat verbleef. Natuurlijk moest zij als prinses in pracht en praal reizen, en werd zij vergezeld door enorme stoet van talloze knechten en meiden. Wellicht veroorzaakte de trip van de prinses heel wat ontevredenheid onder het volk, dat leed onder de economische gevolgen van het ontsluiten van de grenzen. Zo groot was blijkbaar het belang van deze reis, maar zo groot was de schaamte van het shôgunaat, toen het als het ware verplicht was te onderhandelen met het rebellerende volk. Het shogunaat garandeerde het volk immers dat het zou vergoed worden voor elke economische schade veroorzaaktdoor de prachtige stoet van de prinses. Bijgevolg kwam de prinses tot grote opluchting van het shôgunaat ongedeerd aan in Edo, zonder enige problemen ondervonden te hebben gedurende haar lange reis. In 1862 huwde zij met Iemochi. Het huwelijk werd Kazu-no-miya koka genoemd ("het huwelijk van prinses Kazu-no-miya met een man van lager stand").

Sakashita mongai no hen

Het huwelijk werd gearrangeerd door Nobumasa en Kuse en diende meer aanzien te geven aan het militaire bewind. Dat de anti-Bakufu tendenzen wat in toom gehouden zouden worden, leek toen een kans op slagen te hebben, maar het huwelijk had het ongewenste effect. Het zorgde immers voor een nog groter verzet van de Sonnô-joî tendenzen. In februari 1863 resultuurde dit een dodelijke aanslag van samurai op de frontman van de Kôbu-gattai-factie en tevens diegene die had aangestuurd op dit huwelijk, Andô Nobumasa. Reeds meerdere keren had hij geprobeerd de tegenstellingen tussen de rivaliserende facties de kop in te drukken. Door het uit de weg ruimen van deze belangrijke figuur verpieterde de Kôbu-gattai-beweging. Het betekende het begin van de ondergang van de Bakufu.

Verdere gevolgen

Extremisme van de Jôi-tendenzen

Bij het instemmen van het huwelijk van prinses Kazu-no-miya en shôgun Iemochi had Keizerlijke Hof een voorwaarde gesteld aan de Bakufu. Het decreet (1862) hield in dat de buitenlanders buiten gezet moesten worden, maar hoewel zij ingestemd had met dit decreet, kon de Bakufu hield zijn belofte niet waarmaken. De Joî-factie geraakte verhit. In november 1862 ging shôgun Iemochi naar de keizer om hem ervan te overtuigen dat het inadequaat was een anti-buitenlands beleid te voeren. Hij stuurde er zelfs bij de keizer op aan dat de Jôi-factie in toom moest gehouden worden. Dit was voor de Sonnô-Jôi de druppel die de emmer deed overlopen en er werd tot actie overgegaan. 25 juni 1863 moest de dag zijn waarop alle buitenlanders moesten worden weggejaagd. Chôshû was het centra van de protestacties. Die dag werden aanslagen gepleegd op buitenlandse schepen. Het ging gepaard met een groot gezichtsverlies van de Bakufu.

Reactie van het buitenland

De buitenlands mogendheden verwachtten van de Bakufu dat zij de opstanden in de rebellerende Han zouden bestraffen, omdat zij vreesden dat hun banden met Japan eronder zouden lijden indien zij zich zelf zouden bemoeien in de kwestie. Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland oefenden druk uit: de Bakufu hield gewapende strafexpedities tegen de opstandige Han. Tot na de eerste strafexpeditie overheersten de conservatievelingen in Chôshû, maar na de wapenfeiten streefden de machtige Han naar hervormingen. In plaats van hun (militaire onrealistische) extreme politiek door te zetten, begonnen de Han diplomatische, militaire en economische banden met de Britten aan te knopen. Door de tussenkomst van de Britten ontwikkelde Chôshû een modern leger. De mogelijkheid om het shôgunaat omver te werpen leek alsmaar realistischer. De Bakufu wil in 1865 deze herbewapening in de kiem smoren en organiseerde daarom een 2de strafexpeditie tegen Chôshu. In 1866 verslaat het leger van Chôshû het(verouderde) leger van de shôgunaat. Voor de eerste keer sinds 1860 was het leger van de shôgunaat niet meer het sterkste dat er was in Japan. De val van Bakufu was nabij en onafwendbaar.

Val van de Bakufu

Taisei Hôkan

In 1867 gaf de Bakufu de politieke macht terug aan de keizer, na die oorspronkelijk van de keizer - onder druk - gekregen te hebben. Het was een symbolische enscenering: het shôgunaat wist dat het einde nabij was en verkoos zelf af te treden. Op 4 januari 1868 werd het shôgunaat afgeschaft. Het betekende het begin van de Meiji-periode.

Korte evaluatie

De Sakashita mongai no hen is tot stand gekomen door de politieke instabiliteit van Japan in de jaren 60-70, ten gevolge van de ontsluiting van de grenzen en de anti-buitenlandse tendenzen. Het verdwijnen van de frontman van de Kôbu-gattai beweging gaf aanleiding tot de ondergang van de Bakufu.

Bronnen