Ryūkyū Koninkrijk

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Het Ryūkyū Koninkrijk (琉球王国, ryūkyūōkoku)) was een semi-onafhankelijk koninkrijk, dat vanaf de 15de tot en met de 19de eeuw heerste over een eilandengroep die zich uitstrekte van de Yaeyama Eilanden (八重山列島) in het Zuid-Westen tot de Anami Eilanden (奄美諸島) in het Noord-Oosten van Japan.

Shuri kasteel

Inhoud

Voorgeschiedenis

De eerste vermelding van een heersende dynastie in de historische annalen van de Ryūkyū was de Tenson Dynastie (天孫王朝). Deze dynastie zou van goddelijke oorsprong zijn geweest, en gedurende zeventien duizend jaar geheersd hebben over de eilandengroep. In werkelijkheid bestonden de eilanden uit een reeks stammenrijkjes onder leiding van een stamhoofd, aji of anji die met elkaar om de macht wedijverden.

De Tenson Dynastie diende vooral om de autoriteit te legitimeren van latere monarchen, maar ook om de ongeschreven geschiedenis te verklaren. De Chinese opvatting van het Hemels Mandaat was ook op de archipel doorgedrongen, en door de val van de Tenson Dynastie voor de eigen geschiedenis te plaatsen, kon men zich dit mandaat toeëigenen.

Shunten dynastie (舜天王朝)

Naarmate de Japanse invloed toenam, met vanaf de 13de eeuw regelmatig contact tussen Zuid-Kyūshū en de Ryūkyū-archipel, veranderde ook de opvatting over het “goddelijke recht”. Zolang de macht werd uitgeoefend door éénzelfde familie van goddelijke oorsprong, bleef ook het mandaat behouden. Dit reflecteerde zich in de oorsprong van de eerste koning, Shunten (舜天)(ca.1166-ca.1237), wiens afkomst volgens de kronieken terug zou gaan op Minamoto no Tametomo (源為朝), een lid van de Japanse keizerlijke familie.

Shunten, aji van Urasoe (浦添) nabij Shuri (首里), kon zich op het einde van de 12de eeuw meester maken van het centrale deel van het hoofdeiland Okinawa-hontō (沖縄本島). In deze periode werd ondermeer het Japanse kana-schrift ingevoerd, en het eerste Shuri kasteel geconstrueerd. Shunten's "dynastie" was echter geen lang leven beschoren, en werd in 1260 opgevolgd door een nieuwe, gesticht door Eiso (英祖).

Sanzan Periode (三山時代)

De periode tussen 1322 en 1429 staat bekend als de Sanzan Periode (三山時代), of de Periode van de “Drie Bergen”. Deze term wordt gebruikt om te verwijzen naar de drie rivaliserende vorstendommen van die tijd, het resultaat van een geleidelijke concentratie van de macht in het centrale, noord-en zuidelijke deel van de archipel. Daarom wordt ook naar de koninkrijken gerefereerd als de Zuidelijke Berg Nanzan (南山), de Midden Berg Chūzan (中山) en de Zuidelijke Berg Hokuzan (北山).

In 1349 wordt de door Eiso gestichte dynastie van de Midden Berg van de troon gestoten door Satto (察度), aji van Urasoe. Hij stuurde in 1372 als eerste tribuut naar de Hongwu keizer van de nieuwe Ming dynastie, wat zijn status aanzienlijk vergrootte. Dit zette de Noordelijke en Zuidelijke Berg er toe aan het voorbeeld van Satto te volgen.

Ryūkyū Koninkrijk

Stichting Ryūkyū Koninkrijk

De drie Sanzan koninkrijken bestonden ongeveer 100 jaar, totdat de heerser van de Midden Berg Chūzan, Shōhashi (尚巴志) (reg. 1422-1439), in 1416 eerst Hokuzan en vervolgens in 1429 Nanzan annexeerde en zo heerser werd over de hele Ryūkyū. In 1430 kreeg Shōhashi de titel “Shō” (尚) van de Chinese Ming keizer, waarmee later naar de dynastie zal worden verwezen. Met de eenmaking van de archipel trad het nieuwe koninkrijk een bloeiperiode in die zou duren tot de 2de helft van de 16de eeuw.

Shōhashi vestigde de hoofdstad in Shuri, wat traditioneel ook de machtsbasis was geweest van Chūzan, en breidde ook het Shuri kasteel uit. In Naha (那覇) werd de haven uitgebouwd om de groei van de handel te ondersteunen. Het bestuur van het koninkrijk werd gebaseerd op de hiërarchische structuur van de Ming, zodat onder andere ceremonies, de kledingsstijl aan het hof en de jaartelling het Chinese voorbeeld volgden. Ambtenaren werden ook in de Confucianistische traditie opgeleid, Uit Japan werden dan weer heel wat culturele elementen zoals het Boeddhisme overgenomen.

In 1469 stierf koning Shō Toku (尚徳) zonder opvolger, waarop een troonpretendent die beweerde Toku's geadopteerde zoon te zijn de macht greep en de Tweede Shō Dynastie startte. Het hoogtepunt van het koninkrijk vond plaats tijdens het bewind van Shō Shin (尚真), die heerste van 1478 tot 1526.

Tribuutrelatie China

Sinds in 1372 het eerste gezantschap van de Ming Okinawa had bezocht, begon er zich tussen de eilandengroep en China een sterke tribuutrelatie te ontwikkelen. In ruil voor de erkenning van de Chinese culturele suprematie (dit door een eed van trouw van de koning tegenover de Chinese keizer), kreeg het Ryūkyū Koninkrijk toegang tot handel met China, wat van groot belang was voor de rol die het zou gaan spelen bij de Aziatische handel.

Daarnaast kon het vorstenhuis zich door de tribuutrelatie legitimeren als onafhankelijke natie onder Chinese hegemonie, zolang de Ryūkyū zich maar schikte naar het Chinese ethische en culturele voorbeeld.

Via China kon men ook in constant contact met het Aziatische vasteland blijven. Studenten werden uitgestuurd met tribuutmissies om geschoold te worden in de Chinese Klassieken en geschiedschrijving, en speelden een belangrijke rol bij het uitdragen van het Chinese ideëengoed en het onderhouden van handelsrelaties. Ze vormden een elite en belandden na hun studies vaak in de hoogste overheidsfuncties.

Aziatische handel

Naast tribuutrelaties met de Chinese Ming en Qing dynastieëen, ontwikkelde het Ryūkyū Koninkrijk handelsrelaties met landen als Japan, Korea, Siam, Pattani, Malakka, Champa, Huế en Java. Hierdoor werd het koninkrijk tussen de 15de en 16de eeuw de voornaamste draaischijf voor de Oost-Aziatische handel, en trad op als tussenpersoon bij de handel daar het zelf niet over grondstoffen beschikte. Het resultaat van de handel was een sterke toename van de welvaart op de eilanden.

Japanse zwaarden, zilver, waaiers, wandschermen en lakwerk, Koreaanse ambachtsproducten, Chinese medische kruiden, munten, ceramiek en textiel werden in de havens van het koninkrijk verhandeld tegen Zuid-Oost Aziatische producten zoals ivoor, hout, ijzer, tin, amber en suiker.

In totaal werden ongeveer 150 handelsexpedities ondernomen tussen de Ryūkyū en Zuid-Oost Azië, met ondermeer 61 tochten naar Siam, 10 naar Malakka, 10 naar Pattani en 8 naar Java. Dit gebeurde toen Japanse Wakō (倭寇) piraten zeer actief waren in de Aziatische wateren, maar geen enkele expeditie werd ooit aangevallen. De reden hiervoor was waarschijnlijk omdat Shōhashi in 1429 met de Wakō een veiligheidsgarantie was overeengekomen, en er ook onderling verbanden moeten geweest zijn.

Commerciële activiteiten stagneerden rond 1570 door de opkomst van Chinese handelaars, het arriveren van Portugese en Spaanse galjoenen, en door de introductie van Japanse schepen onder “vergunning met het vermiljoenzegel” (shuinjō 朱印状).

Japanse inmenging

Aanloop

Hoewel Japan verschillende contacten onderhield met de Ryūkyū, met onder andere een bloeiende vrije handel die ontstond tijdens de Muromachi periode, speelde Japan tot ongeveer de 17de eeuw een ondergeschikte rol in de binnenlandse aangelegenheden van de Ryūkyū-archipel. Een van de redenen hiervoor was dat Zuid-Kyūshū het merendeel van de contacten voor zijn rekening nam, en de eilandengroep eveneens vanaf de 14de in tribuutrelatie stond met China. Dit laatste verschafte het koningshuis een zekere legitimiteit en onafhankelijkheid.

Rond 1590 kreeg Shō Nei (尚寧), vanaf 1587 koning van het koninkrijk, echter de eis van de Japanse shōgun (將軍) Toyotomi Hideyoshi (豊臣秀吉) om hem te steunen met manschappen en voorraden in zijn komende campagne tegen Korea. Hideyoshi zette het werk van Oda Nobunaga (織田 信長) verder met de éénmaking van Japan, en had verreikende ambities; het doel van de campagne was om uiteindelijk door te stoten naar het Chinese Ming rijk, en eventueel zelfs verder.

Gezien het Ryūkyū Koninkrijk zich beschouwde als tribuutstaat van de Chinese Ming Dynastie en het neutraal stond tegenover Korea, was er een grote weerstand om direct deel te nemen aan de invasie. Het koninkrijk had niet echt een militaire rol van betekenis, en de Satsuma (薩摩) daimyō (大名) Shimazu Yoshihisa (島津 義久) was bovendien niet gewonnen voor de oprichting van een gewapende macht in de archipel. Yoshihisa verkreeg hierdoor van Hideyoshi dat de gevraagde bijdrage van de Ryūkyū beperkt werd tot het voorzien van bevoorradingen om een leger van ongeveer 7000 man gedurende 10 maanden op de been te houden, dit tegen februari 1592.

Shō Nei had hier aanvankelijk geen oren naar, en pas na een waarschuwing van Hideyoshi werden bevoorradingen met tegenzin verzonden. Een nieuwe eis voor tribuut bleef wederom onbeantwoord, waarop in totaal drie gezantschappen uit Satsuma met een boodschap van Hideyoshi het Shuri kasteel bezochten. Daar kregen ze enkel te horen van een minister dat het onmogelijk was om een dergelijk tribuut te verzamelen van een koninkrijk zo arm als de Ryūkyū. Het Chinese hof werd van de situatie op de hoogte gebracht, maar kwam niet tussen beiden.

Ondertussen was de Japanse invasie in Korea echter in alle hevigheid losgebarsten, zodat het dispuut met de Ryūkyū naar de achtergrond verschoof. Pas nadat Hideyoshi in 1598 stierf, de Japanse legers zich hadden teruggetrokken uit Korea en Tokugawa Ieyasu (徳川 家康) zich vervolgens na de Slag van Sekigahara in 1600 meester had gemaakt van Japan, kwam de ongehoorzaamheid van het Ryūkyū Koninkrijk terug aan de orde.

Satsuma invasie

Met de oprichting van het Tokugawa Shogunaat in 1603 kwam er ondermeer een belangrijke herverdeling van de feodale domeinen in Japan, met als doel de macht in te perken van de overwonnen daimyō. Satsuma, dat niet de kant van Ieyasu had gekozen tijdens de slag van Sekigahara, werd ver van de nieuwe hoofdstad in Edo geïsoleerd in Zuid-Kyūshū zonder kans op uitbreidingsmogelijkheden. De Shimazu familie werd een erger lot gespaard doordat Shimazu Tadatsune (島津 忠恒), de zoon van Shimazu Yoshihiro (島津 義弘), onder de naam Iehisa (家久) de nieuwe daimyō werd van Satsuma.

Vervolgens werd een boodschap verstuurd naar de Ryūkyū, met de raad aan Shōnei om zich wijselijk te onderwerpen aan het nieuwe bestuur van Ieyasu. De koning weigerde dit echter, wat Satsuma ertoe aanzette de shōgun toestemming te vragen om voor deze belediging een strafexpeditie te ondernemen tegen het koninkrijk. Dit verzoek werd toegestaan, mede omdat het volledig kosteloos was voor het Shogunaat, en het als uitlaatklep kon dienen voor de gefrustreerde Satsuma samurai. Bovendien was stilaan de behoefte gegroeid voor een buffer aan de zuidelijke grens van Japan als middel om de handel naar Nagasaki te controleren.

Na enkele voorbereidingen stevende uiteindelijk in februari 1609 een 3000 man sterk leger af op het weigerachtige koninkrijk. Weinig ervaren of geoefend, maakte de eilandenarchipel geen kans tegen de in de strijd geharde Satsuma samurai. De Ryūkyū werden snel onder de voet gelopen, het Shuri kasteel geplunderd, en de koning Shōnei werd als gevangene meegenomen naar Satsuma en vervolgens Edo om verantwoording af te leggen voor zijn daden. Pas na 3 jaar werd hij vrijgelaten, en keerde hij als een 'vazal' van Satsuma terug naar de Ryūkyū. De facto had het koninkrijk zijn onafhankelijkheid verloren.

Shōnei werd verplicht een eed van trouw in drie artikelen aan Satsuma te zweren, hetgeen de ondergeschikte rol van zijn veroverde rijk formeel vastlegde. Ook de hoge officieren van de koning, die als gijzelaars mee waren genomen, dienden 15 artikelen te ondertekenen met stricte bepalingen, vooral betreffende de economie. Net als hun koning, dienden ze ook een eed te zweren aan Satsuma. Handel en politiek werden vanaf dat moment de exclusieve aangelegenheid van Satsuma.

Tijdens de afwezigheid van de koning had Satsuma de hele administratie en economie van het koninkrijk in kaart gebracht. De jaarlijkse opbrengsten werden geschat op 94.220 koku. Er werd bepaald dat de Ryūkyū een jaarlijks tribuut van 11.935 koku diende te betalen, ongeveer een achtste van de totale opbrengst. Daarnaast diende de koning jaarlijks verder ongeveer 8.000 koku van zijn privéinkomen af te staan. Dit betekende een enorme klap voor de economie en welvaart.

Annexatie Amami Eilanden

Het Ryūkyū Koninkrijk kreeg na de terugkeer van de koning het bestuur onder zware voorwaarden gedeeltelijk terug, maar moest in 1624 met lede ogen aanzien hoe de Amami eilanden in het uiterste Noorden geannexeerd werden. De kleine eilandengroep werd zeer snel geïntegreerd in de Satsuma-han (薩摩藩) (en maakt nog steeds deel uit van de hedendaagse Kagoshima Prefectuur) en speelde een belangrijke rol bij de economische groei van de han (藩).

Onder de directe controle van Satsuma verschilde het regime zeer sterk van dat van de rest van het koninkrijk. De invoer van suikerriet en het verbouwen van het gewas, resulteerde in een pijnlijke uitbuiting van de lokale eilandbewoners, waarnaar nadien met “Sato jigoku (佐藤地獄) of “Suikerhel” verwezen werd.

Duale tribuutstatus

Niet alleen was het Ryūkyū Koninkrijk verplicht tribuut te betalen aan Satsuma en respect te betuigen aan de shogun in Edo, maar het diende tevens ook de klassieke tribuutrelatie met China te onderhouden. Omdat het Ming rijk de handel met Japan had verboden (Ieyasu trachtte wel via Shuri de handel met China te herstellen, maar zonder veel succes) en Japan zichzelf begon te isoleren via het nieuw ingestelde Sakoku beleid (鎖国), kon Satsuma alsnog via de Ryūkyū een lucratieve handel drijven met China. Deze handel bleek uiteindelijk cruciaal in het latere omverwerpen van het Tokugawa Shogunaat.

De duale tribuutstatus zorgde voor heel wat ongemakken. Om te vermijden dat de Chinezen weet kregen van de onderlinge relatie met Satsuma, werd alles in het werk gesteld om de Japanse aanwezigheid te verhullen. Toch kwam het dagelijkse leven onder aanzienlijke Japanse invloed te staan, hoewel dit niet verhinderde dat studenten naar China werden gestuurd voor educatie.

Uiteindelijke annexatie

Met de Meiji Restaurantie van 1868 en het begin van de uitbouw van een Japanese eenheidsstaat op Westerse leest, begon ook het einde van de Ryūkyū als semi-onafhankelijk koninkrijk. Imperialistische druk van Westerse mogendheden, die culmineerde in de ontsluiting van Japan in 1854 door Commodore Matthew Perry, deed de nood ontstaan voor duidelijk afgebakende landsgrenzen.

In 1875 werd een akkoord met Rusland getekend voor Noord-Japan, waarbij het Zuiden van Sakhalin en de Koerilen aan Japan werden toegewezen. Ook in Hokkaidō werd een kolonisatiepolitiek door de nieuwe overheid gevoerd, om op die manier de Russische expansie in het Noorden een halt toe te roepen.

In het Zuiden werd gevreesd dat het Ryūkyū Koninkrijk, rond die periode nog steeds ondergeschikt aan een duale tribuutstatus, ten prooi zou vallen aan de Westerse grootmachten. Daar dit zou resulteren in een directe bedreiging voor de Japanse veiligheid, wilden de Japanse leiders van die tijd de archipel gebruiken als geopolitieke bufferzone. Eerst moest echter wel de ambigue legale status van de eilandengroep worden opgelost.

Toen vissers uit de Ryūkyū die in Taiwan schipbreuk leden werden gedood, reageerde Japan in mei 1874 met een militaire expeditie om de schuldigen voor deze daad te bestraffen en het eiland te veroveren. Dit schepte een belangrijk precedent omdat Qing China het incident eerder zag als een conflict tussen onderdanen onder dezelfde Chinese suzereiniteit. Met het ondernemen van de strafexpeditie nam Japan de rol van suzerein over de Ryūkyū op.

Na Britse en Amerikaanse tussenkomst trok Japan zich enige tijd later uit Taiwan terug, maar wist tijdens de onderhandelingen met het Qing Rijk niet alleen de Ryūkyū maar ook Korea los te weken uit het traditionele Chinese tribuutsysteem. Vervolgens ging Japan in 1879 over tot de annexatie van het hele Ryūkyū Koninkrijk, en vormde het in 1882 om tot de hedendaagse Okinawa Prefectuur. De Amami-Ōshima eilandengroep die al enkele eeuwen daarvoor in de Satsuma-han was geïntegreerd, werd een onderdeel van de Kagoshima Prefectuur.

Het Qing Rijk protesteerde, maar was helemaal niet voorbereid op de enorme expansie van de Japanse macht in de regio, en kon hier tegen niets inbrengen. De laatste koning, Shō Tai (尚泰), werd overgeplaatst naar Tokio en werd Markies gemaakt binnen de nieuw opgerichte adelstand, die men in het leven had geroepen om in het Japanse Hogerhuis te zetelen.

Bronnen

  • Kerr, George H. Okinawa : the history of an island people. Rutland, Vermont & Tokio, Japan: Tuttle, 1959.
  • Matsuda, Mitsugu. The Government of the Kingdom of Ryukyu, 1609-1872, Okinawa, Japan: Yui Pub. Co., 2001.
  • Hook, Glenn D. en Siddle, Richard. Japan and Okinawa: structure and subjectivity. Londen: Routledge Curzon, 2003.
  • Cullen, L.M. A History of Japan, 1582-1941: Internal and External Worlds. Trinity College, Dublin: Cambridge University Press, 2003.

{{De informatie op deze pagina, of een eerdere versie daarvan, is geheel of gedeeltelijk afkomstig van de Faculteit Letteren aan de KULeuven.}}

Externe links

  • Yasushi, Kameshima (亀島 靖). "Winds, Waters & the Ryukyu Kingdom". Winds, Waters & the Ryukyu Kingdom, 2001.

<http://members.tripod.com/~MickMc/history.html> (16-11-2006).

  • Gukushu Site and the Related Properties of the Kingdom of Ryukyu, 2003.

<http://www.wonder-okinawa.jp/002/e_index.html> (16-11-2006).