Saitō Mokichi

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken
Saitō Mokichi 斎藤茂吉
Saitō Mokichi photographed by Shigeru Tamura.jpg
Persoonlijke gegevens

Geboren: 14 mei 1882
Geboorteplaats: Kanakame, Kaminoyama, Yamagata prefectuur
Overleden: 25 februari 1953
Gekend voor: Tanka
Prijzen: 1951: Bunka-kunshō文化勲章
Echtgenote: Saitō Teruko 斎藤輝子
Kinderen: Saitō Shigeta 斎藤茂太, Saitō Sokichi 斎藤宗吉 (alias Kita Morio 北杜夫)

Saitō Mokichi (斎藤茂吉, 14 mei 1882 – 25 februari 1953) was een Japanse tankapoëet en behoorde tot de Araragi school van tanka. Hij is een van de bekendste tankapoëten van de Taishō-periode. Naast het schrijven van tankagedichten was hij ook een psychiater, onderzoeker en essayist.

Leven

Jeugd

Saitō Mokichi werd geboren in 1882 in Kanakame, een dorp dat deel uitmaakt van Kaminoyama in de Yamagata prefectuur, en is daar ook opgegroeid. Hij was lid van de Moriya familie, een van de vijf welvarende families van Kanakama De Moriya familie deed aan landbouw en het houden van zijderupsen.

Kumajirō, de vader van Saitō Mokichi, was het hoofd van de familie maar was geadopteerd door de familie van de moeder van Mokichi, Iku. Mokichi had twee oudere broers, Hirokichi en Tomotarō. Later kreeg hij nog een jongere zus, Matsu, die overleed in haar kinderjaren, een jongere broer, Naokichi en tot slot nog een jongere zus, Nao. In het huis van de Moriya familie leefden hiernaast ook nog de tante, de oom en de grootmoeder van Mokichi van moederszijde.

Mokichi spendeerde veel tijd in de Hōsenji tempel.[1] Hier leerde hij onder andere kalligrafie van de lokale priester, Sawara Ryūō, en las hij boeken zoals de Nihon Gaishi (日本外史).[2] Toen Saitō Kiichi naar getalenteerde, jonge mannen zocht om in de toekomst te kunnen werken in zijn ziekenhuis in Asakusa in Tokio, en misschien zelfs een volgende erfgenaam voor het ziekenhuis te vinden, kwam hij bij Ryūō terecht en beveelde Ryūō hem Mokichi aan. Aangezien het duur was voor de Moriya familie om nog een derde zoon in het hogere onderwijs te sturen (hij studeerde op veertienjarige leeftijd namelijk af van de basisschool), werd Mokichi geadopteerd door Saitō Kiichi, die de opleiding van Mokichi zou betalen, en verliet hij Kanakame in augustus van 1886 om in Tokio te gaan studeren.

In Tokio studeerde hij aan de Kaisei Middenschool in Kanda. Hij las veel boeken en zijn interesse voor poezië nam hier toe. Zo publiceerde hij gedichten in de schoolkrant. In de Daiichi Kōtō Gakkō (第一高等学校) nam zijn interesse voor poezië pas echt toe in de laatste jaren van het hoger secundair onderwijs en bestudeerde hij tanka van Shiki Masaoka (子規正岡) en Sachio Itō (左千夫伊藤).[3][4]

Vroege Volwassenheid

Saitō Mokichi was in 1905 al 10 jaar onder Saitō Kiichi's hoede genomen en Kiichi was ook van plan om Mokichi tot erfgenaam van zijn ziekenhuis te maken, tot Kiichi een zoon kreeg, Seiyō. Er werd dan besloten om Mokichi officieel tot de familie te laten treden door zijn dochter, Teruko, aan hem uit te huwelijken. Teruko was toen nog maar een kind, Mokichi was 24 jaar oud en in zijn laatste jaar aan de secundaire school. Hij was ook druk aan het studeren voor de ingangsexamens aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio voor geneeskunde.

Mokichi publiceerde van februari tot juni 1905 tanka in de Yomiuri Shinbun en verdiepte zich in het ontraadselen van gedichten van Shiki Masaoka en van haar leerlingen (de Negishi School). Dit deed hij met de hulp van Kōzō Watanabe, een schoolgenoot. Kōzō raadde Mokichi ook aan om een leerling van Shiki, Sachio Itō, te ontmoetten, maar dit weigerde Mokichi eerst te doen wegens onzekerheid in de kwaliteit van zijn eigen poëzie. Toen hij echter problemen ondervond bij het leren van de taal van de Man'yō-periode, schreef hij Sachio een brief om hulp te vragen. Dit accepteerde Sachio en sindsdien gaf hij Mokichi advies in verband met zijn tanka, waarvan er gepubliceerd zijn in Ashibi en Nihon Shinbun. In 1908 stichtte Sachio het Araragi magazine waarin gedichten verschenen die geschreven waren door een groep dichters die geselecteerd waren door Sachio zelf. Mokichi was hier ook deel van maar hij stopte met het schrijven van tanka tussen 1909 en 1910 wegens buiktyphus dat 10 maanden aansleepte. Wanneer hij na die 10 maanden terug tanka schreef, liet hij zijn poëzie niet meer controleren door Sachio en publiceerde hij in Araragi ook poëzie uit andere scholen, onder andere van Jirō Abe en Mokutarō Kinoshita. Dit werd echter door veel lezers van Araragi en Sachio zelf niet positief onthaald en deze periode markeert de start van de breuk tussen Mokichi en Sachio.

In 1911 studeerde Mokichi af van de medische school in de Keizerlijke Universiteit van Tokio en werd hij in dienst genomen in het Sugamo hospitaal waar hij zijn opleiding verder zette door zich te specialiseren in de psychiatrie. Zo moest hij de mentale gezondheid nagaan van gevangenen die gepland stonden om vrijgelaten te worden, en onderzocht hij, onder andere, het kleuren van cellen en dissectietechnieken voor breinhistologie.[5] Hij sluitte zich in 1911 aan bij de Japanse Psychiatriesociëteit.

In 1913 scheidden Mokichi van een vrouw genaamd Ohiro, stierf zijn moeder in mei en stierf Sachio Itō in juli. Deze periode zorgde ervoor dat Mokichi veel tanka schreef in verband met liefdesverdriet en rouw. deze gedichten zijn te vinden in onder andere de rensaku genaamd Shinitamau Haha (死にたまふ母, Mijn Moeder is aan het Sterven)[6] en zijn eerste poeziëboek genaamd "Shakkō" (赤光, Karmozijnrood Licht).[7] Deze zijn tot op heden enkele van zijn bekendste werken.

Teruko en Mokichi trouwden in april 1914. Mokichi had in dat jaar ook plannen om naar Europa te gaan om daar verder te studeren met als doel verdere vooruitgang te boeken in de academische geneeskunde. Dit ging echter niet door wegens het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in juli van dat jaar. Dit en het feit dat Mokichi zich eenzaam en niet thuis voelde in zijn huwelijk zullen ook onderwerpen worden die in zijn tweede poëzieboek, Aratama (あらたま, Ongesneden Edelstenen, 1920), domineren.

Verder begon hij lezingen in het departement van de psychiatrie aan de Medische Universiteitsschool van Tokio te geven in 1915 en kreeg hij een zoon, Saitō Shigeta (斎藤茂太), in 1916. Uiteindelijk verlaat hij in 1917 Tokio om in Nagasaki professor Ishida Noboru (石田昇) te vervangen aan de Medische School van Nagasaki.[8]

Nagasaki en Europa

Nagasaki

Hij arriveert in Nagasaki op 18 december 1917 en werd voorzitter van het Departement van de Psychiatrie in de Medische School van Nagasaki waar hij lezingen gaf over psychiatrie en forensische geneeskunde aan vierdejaarsstudenten. Hij was ook hoofd van de psychiatrische divisie in Nagasaki Prefectuur Hospitaal en begeleidde artsen in de Nagasaki's Eerste Hulpstation.[9] Zijn eerste lezing was op 8 januari 1918. Hij schreef in zijn periode in Nagasaki ook een paper over de werking van de spieren van catatonische patiënten en werkte het af in 1921. Een ander paper waaraan Mokichi werkte ging over de werking van het vegetatieve zenuwstelsel in relatie met vroegtijdige dementie, dat hij op een conferentie in 1919 gepresenteerd heeft. Hij werkte in totaal drie jaar en twee maanden in Nagasaki.

In die drie jaar publiceerde hij weinig tanka en waren er spanningen tussen Mokichi en Teruko, waarbij ze weinig tijd met elkaar doorbrachten en vaak ruzieden. In januari van 1920 werd hij ziek door de wereldwijde influenza. Hij kon pas terug gaan werken in oktober. Tijdens deze recuperatieperiode maakte hij de laatste voorbereidingen voor het manuscript voor Aratama, reviseerde hij Shakkō en schreef hij een reeks essays over shasei genaamd Tanka ni okeru shasei no setsu (短歌に於ける写生の説, Een theorie over shasei in verband met tanka).[10]

Europa

Het Ministerie van Onderwijs stelt Mokichi aan om als onderzoeker naar Europa te gaan in februari 1921 en hij vertrok vanuit Yokohama in oktober van dat jaar. In december bereikte hij Berlijn. Hij was onzeker waar hij wilde studeren en twijfelde tussen Hamburg en Wenen. Hij verloor echter zijn portemonnee waarin de introductiebrieven voor de professoren in Hamburg zaten, geschreven door Kure Shūzō (呉秀三) die met die professoren gestudeerd had. Aangezien hij de brieven voor de professoren in Wenen had, besloot hij om zich in te schrijven in het Neurologisch Instituut van de Universiteit van Wenen. Hij begon hier te studeren in 1922 en deed dit onder Heinrich Obersteiner en Otto Marburg. Mokichi werd aangewezen tot het onderzoek van Marburg over veranderingen in de histologische organisatie van breincellen van patiënten die leidde aan progressieve verlamdheid, wat gekenmerkt was voor de laatste fase van syphilis. Dit onderzoek vormde de basis van zijn thesis, Die Hirnkarte des Paralytikers: Studiën über das Wesen und die Ausbreitung des paralytischen Prozesses in der Hirnrinde[11]. Deze werd geaccepteerd en geprint in maart 1923. Dit, samen met zijn andere werken, verkregen hem een doctoraat in de geneeskunde, uitgereikt door de Keizerlijke Universiteit van Tokio in 1924. Verder studeerde hij nog fysiologie, neurologie en psychologie in Wenen. Door het overlijden van Obersteiner in 1922 en de leiding van Marburg die, volgens Mokichi, niet goed genoeg was, besloot Mokichi verder te gaan studeren in Munich.[12]

Hij vertrok op 19 juli 1923 uit Wenen om naar het Kaiser Wilhelminstituut (Deutschen Forschungsanstalt für Psychiatrie), opgericht door Emil Kraepelin in Munich te gaan. In Munich was de naoorlogse situatie ernstiger dan in Wenen, waarbij de maatschappelijke ontwrichting en de inflatie[13] Mokichi hinder brachten bij het uitvoeren van zijn onderzoeken. Zo had hij onder andere moeite met het zoeken van een verblijfplaats wegens de stijgende huurkost en bedwantsen in de bedden van kamers die hij uitprobeerde, waardoor hij vaak rondliep in Munich en verbleef tijdelijk ook bij Marie Hillebrand, een vrouw die onderdak bood aan Japanse studenten en gedurende tijden van beproeving. In augustus 1923 kreeg hij het nieuws te horen dat zijn vader (Moriya Kujimarō) overleden was en op 3 september 1923 las hij in de krant het nieuws over de Kantō aardbeving. Zijn bezorgdheid hinderde hem te kunnen eten, slapen of werken. Op 13 september kreeg hij een telegram uit Kobe van Nakamura Kenkichi dat bevestigde dat Mokichi's familie en vrienden ongedeerd waren. In de plaats van terug te keren naar Japan om Kiichi te helpen in het ziekenhuis, besloot Mokichi om in Munich te blijven om te studeren aan het Kaiser Wilhelminstituut, omdat dit instituut op vlak van psychiatrie een van de belangrijkste plekken was en omdat Kraepelin's theoriën dominant waren in de Japanse psychiatrie. Mokichi zou de eerste Japanse student worden in het naoorlogse Munich. Hij moest echter alles opnieuw leren dat hij al geleerd had en stuitte op anti-Japanse reacties bij het ontmoeten van Kraepelin. Hij deed onderzoek onder Walter Spielmeyer over hindernissen in het menselijk cerebellum en over de hersenschorsen van gedomesticeerde konijnen.[14]

Vanaf juli 1924, na zich terug te verenigen met Teruko in Parijs, reisde hij naar verschillende plekken in Europa, waaronder Engeland en Italië. Gedichten uit de drie jaar van Mokichi's reis naar Europa zijn te vinden in En'yu en Henreki. Hij vertrok met Teruko terug naar Japan op 30 november 1924 en kreeg een telegram op 31 december waarin stond dat het Aoyama ziekenhuis van Kiichi helemaal verwoest was door een brand.[15]

Na de terugkeer naar Japan

Wederopbouw ziekenhuis

Het ziekenhuis van Kiichi was door een brand helemaal vernield en Mokichi kreeg de taak om alles opnieuw te bouwen en een nieuwe site te zoeken voor de heropbouw van het ziekenhuis. Er waren echter financiële problemen waardoor Mokichi moest reizen doorheen Japan om fondsen te verwerven. Hij schreef ook essays over zijn tijd in Europa en accepteerde verzoeken voor zijn poëzie te publiceren. In de brand waren veel boeken en onderzoekmaterialen van Mokichi verloren, waardoor hij geen onderzoek deed gedurende de periode van de heropbouwing. Hij schreef wel meer poëzie. Zo publiceerde hij een collectie van gedichten uit Aratama en Shakkō genaamd Asa no Hotaru, en zullen gedichten van Mokichi uit de periode tussen 1925 en 1928 verschijnen in Tomoshibi. In 1926 begon hij terug als redacteur te werken aan het Araragi magazine tot 1930. Een nieuw ziekenhuis werd uiteindelijk gebouwd in Matsubara en een kleiner ziekenhuis in Aoyama voor minder zware behandelingen. In 1927 werd Mokichi de nieuwe hoofd van het ziekenhuis en vervangt hiermee officieel Kiichi. Hij zal deze positie blijven behouden tot 1945.[16]

Relaties met Teruko en Fusako

In 1933 stierven twee van Mokichi's beste vrienden, Hirafuku Hyajusui en Namakura Kenkichi, en op 7 oktober was Teruko betrokken bij een schandaal, wat leidde tot hun scheiding. Hij trok zich terug van zijn administratieve taken en verdiepte zich in de studie van de Man'yōshū poët Kakinomoto Hitomaro. In 1934, tijdens een herdenkingsbijeenkomst voor Masaoka Shiki, ontmoet hij Nagai Fusako (永井ふさ子). Ze schreven gedichten naar elkaar en schreven soms ook samen gedichten, vaak met moeilijke karakters uit de Man'yōshū omdat Mokichi hun relatie geheim wilde houden na het schandaal met Teruko.[17] Uit vrees voor negatieve publiciteit heeft Mokichi echter nooit besloten officieel te scheiden met Teruko. Dit zal ervoor zorgen dat Fusako later terug naar haar geboortedorp zal gaan en na de dood van haar vader geen contact meer zal hebben met Mokichi. Gedichten uit deze periode zijn terug te vinden in zijn poëzieboek Shiromomo en Gyōkō.[18]

De oorlogsperiode

Mokichi maakt na Gyōkō een verandering mee tijdens de oorlogsperiode, waarbij hij van het schrijven van liefdesgedichten naar het schrijven van patriottische gedichten. Na het Marco Polo Brug Incident werden ook vijf van zijn gedichten op 9 oktober 1937 nationaal uitgezonden. Dit betekent dat hij tijdens deze periode niet meer volgens het dokueika-principe[19] schreef, maar voor een het grote publiek. Zijn boek Man'yō Shūka (De beste gedichten uit de Man'yō werd door duizenden jonge soldaten meegenomen tijdens de strijd. Mokichi was een sterke volger van de Japanse Keizer Hirohito en vond zijn ideaal in de Man'yōshū. In Kan'un, het poëzieboek met gedichten uit deze periode, is de hoofdgedachte dan ook het patriottisme.[20]

Laatste jaren en overlijden

Graf van Saitō Mokichi en zijn familie in het Aoyama kerkhof (青山霊園 Aoyama Reien : Minato, Tokio, Japan)

Mokichi bleef in Tokio tijdens de vroege jaren van de Tweede Wereldoorlog en beheerde daar de twee afdelingen van het Mentale Ziekenhuis van Aoyama. Hij gaf instructies in het ziekenhuis over, onder andere, de zorg van patiënten, de behandelingen uitgevoerd door het personeel en noodgevallen zoals brand en luchtaanvallen. In maart 1945 verliet hij Tokio en keerde hij terug naar Kanakame en leefde hij daar met zijn jongere zus Nao. In mei 1945 verkocht hij het Matsubara filiaal aan de overheid. Mokichi verhuisde vervolgens in januari 1946 naar het dorp Ōishida wegens het feit dat daar meer voedsel te vinden was. Hij leerde schilderen en boekte hierin op enkele jaren tijd vooruitgang, tot zijn gezondheid verslechterde: hij was in 1947 licht verlamd aan zijn linkerzijde en leed hierdoor aan slapeloosheid, nachtmerries en zag minder goed door stippen in zijn zicht. Hij had ook stress door het feit dat er een nieuwe wet was goedgekeurd omtrent belastingen en hij vreesde voor de toekomst van zijn zonen Saitō Shigeta en Saitō Sokichi (斎藤宗吉), die beter bekend is onder zijn alias Kita Morio (北杜夫).

In november 1947 keerde hij terug naar Tokio, waar hij gedurende zijn laatste jaren aan manuscripten werkte voor de publicaties van zijn poëzieboeken, die ook gedichten bevatten die al reeds in de periode van 1925 - 1928 geschreven waren.[21] In 1951 ontving hij de Bunka-kunshō(文化勲章), een nationale onderscheiding voor zijn prestaties op vlak van cultuur. Hij stierf op 25 februari 1953 door hartfalen.[22]

Tanka

Gedicht van Saitō Mokichi, gegraveerd op een steen in Tazawako.

Werken

Saitō Mokichi heeft ongeveer 17.600 gedichten geschreven en 14.200 van die gedichten in 17 boekvolumes gepubliceerd. Er zijn gedichten van hem verloren gegaan in de brand van het Aoyama ziekenhuis in 1924. In vergelijking met andere poëten die rond diezelfde periode actief waren, die naast tanka ook nog experimenteerden met allerlei andere vormen van poëzie, schreef Mokichi bijna exclusief tanka. Hij had slechts één gedicht niet in de tanka-vorm maar in de Bussokusekika-stijl.[23] Hij verwachtte ook dat de lezer iets wist over zijn leven en heeft een bibliografie over zichzelf geschreven waardoor de lezers zijn gedichten beter kunnen begrijpen.

Hij studeerde tanka onder Sachio Itō (伊藤 左千夫), de stichter van het Araragi magazine. Hij publiceerde zijn werken in het Araragi magazine dat door Sachio Itō is opgericht. Zijn publicaties bevatten zowel zelfstandige tanka gedichten als rensaku (twee of meer gedichten die over hetzelfde onderwerp gaan.) Enkele van zijn bekendste werken zijn Shinitamau Haha (死にたまふ母, Mijn Moeder is aan het Sterven)[24], Ohiro en Shakkō (赤光, Karmozijnrood Licht). Verder publiceerde hij ook gedichten in verschillende magazines, zoals Ashibi en Araragi.

Poëzieboeken volgens orde van publicatie

Titel Datum van publicatie Periode van compositie
1 Shakkō (赤光, Karmozijnrood Licht) Oktober 1913 1905 - 1913
2 Aratama (あらたま, Ongesneden Edelstenen) Januari 1921 1913 - 1917
3 Kan'un (寒雲, Koude Wolken) Maart 1940 1937 - 1939
4 Gyōkō (暁紅, Karmozijnrode Dageraad) Juni 1940 1935 - 1936
5 Shiromomo (白桃, Witte Perziken) Februari 1942 1933 - 1934
6 Noboriji (のぶり路, Rijzende Straten) November 1943 1939 - 1940
7 Tsuyujimo (つゆじも, Dauw en Vorst) Augustus 1946 1917 - 1922
8 En'yū (遠遊, Verre Reizen) Augustus 1947 1922 - 1923
9 Henreki (遍歴, Bedevaart) April 1948 1923 - 1925
10 Shōen (小園, Kleine Tuinen) April 1949 1943 - 1946
11 Shirokiyama (白き山, Witte Bergen) Augustus 1949 1946 - 1947
12 Tomoshibi (ともしび, Lampenlicht) Januari 1950 1925 - 1928
13 Takahara (高原, Hoge Velden) Juni 1950 1929 - 1930
14 Renzan (連山, Berggrasland) November 1950 1930
15 Sekisen (石泉, Stenen Bron) Juni 1951 1931 - 1932
16 Shimo (霜, Vorst) December 1951 1941 - 1942
17 Tsukikage (つきかげ, Maanlicht) Februari 1954 1948 - 1952

Bronnen

  • A pioneer in occupational therapy at mental hospitals in local cities (approaches at Shichiyama Hospital at the beginning of Taisho Era). (2009). In Seishin Shinkeigaku Zasshi. Geraadpleegd op 17/02/2016 van http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19999562
  • Heinrich, Amy Vladeck. (1983). Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi. New York: Columbia University Press. ISBN 978-0231054287
  • Heinrich, Amy Vladeck. (1978). My Mother is Dying': Saito Mokichi's `Shinitamau Haha. Monumenta Nipponica, 33(4), 407–439. JSTOR, Geraadpleegd op 26/11/2015 van http://doi.org/10.2307/2384350

Externe links

  • Ashibi, in Wikipedia, The Free Encyclopedia
  • Staining, in Wikipedia, The Free Encyclopedia

Voetnoten

  1. De Hōsenji tempel is gelegen in Kanakame. Hier kan men nu de grafsteen vinden van Mokichi.
  2. De Nihon Gaishi(日本外史) is een boek over de geschiedenis van Japan uit de 19e eeuw, geschreven door Rai San'yo (頼山陽)
  3. Sachio Itō was een leerling van Shiki Masaoka.
  4. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 3-9
  5. Histologie is het onderzoek van de bouw en functies van cellen die dezelfde functie hebben of samen een orgaan vormen. Deze groepen van cellen zijn weefsels.
  6. Heinrich, Amy Vladeck, 1978. My Mother is Dying': Saito Mokichi's `Shinitamau Haha. Monumenta Nipponica, 33(4), 413–423
  7. Heinrich, Amy Vladeck, 1999. Saito Mokichi--as though alive. Japan Quarterly, 46(1), 50-57
  8. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 10-28
  9. Emergency support station. (4 februari 2016). In Nagasaki Web City. Geraadpleegd op 2/03/2016, via http://www.city.nagasaki.lg.jp.e.jc.hp.transer.com/bousai/220000/225000/p000188.html
  10. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 29-37
  11. Patronen van het brein bij verlamden: studies over de essentië en de verspreiding van het verlammingsproces in de cerebrale cortex.
  12. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 37-42
  13. C.R., 2013, Germany's hyperinflation-phobia, The Economist, geraadpleegd van http://www.economist.com/blogs/freeexchange/2013/11/economic-history-1
  14. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 42-48
  15. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 48, 50
  16. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 50-53, 55-56
  17. Liefdesbrieven tussen Mokichi en Fusako kan men terugvinden in het boek 斎藤茂吉・愛の手紙によせて (Saitō Mokichi, inleiding tot de liefdesbrieven) door Nagai Fusako (永井ふさ子). ISBN: 978-4763081179
  18. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 59-65
  19. Dokueika (独詠歌) zijn gedichten om alleen op te dragen.
  20. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 65-68
  21. Zie Poëzieboeken volgens orde van publicatie.
  22. Heinrich, Amy Vladeck, 1983. Fragments of Rainbows: The Life and Poetry of Saitō Mokichi, p. 69-75
  23. de Bussokusekika-stijl (仏足石歌) is een schrijfstijl van poëzie waarbij de regels in het 5-7-5-7-7-7-patroon van syllabes geschreven zijn.
  24. Heinrich, Amy Vladeck, 1978. My Mother is Dying': Saito Mokichi's `Shinitamau Haha. Monumenta Nipponica, p. 407 e.v.