Saigo Takamori

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Inhoud

Saigo Takamori

Jeugd

Saigō Takamori werd geboren op 23 januari 1827 in Kagoshima, de toenmalige hoofdstad van de Japanse “han” of provincie Satsuma. Zijn vader was Saigō Kichibei, een lid van de Kashogumi (een samuraiklasse). Omdat de familie het financieel niet breed had, probeerde ze te overleven door aan de ene kant zelf het land te bewerken en aan de andere kant een aantal leningen aan te gaan. Als kind ging Saigō naar school in de plaatselijke goju, een plek waar zwaardvechtkunst en discipline als de belangrijkste punten van het leerprogramma golden. Hierna volgde hij zijn hogere opleiding in de Zoshikan, waar het curriculum vooral bestond uit confucianistische teksten. Zo ontwikkelde Saigō een levenslange liefde voor het confucianisme - op latere leeftijd schreef hij vaak gedichten in het klassiek Chinees, met een duidelijk confucianistische boodschap. Tijdens zijn opleiding kwam Saigō niet alleen in contact met het confucianisme, maar ook met het zen boeddhisme. Dat alles zorgde ervoor dat Saigō in zijn jeugd eerder bekend stond als een ijverig student dan als een groot strijder.


Het begin van zijn politieke loopbaan

In 1844 werd Saigō benoemd tot assistent van de plaatselijke magistraat van Satsuma en was hij verantwoordelijk voor het innen van de belastingen. Tien jaar later werd hij gepromoveerd tot adviseur en later zelfs vertrouwensman van de heer of daimyo van Satsuma, Shimazu Nariakira, In Edo (Tōkyō) kwam Saigō in contact met de zogenaamde “Mito leer”. Deze leerwijze promootte de soevereiniteit van de keizer en benadrukte het belang van het keizerlijk instituut. Saigō was diep onder de indruk van deze doctrine en raakte goed bevriend met Fujita Tōko, een belangrijke leermeester van de filosofie. Ook bij Tōko’s daimyo Nariaki stond Saigō op een goed blaadje, wat geen probleem was voor zijn eigen heer, omdat beide daimyo’s elkaar goed kenden. In 1857 ontstond er op nationaal vlak een conflict tussen de progressieven (waaronder Nariakira en Nariaki) en de conservatieven over de opvolging van de Shōgun (kōbu-gattaj) Iesada. De progressieven waren van mening dat de macht over Japan het best verdeeld kon worden tussen de keizer en de Shōgun, terwijl de conservatieven de Shōgun liever als enige machthebber zagen. Japan had dus nood aan een nieuwe sterke man om het land door deze woelige tijden te loodsen. Nariaki stelde zijn zevende zoon voor, Hitotsubashi Yoshinobu, als kandidaat voor het shōgunaat. Tegenover Nariaki stond de tairō of regent Li Naosuke, die de aanstelling van Tokugawa Yoshitomi steunde. Ondanks Saigō’s lobbywerk aan het keizerlijk hof in Kyōto haalde de tegenkandidaat Yoshitomi het op 25 juni 1958 van Yoshinobu. In werkelijkheid was Yoshitomi niet meer dan een pion van Naosuke, die zonder toestemming van het hof handelsverdragen sloot met de Verenigde Staten. Dit was de aanleiding voor een opstand van de Hitotsubashi-ha (aanhangers van Yoshinobu) tegen de nieuwe Shōgun. Uiteindelijk besloot Li Naosuke om de kopstukken van de Hitotsubashi-ha onder huisarrest te plaatsen en de mindere goden te laten arresteren of zelfs te executeren in een poging om het gezag van het Bakufu (regime van de Shōgun) weer op te vijzelen. Deze politieke repressie staat bekend als “ de zuivering van de Ansei-periode”. Het jaar 1858 was tevens het sterfjaar van Nariakira, die kort na de aanstelling van de nieuwe Shōgun aan een zware griep overleed. Dit was een zware klap voor Saigō en hij was bereid zelfmoord te plegen aan het graf van zijn meester. Hij besloot dit uiteindelijk niet te doen toen hij hoorde dat Gesshō onder diegene was die zouden gearresteerd en geëxecuteerd worden door Naosuke. Saigō zelf werd ook een gezocht persoon. Samen vluchtten ze naar de geboortestad van Saigō: Kagoshima in de hoop er bescherming te vinden, quod non. De officiële instanties van Satsuma durfden niet ingaan tegen de wil van het Bakufu en verwezen hen daarom naar een tempel in de buurprovincie van Kagoshima waar ze onder huisarrest zouden blijven. Saigō interpreteerde deze boodschap als een manier om van hen af te geraken en samen besloten ze op een waardigere manier afstand te nemen van hun leven. Op weg naar de tempel sprongen ze overboord in een poging zichzelf te verdrinken. Ze werden zo snel mogelijk uit het water gehaald, maar alleen Saigō kon succesvol gereanimeerd worden. Toen de officiële instanties van Kagoshima van deze zelfmoordpoging hoorden, besloten ze om het Bakufu te vertellen dat beide mannen dood waren en toonden hen het lichaam van Gesshō. Saigō werd “verbannen” naar Ōshima, het hoofdeiland van de Amami eilandengroep.


Saigō in ballingschap

Van 1959/1 tot 1962/2 leefde hij in het dorpje Tatsugō op het eiland Ōshima. Daar trouwde hij met Otomo Kana en kreeg 2 kinderen. In 1960 kreeg hij het nieuws te horen dat Li Naosuke vermoord was door een groep samurai uit Mito en Satsuma. In 1862 werd hij teruggeroepen naar Kagoshima door zijn nieuwe heer: Shimaru Hisamitsu, de opvolger van Nariakira. Hij wilde de politiek van Nariakira verder zetten, onder meer de restauratie van het keizerlijke huis zodat de keizer samen met de Shōgun kon regeren over Japan. Hiervoor had hij de hulp nodig van samurai die trouw waren geweest aan Nariakira of die instemden met diens plannen voor de toekomst van Japan. Toch was het belangrijk om niet ondoordacht of overhaastig te handelen. De jonge samurai waren gebrand op actie, maar Hisamitsu was bang dat ze de realisatie van Nariakira’s plannen in gevaar konden brengen door te handelen voordat hij zijn machtsbasis had samengesteld en verankerd. Ōkubo had Hisamitsu ervan overtuigd dat niemand zoveel aanzien had bij deze jonge imperialisten als Saigō en dat alleen hij hen tot bedaren kon brengen. Maar hoewel Saigō er alles aan deed om potentiële haarden van verzet te doven, had zijn komst het tegenovergestelde effect op de jonge, heethoofdige samurai. Zij dachten namelijk dat Saigō hen zou leiden in een rebellie tegen het Bakufu. Hisamitsu beschouwde dit als verraad en beval dat Saigō weer verbannen moest worden. Dit maal naar een eiland nog zuidelijker dan Ōshima: Okinoerabu. Daar werd hij opgesloten in een dodencel, waar hij blootgesteld aan de elementen langzaam maar zeker moest sterven.Zijn persoonlijke bewaker, Tsuchimochi Masaterun, plaatste hem over naar een groter en meer beschut huisje en redde zo zijn leven.. Van 1862 tot 1864 leefde Saigō in ballingsschap op Okinoerabu. Op 1864/2/21 kwam zijn broer Tsugimichi hem het nieuws brengen dat zijn heer hem vergeven had en hem terugriep naar Kagoshima.


Saigō’s klim naar de top

Bij zijn terugkomst in Kagoshima werd hem de titel van bevelhebber van de Satsuma troepen in Kyōto gegeven. In de 2 jaar van zijn ballingschap was er evenwel veel gebeurd op politiek vlak. Er was veel ontevredenheid tegenover het Bakufu om hun mislukking de buitenlandse machten buiten te houden. Dit resulteerde in een nieuwe stroming: de sonnō-jōi beweging (eer de keizer, weg met de barbaren). Binnen de beweging van sonnō-jōi speelden een aantal samurai uit Chōshū ( machtige provincie in Japan ) een vooraanstaande rol. Ze waren vooral actief in de omstreken van Kyōto, waar zij erin slaagden het hof geruime tijd een anti -buitenlandse visie op te dringen. Door een geheime alliantie te sluiten met de Aizu han kon de kōbu gattai factie ( samenwerking tussen keizer en shogun ) van Satsuma een soort van staatsgreep plegen in 1863 en Chōshū verdrijven uit Kyōtyo. Yoshinobu, die intussen tot adviseur van de Shogun gemaakt werd, wou een strafexpeditie organiseren tegen Chōshū. In 1864 richtte Chōshū een leger op en viel het Kyōto binnen met de bedoeling het keizerlijk hof weer over te nemen. Saigō, die aan het hoofd stond van de Satsuma leger in Kyōto kon de Chōshū troepen verslaan. Deze strijd noemt men “Kimon no hen” naar de poort van het keizerlijk paleis waar het gewapende treffen plaats vond. Het Bakufu organiseerde nu een strafexpeditie tegen Chōshū en Saigō, die Chōshū nu als verraders van het land beschouwde, stemde er mee in de expeditie te leiden. Hij kreeg de positie van stafchef toebedeeld. Eerder had Saigō een ontmoeting gehad met Katsu, de bevelhebber van de zeemacht van de Shōgun, die hem overtuigd had dat het land niet verder kon met het Bakufu. Deze waren nog alleen maar bezig met hun eigen overleving en hadden bewezen dat ze het probleem van de buitenlandse machten niet aan konden. Als alternatief stelde Katsu een raad van daimyo’s voor. Saigō was zo onder de indruk van de visie van Katsu dat hij vanaf nu de overtuiging had dat Japan wel degelijk kon geleid worden zonder de Shōgun. Dit was dan ook de reden waarom hij zich in de strafexpeditie tegen Chōshū bijzonder vergevingsgezind opstelde. Een oorlog tussen Satsuma en Chōshū was nu het laatste wat hij wou. Alle Han moesten samenwerken om het bakufu te verdrijven. Satsuma en Chōshū sloten in 1866 in Kyōto een alliantie.


Saigō’s rol bij het einde van het Bakufuregime

In 1866 stierf shōgun Iemochi en werd Yoshinobu de nieuwe shōgun. Deze laatste probeerde de macht van het bakufu te verstevigen en organiseerde een nieuwe strafexpeditie tegen Chōshū, maar deze faalde doordat Satsuma weigerde troepen te sturen. In 1867 sterft keizer Komei en de nieuwe keizer werd Mutsuhito, beter bekend als de Meiji-keizer. In het midden van 1867 stond Saigō aan het hoofd van 3000 strijders van zowel Satsuma als Chōshū samurai die naar Kyōto marcheerden om druk uit te oefenen op het hof voor de afschaffing van het bakufu, met resultaat. Op 9 december kondigde de keizer het “groot edict voor de afschaffing van het shōgunaat”. Yoshinobu vluchtte naar Osaka, maar toen Saigō ermee dreigde ook Edo met militair geweld te bezetten, werd Yoshinobu uit zijn tent gelokt en kwam hij terug aan het hoofd van een leger van 2500 man. Vlak voor Kyōto vond het treffen plaats tussen troepen van het shōgunaat en van Satsuma, Chōshū en Tosa. Dit was het begin van de Boshin oorlog. De troepen van Yoshinobu werden verslagen en Yoshinobu vluchtte naar Edo. De vlucht van Yoshinobu werd de aanleiding van een militaire campagne die geleid werd door Saigō tegen alle Bakufugetrouwen. Op 4 april 1868 worden de eindtermen van de overgave van Yoshinobu en het kasteel van Edo vastgelegd en op 4 november gaf het kasteel van Edo zich over zonder bloedvergieten. Yoshinobu’s leven werd gespaard. Hoewel er nu officieel geen shōgun meer was, waren er nog altijd bakufugetrouwen die zich niet wilden overgeven. Een groep genaamd de Shōgitai, bestaande uit voormalige bakufusoldaten, had zich verschanst in de kanei-ji, een tempel van Ueno. Op 15 mei werd er een aanval gelanceerd op deze tempel waarbij Saigō aan het hoofd stond van de Satsuma troepen en werd de Shōgitai verslagen. Op 29 mei vertrok Saigō naar Kagoshima om troepen te rekruteren tegen de pro-bakufualliantie die ontstaan was in het Noord-Oosten van Honshū. Hij nam deel aan de belegering van Shōnai.

Saigō in de regering

In 25 februari 1869 wordt Saigō aangesteld als sansei (raadgever in de regering van domeinen). Hij bleef sansei tot 23 juli 1870, toen hij gepromoveerd werd tot dai sanji en op het einde van dat zelfde jaar overstapte naar de centrale regering. De autonomie van Satsuma was een bedreiging voor de Meiji-staat. De Satsuma samurai waren ontevreden over de hervormingen die door de regering ingevoerd werden (zoals het afschaffen van klassen binnen de samurai en het instellen van 1 gezamelijke samuraiklasse: shizoku). Doordat Saigō in de centrale regering stapte, hoopte deze regering dat Satsuma zich zou neerleggen bij haar beslissingen. Toch was er veel onrust bij de samurai en dit leidde vaak tot opstanden. Een van Saigō’s verdiensten binnen de overheid was het samenstellen van een nationaal leger, waarvan hij ook bevelhebber werd. Ook bij de afschaffing van de domeinen, waarbij de grond teruggegeven werd aan de troon (Hanseki hōkan), was Saigō’s steun van cruciaal belang.


Het Korea dispuut

In 1873 ontstond er een dispuut tussen Japan en Korea (seikanron dispuut) omdat de Yin dynastie in Korea de Meiji-keizer niet herkende. Saigō wou naar Korea gaan als hoofd van een delegatie. Zijn bedoelingen waren niet helemaal duidelijk, al is men er vrij zeker van dat hij Korea tot een oorlog wou provoceren. Er waren vele opstanden van misnoegde samurai en een oorlog met Korea vormde de perfecte oplossing om de samurai weer een gezamenlijk doel te geven. Zelf zei Saigō dat hij niet wou dat het tot geweld zou komen, tenzij alle diplomatieke middelen waren uitgeput. Toch werd het Saigō uiteindelijk niet toegestaan om naar Korea te gaan, vooral door Ōkubo, die zei dat de binnenlandse problemen voorrang hadden op de buitenlandse politiek. Hierop stapte Saigō uit de regering en keerde terug naar zijn thuisstad Kagoshima.


Seinan rebellie

In Kagoshima waren er vele ontevreden samurai. Om deze, vaak jongere samurai onder controle te houden en een soort van afleiding te geven, hielp Saigō In 1874 bij de oprichting van een systeem van privaat scholen: Shigakkō. Deze school bestond uit 2 instituten: de infanterieschool en de artillerieschool. Ōkubo, die de groeiende ontevredenheid van de samurai in Kagoshima waarnam, zond spionnen die in deze Shigakkō infiltreerden om informatie te vergaren en eventuele heethoofden of opstanden te bedaren. De jonge samurai van de Shigakkō waren er op gebrand om te rebelleren tegen de nieuwe overheid, maar de leiders van de Shigakkō durfden niets doen zonder de goedkeuring van Saigō. Deze kregen ze toen Saigō te weten kwam dat er spionnen geleid door Nakahara Hisao gevangen genomen waren en bekend hadden dat ze door Ōkubo gezonden waren om verwarring te stichten tussen de samurai van de Shigakkō en zelfs een aanslag te plegen op Saigō. Voldoende voor Saigō om leider te worden van de rebellie en naar Tokyo te gaan om Ōkubo te confronteren. Het rebellenleger vertrok vanuit Kagoshima op 1877/2/15. Dit was het begin van de Seinan -rebellie. Hun eerste actie was het aanvallen van het Kumamoto kasteel. Dit bleek een rampzalige zet te zijn voor het rebellenleger omdat ze het kasteel niet in één ruk konden innemen en over moesten gaan op een langdurig beleg. Dit beleg duurde lang genoeg voor de regeringstroepen om versterkingen te sturen. Het keerpunt in de oorlog was dan ook het terugtrekken uit Kumamoto en het uitbarsten van een serie van gevechten in Tabaruzuki in centraal Kyushu. Nadat ze deze gevechten verloren hadden, trok het leger zich al strijdend terug. Op 9/1 keerde Saigō terug naar Kagoshima en groef zich in in de heuvels van Shiroyama. Van daaruit zouden ze hun laatste aanval op het regeringsleger ondernemen, niet met oog op de overwinning, maar om eervol te sterven. Op 9/24 lanceerde de regeringstroepen de laatste aanval op het rebellenleger. Saigō en zijn troepen stormden de heuvels af, maar Saigō kreeg een kogel door zijn rechter dij. Volgens de romantische mythe knielde hij neer met zijn gezicht naar het keizerlijke paleis en sneed hij zijn buik open waarna een trouwe vriend hem uit zijn lijden verloste door zijn hoofd af te hakken (seppuku ). Dit was een eervolle manier van sterven, maar onderzoek van zijn lichaam toonde geen buikwonde aan, hoewel zijn hoofd gescheiden was van zijn lichaam. Op 9/24 stief Saigō Takamori in de heuvels van Shiroyama. Uiteindelijk minder belangrijk voor zijn rol in het tot stand komen van de Meijistaat en het moderne Japan, dan wel als legende, die tot op vandaag leeft in de geesten en harten van de Japanners. Of zoals de Japanners zelf zeggen: wie Saigō kan doorgronden, kan Japan doorgronden.


Bronnen

Yates, L. Charles. Saigō Takamori: The man behind the myth. London and New York: Kegan Paul International. 1995.

Ravina, Mark. The last samurai: The life and battles of Saigō Takamori. Hoboken (N.J.): Wiley. 2004