Russisch-Japanse oorlog

Uit GeschiedenisJapan

De Russisch-Japanse oorlog en de tweede industriële revolutie


De inmenging van de westerse mogendheden in de interne aangelegenheden van China werd na de Boksersopstand intenser. Ook Japan wierp zich in de strijd om vaste voet aan de grond te krijgen in dat land. Het kwam vooral in aanvaring met Rusland. Dankzij de steun van Amerika en Groot-Brittannië kon Japan zich hard opstellen tegen Rusland. In Japan zelf wist de regering zich gesteund door een hetze tegen Rusland, dat werd afgeschilderd als Japans grootste vijand. De militaire overwinning op Rusland leverde de militairen dan ook een enorme winst aan prestige op. Nu kwamen er stilaan moeilijkheden met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, die de toenemende invloed van Japan in het Verre Oosten begonnen te vrezen. Paradoxaal genoeg leidde dit tot een Japanse toenadering tot Rusland. In deze periode kreeg de Japanse overheid af te rekenen met steeds grotere financiële en economische problemen, die hoofdzakelijk te wijten waren aan een grote buitenlandse schuld, veroorzaakt door de tweede industriële revolutie, en een grootscheeps bewapeningsprogramma, dat de militairen doordrukten nu hun reputatie een hoogtepunt bereikt had. Massale armoede, uitbuiting van de gekoloniseerde volkeren en monopolievorming om de crisis te kunnen oplossen, waren de weinig aantrekkelijke gevolgen. Ze zorgden voor grote sociale spanningen, die tot politiek extremisme leidden en vaak in geweld uitmondden. Het hoogtepunt hiervan was het incident van de Majesteitsschennis (Taigyaku jiken 大逆事件) in 1910.


Inhoud

De Boksersopstand

Het Chinabeleid van de westerse mogendheden

Op het einde van de negentiende eeuw vierde het kolonialisme hoogtij. Afrika werd verdeeld en ook de verscheuring van Azië was volop aan de gang. China ontsnapte er evenmin aan, zeker na zijn nederlaag tegen Japan. Rusland, Duitsland en Frankrijk, de landen die na de vrede van Shimonoseki waren tussengekomen en Japan gedwongen hadden om het Liáodōng-schiereiland terug te geven, waren de eersten die als prijs voor hun tussenkomst de Chinese soevereiniteit begonnen aan te tasten. Groot-Brittannië sloot zich hierbij aan, terwijl ook Japan opnieuw trachtte een rol te spelen op het vasteland. De doelstellingen en gebruikte technieken kunnen in drie categorieën worden ingedeeld:

  1. uitbouw van een invloedssfeer door grote gebieden in pacht te nemen;
  2. het verwerven van rechten op gebieden waar delfstoffen werden gewonnen of spoorwegen aangelegd;
  3. het land afhankelijk maken door leningen toe te staan.

Rusland leende, samen met Frankrijk, zes miljoen keizerlijke roebels aan China onder gunstige voorwaarden. In ruil daarvoor kreeg Rusland het recht een bank op te richten, die zich uitsluitend bezighield met Russische handelsbelangen. Het sloot ook een geheime alliantie met China om de Japanse invloed te keren (Ro-Shin mitsuyaku 露清密約). Rusland kreeg het recht de Oost-Chinese spoorweg (Tōshin tetsudō 東清鉄道) aan te leggen en uit te baten, kon Port Arthur en Dairen voor 25 jaar in pacht nemen en mocht ook in Mantsjoerije een spoorweg aanleggen en delfstoffen ontginnen.

Frankrijk verwierf een invloedssfeer in het huidige Zuid-China, waar het voor een periode van 99 jaar Guǎngzhōu in pacht mocht nemen. Duitsland maakte gebruik van het voorwendsel dat een aantal missionarissen vermoord waren om de Baai van Jiaozhou voor 99 jaar in pacht te krijgen, samen met het recht een spoorweg uit te baten op het Shāndōng-schiereiland en er delfstoffen te ontginnen.

Groot-Brittannië kreeg gebieden langs de Jangtsekiang (Yángzǐ Jiāng 揚子江) in handen en, ter compensatie voor wat de Duitsers en Fransen hadden gekregen, kreeg het Wēihǎiwèi en het Kowloon (Jiǔlóng 九龍)-schiereiland in pacht voor 99 jaar. Japan nam als volleerde grootmacht deel aan de goldrush en kreeg de gehele provincie Fújiàn 福建, tegenover Taiwan, onder zijn beheer.

Amerika was, wegens de burgeroorlog, te laat op het appel verschenen om deel te nemen aan de wedren voor het verwerven van rechten ('the scramble for concessions'). Omdat er niet veel meer te rapen viel, stelde het land zich soepel op en maande het de andere mogendheden tot matiging aan. In 1899 drong het aan op een 'open deur politiek': de zelfstandigheid en de eenheid van het Chinese Rijk moesten gewaarborgd blijven, maar overal in China moest de buitenlandse handel gelijke kansen krijgen.

China ontwaakt

Chinees verzet tegen het Westen was reeds vroeg op gang gekomen (bijvoorbeeld de Tàipíng 太平-opstanden van 1851-1865), maar had weinig resultaat opgeleverd. Vervolgens trachtte een hervormingsbeweging, onder de invloed van Kāng Yǒuwéi 康有為 (1858-1927), China uit te bouwen naar westers model. Sun Yat-Sen 孫逸仙 (Chinees: Sūn Yìxiān, Japans: Son Issen) probeerde in 1895 diverse keren een opstand tegen het regime te ontketenen, maar mislukte. Wel legde hij de basis voor een grote revolutionaire organisatie. Hij moest vluchten naar Japan, waar hij bewustmakingswerk onder de Chinese studenten deed, wat leidde tot de vorming van de Tóngméng Hui 同盟会 (Jap.: Dōmei Kai), de latere Guómíndǎng 国民党 of Chinese Nationale Volkspartij (Jap.: Kokumin-tō), ook wel gemeenzaam de "De Nationalistische Partij" genoemd.

In 1899 brak de Boksersopstand uit. De Boksers (Giwadan 義和団) waren afgescheurd van de geheime secte van de Witte Lotus, die streefde naar de verdrijving van alle buitenlanders en het herstel van een stevig bestuur onder de Qing-dynastie. In 1900 keerden de Boksers zich tegen de residentiële wijken van de Europeanen in Tiānjin en de Duitse en Japanse missies in Běijīng, waarbij zowel aan Duitse als aan Japanse kant personeel het leven liet. Na een kort beraad werd een internationaal expeditieleger gevormd, waarin vooral Rusland en Japan sterk vertegenwoordigd waren, en de opstand werd onderdrukt. Het gevolg was een nieuwe vernedering voor de Chinese overheid. China moest zijn verontschuldigingen aanbieden, de raddraaiers werden ter dood veroordeeld en er werd een zeer hoge schadevergoeding gevorderd, bovenop de sommen die China reeds moest betalen aan Japan. Aan de afbetaling werden voor lange tijd de inkomsten van de Chinese Keizerlijke Douane besteed. Door dit voorval verhoogde Japans internationaal prestige nog aanzienlijk.

Russische expansiedrang

De zuidwaartse strategie van Rusland

Na de concessies die Rusland in China had verworven, stuurde het een groot leger naar Mantsjoerije onder het voorwendsel dat het een verdediging tegen de Boksers moest bieden en dat zulks behoorde tot de voorbereidselen voor de aanleg van de spoorweg. Met de troepen kon Rusland China onder druk zetten om het geheime Russisch-Chinese pact tegen Japan te sluiten. De facto nam Rusland heel Mantsjoerije in bezit.

Het ondernam eveneens verwoede pogingen om Korea tot bondgenoot te maken. Dit was vrij gemakkelijk omdat de Japanse ambassadeur in China een beweging steunde die de Koreaanse koningin wou vermoorden. In de periode 1896-1898 werd tot tweemaal toe een geheim Russisch-Koreaans akkoord (Ro-Kan mitsuyaku 露韓密約) gesloten. Rusland kreeg het recht troepen in Korea te detacheren, militaire adviseurs te sturen en een kamer van koophandel te openen. In 1900 mocht het een Russisch-Koreaanse Bank openen en kreeg het militaire havenfaciliteiten.

Japanse reactie

De Japanse leiders waren verdeeld over de houding die ze dienden aan te nemen tegenover de Russische machtsuitbreiding. Itō Hirobumi, Inoue Kaoru, Ozaki Yukio, e.a. waren voorstander van een verzoeningsgezinde koers, die aanstuurde op samenwerking met Rusland. Voorstanders van deze doctrine (Nichi-Ro teikei-ron 日露提携論) wilden eventueel Ruslands greep op Mantsjoerije aanvaarden in ruil voor een Japans alleenrecht in Korea. Lijnrecht daartegenover stonden Yamagata Aritomo, Katsura Tarō en Komura Jutarō, die meenden dat dit de Russische appetijt alleen maar zou aanscherpen, en voor de confrontatie opteerden. In maart 1901 diende Japan een officiële protestnota in bij de Russen tegen de feitelijke bezetting van Mantsjoerije. Hierop kwam geen reactie, zodat Japan besloot uit te kijken naar een bondgenoot tegen Rusland. Uiteindelijk was Groot-Brittannië, dat de uitbreiding van de Russische invloedssfeer met lede ogen aanschouwde, bereid tot samenwerking. In ruil voor de Japanse erkenning van haar concessies in China aanvaardde Groot-Brittannië in januari 1902 een alliantie met Japan (Nichi-Ei Dōmei 日英同盟).

De Brits-Japanse Alliantie

Deze alliantie bevatte onder meer de volgende punten:

  • beide landen zouden instaan voor de onafhankelijkheid en de bescherming van China en Korea en zouden elkaars belangen in die landen respecteren.
  • als een van de ondertekenaars in een oorlog betrokken zou raken, beloofde de andere strikt neutraal te blijven.
  • als twee of meer mogendheden in een conflict met een van de ondertekenaars betrokken zouden worden, zou de andere ondertekenaar hulp verlenen.

Deze alliantie verhinderde dat Groot-Brittannië zou toetreden tot de Frans-Russische Entente, hoewel het dat later toch deed (de Triple Entente). Ook Duitsland sprak het verlangen uit om toe te treden tot de Brits-Japanse Alliantie, om op die manier de Russische plannen in Azië te dwarsbomen, maar zover kwam het niet. De alliantie bleef bestaan tot 1921 en werd tweemaal herzien. Eerst was de alliantie gericht tegen Rusland, maar later verplaatste de focus zich naar Duitsland.

Russische reactie

Eerst reageerde Rusland door te verklaren dat zijn entente met Frankrijk ook in het Verre Oosten van toepassing zou zijn, maar later bond het wat in. In 1902 gaf het Mantsjoerije terug aan China en aanvaardde het in anderhalf jaar tijd de Russische troepen terug te trekken.

De Russisch-Japanse Oorlog vanuit internationaal perspectief

Het uitbreken van de oorlog

Overeenkomstig zijn belofte trok Rusland in 1902 een deel van zijn troepen terug, maar de vooropgestelde datum voor een volledige terugtrekking ging voorbij zonder dat het zijn verplichtingen nakwam. Integendeel, het bracht nieuwe divisies in stelling, eiste van China dat het in Mantsjoerije een 'open' beleid zou voeren, en bouwde een reeks communicatieposten juist over de Koreaanse grens. Dit alles werd in Rusland doorgedrukt door een groep keizersgetrouwen (waaronder aandeelhouders van de maatschappij die de bossen rond de Yalu-rivier ontgon) tegen de op vrede aansturende partij van Sergej Witte in. Japan verwachtte weinig goeds van de koerswijziging van Rusland en begon via de minister van Buitenlandse Zaken, Komura Jutarō, onderhandelingen met de Russische gevolmachtigde Roman Romanovitsj Rosen. Dit leidde niet tot een overeenkomst. De publieke opinie was ronduit anti-Russisch. Het virulente anti-Russische standpunt van zeven doctores van de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō, waaronder Konoe Atsumaro 近衛篤麿, vader van de latere eerste minister Konoe Fumimaro 近衛文麿, goot olie op het vuur. In februari 1904 brak de regering de diplomatieke betrekkingen af en verklaarde de oorlog aan Rusland.

Het verloop van de strijd

De oorlog begon met een veldslag voor de monding van de Inchon-rivier, die voor de Japanners gunstig verliep. Onder leiding van de opperbevelhebber Ōyama Iwao vielen één voor één de steden Liáoyáng 遼陽, Ānshān 鞍山, en Port Arthur, tot in maart 1905 de Russen te Mukden (Chin.: Fèngtiān 奉天, Jap.: Hōten, thans Shěnyáng瀋陽) de definitieve klap kregen. Op zee had Japan de haven van Port Arthur hermetisch afgesloten, zodat Ruslands vloot nooit in de strijd kon komen. Het te hulp gekomen Baltische eskader werd in de Slag van de Japanse Zee totaal vernietigd.

De houding van de Westerse mogendheden

Zodra de oorlog uitbrak, verklaarden Amerika, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië zich neutraal. Vooral Amerika stelde zich positief op tegenover Japan door te dreigen dat als Frankrijk of Duitsland tussenbeide zou komen, de Verenigde Staten Japan te hulp zouden snellen. De neutraliteit was in feite niet volledig, want Groot-Brittannië en de Verenigde Staten stonden toe dat Japan buitenlandse staatsleningen uitschreef op de financiële markten van Londen en New York om de oorlogsuitgaven te dekken. Daartoe had het ook binnenlandse leningen uitgeschreven en de belastingen verhoogd, maar deze maatregelen waren verre van toereikend. De oorlogsuitgaven waren eenvoudig te hoog in verhouding met de nationale begroting en de economische draagkracht van het land. Toen Japan zijn limiet bereikte, zocht het naar een geschikt moment om over vrede te onderhandelen. De vernietiging van het Baltische eskader bood daartoe de gedroomde gelegenheid.

Het Verdrag van Portsmouth

Militair gezien had Japan de oorlog over de gehele lijn gewonnen, maar economisch verkeerde het in grote ademnood. Van zijn kant had de tsaristische regering te kampen met de revolutie van 1905. Duitsland en Frankrijk spoorden Rusland aan om de wapens neer te leggen. Japan vroeg de Amerikaanse president Theodore Roosevelt om als bemiddelaar op te treden. Komura Jutarō was gevolmachtigd onderhandelaar voor Japan, terwijl Rusland zich liet vertegenwoordigen door Sergej Witte. Op 5 september 1905 werd in het Amerikaanse stadje Portsmouth het gelijknamige verdrag ondertekend. Voor zijn bemiddeling ontving T. Roosevelt in 1906 de Nobelprijs voor de Vrede.

Inhoud van het verdrag en binnenlandse protesten in Japan

De overeenkomst behelsde de volgende punten:

  • Rusland erkende de Japanse invloedssfeer in Korea;
  • Japan kreeg de Russische pachtgebieden in Guǎndōng 廣東 (Japans: Kantō, het huidige Liáoníng 遼寧) met de steden Port Arthur en Dairen, alsook de uitbatingsrechten van alle Russische spoorweg- en mijnfaciliteiten ten zuiden van Chángchūn 長春;
  • Japan kreeg de zuidelijke helft van Sachalin (onder de vijftigste breedtegraad);
  • Japan kreeg visserijrechten in de territoriale wateren van Rusland in het Verre Oosten.

Het verdrag voorzag niet in schadevergoedingen. Japan had het maximum uit het verdrag gehaald, maar de Japanse publieke opinie, die geen idee had van de ware machtsverhoudingen en meende dat de zege van Japan absoluut was, wou ook geld. Er ontstonden groeperingen die zich tegen het verdrag kantten. De ergste relletjes vonden plaats in Hibiya 日比谷, waar een publieke meeting die de Japanse laffe internationale houding aan de kaak stelde, uitdraaide op protest tegen de overheidsrepressie en de belastingverhogingen. De opgehitste gemoederen leidden tot plunderingen. Het publiek maakte duidelijk geen juiste inschatting van de reële machtsverhoudingen.

Gevolgen van de oorlog

De overwinning van de Aziatische dwerg op de Europese kolos verhoogde Japans aanzien in het buitenland gevoelig. Het land blaakte van zelfvertrouwen en het ging werk maken van de uitbouw van een invloedssfeer op het vasteland. De tendensen die sedert de Sino-Japanse Oorlog reeds aan het licht waren gekomen, namelijk monopolievorming en militarisering, drukten steeds meer nadrukkelijk hun stempel op het nationale beleid. De grote buitenlandse schuld liet echter vooralsnog niet genoeg speelruimte.

Imperialisme

In de industrie tekenden zich monopolies af. Enkele grote concerns slaagden erin door de concentratie van kapitaal de hele industrie te controleren. Overtollig kapitaal werd geïnvesteerd in het buitenland of in bewapening, die dan weer diende om de kolonisering op het vasteland te ondersteunen. Industrie en leger werden objectieve bondgenoten.

Zware belastingdruk

De oorlog had enorme kapitalen verslonden. De totaalkost liep tegen de twee miljard yen, meer dan zesmaal het nationale product van Japan. Zeshonderd miljoen werd door binnenlandse obligaties gefinancierd, en nog eens tweehonderd miljoen werd via belastingverhogingen gerecupereerd. Toch dienden nog achthonderd miljoen yen in het buitenland geleend te worden. Ook de betaling van de intresten ten bedrage van honderd miljoen vormde een groot probleem. Bovendien verlangden de militairen in de overwinningsroes de begroting voor het leger nog aanzienlijk te verhogen. De overheid was dus koortsachtig op zoek naar geld. In dat kader moet de nationalisering van de Japanse spoorwegen gezien worden. In hetzelfde jaar werd ook de Spoorwegmaatschappij van Mantsjoerije opgericht met Japan als voornaamste aandeelhouder. De financiële situatie bleef uiterst penibel en de belastingdruk werd tot de limiet van het draaglijke opgedreven. 1907 was een echt crisisjaar. Indexeren we de belastingdruk per persoon op 100 in 1900, dan bedroeg hij in 1906 reeds 208, meer dan het dubbele, en in 1908 zelfs 258.

Annexatie van Korea

In februari 1904, dus voor het uitbreken van de Russisch-Japanse Oorlog, tekende Japan met Korea een geheim protocol (Nik-Kan giteisho 日韓議定書). Dit gaf de Japanse regering het recht zich in de binnenlandse politiek van Korea te mengen en zijn troepen in het land te stationeren. In augustus van datzelfde jaar drong Japan aan Korea een Samenwerkingsakkoord op (het Nik-Kan kyōyaku 日韓協約). Door Japan aangestelde adviseurs, waaronder de Amerikaan Stevenson, bepaalden voortaan mede het financiële beleid en de buitenlandse politiek van Korea. Toen door het Verdrag van Portsmouth internationaal aanvaard werd dat Japan in Korea tussenbeide kwam, was het hek helemaal van de dam. Japan beredderde nu openlijk de volledige politiek van Korea. Eind 1905 werd in Seoul het Tōkan-fu 統監府 opgericht, belast met het toezicht op de modernisering van Korea, met Itō Hirobumi als eerste tōkan 統監 (supervisor). De Koreanen stuurden een geheime delegatie naar de Internationale Vredesconferentie in Den Haag, om hun zaak voor de internationale publieke opinie te brengen, maar dat haalde niet veel uit. Itō Hirobumi reageerde boos, en eiste het aftreden van de Koreaanse koning, die de delegatie gestuurd had. Een nieuwe koning besteeg de troon en pro-Japanse politici kwamen in het kabinet. Met dit kabinet sloot Japan een overeenkomst die Korea degradeerde tot protectoraat. In elk ministerie werd een Japanse directeur-generaal aangesteld en het Koreaanse leger werd ontbonden. In 1909 werd de totale annexatie een feit, zonder noemenswaardig protest vanwege de westerse mogendheden. Tot 1945 hield de Koreaanse staat op te bestaan. Voortaan kende Korea een repressief koloniaal beleid, gevoerd door het gouvernement van de resident-generaal (sōtoku-fu 総督府), Terauchi Masatake 寺内正毅.

Japans continentale beleid

De overwinning op de Russen maakte de Japanners tijdelijk tot de grote vrijheidshelden van Azië. Hun handelswijze tegenover Korea deed de in Japan gestelde hoop echter snel omslaan in scepsis. Vooral toen Japanse troepen Mantsjoerije binnenvielen en het gebied werd afgesloten voor buitenlandse inmenging begon de internationale achterdocht te groeien. Groot-Brittannië en Amerika verzetten zich heftig tegen het Japanse optreden.

De Amerikanen werden door de toenemende Japanse macht verontrust en vreesden dat Japan ook zijn invloed in de Filippijnen zou willen vestigen. William H. Taft, Amerikaans minister van Defensie, reisde in 1905 naar Japan, waar hij met premier Katsura besprekingen voerde. De Katsura-Taftovereenkomst, gesloten in juni 1905, bevestigde de natuurlijke belangen van Japan in Korea, in ruil voor Japans aanvaarding van Amerika's zeggenschap over de Filippijnen. De inhoud van deze overeenkomst werd pas in 1922 bekend.

De Japans-Britse Alliantie werd in 1905 herzien op twee punten:

  • Het toepassingsgebied van het Verdrag werd uitgebreid tot India, omdat Londen vreesde dat de Russen ook belangstelling hadden voor het Indische subcontinent.
  • Londen erkende de specifieke belangen van Japan in Korea en het Japanse militaire en politieke optreden in dat land.

In 1911 werd het Verdrag nogmaals herzien.

Japan, dat stilaan problemen kreeg met de Verenigde Staten, zocht in het geheim toenadering tot zijn oude vijand Rusland en sloot drie verdragen. Voor de buitenwacht proclameerden de nieuwe vrienden dat ze het status-quo in het Verre Oosten en de soevereiniteit van China bevestigden. Bovendien kwamen ze in het geheim overeen elkaars belangen in Korea en Buiten-Mongolië te erkennen (het eerste verdrag), elkaar te helpen om hun belangen te beschermen tegen het opdringende Britse en Amerikaanse kapitaal (het tweede verdrag), Buiten- en Binnen-Mongolië als wederzijdse invloedssferen te handhaven tegen het groeiende Chinese nationalisme (het derde verdrag). Ook Frankrijk sloot een verdrag af met Japan, waarin beide landen elkaars belangen in Azië erkenden.

De tweede industriële revolutie

Ontwikkeling van de zware industrie

Bij deze tweede industriële revolutie lag de nadruk meer op de zware nijverheid. Aanvankelijk verliep de ontwikkeling weinig opvallend, maar vooral in de wapenindustrie was een gestage ontplooiing merkbaar. De staalproductie was haast uitsluitend voor militaire doeleinden bestemd. In 1897 werd de Yawata-gieterij (Yawata seitetsu-sho 八幡製鉄所) opgericht als overheidsbedrijf. In 1901 werd ze operationeel. Het ijzererts werd geleverd door de mijnen die in China in concessie waren verkregen. Deze fabriek gaf de aanzet tot de tweede industriële revolutie. Vooral Noord-Kyūshū ontwikkelde zich tot een belangrijk centrum van staalproductie. In de productie van machines investeerde de overheid nauwelijks, maar de privé-sector had een belangrijke producent, Mitsubishi Denki. De zware nijverheid kon niet opbloeien zonder voldoende grondstoffen. Ondanks de relatieve armoede van Japan steeg de productie van steenkool zeer snel naarmate de staalnijverheid opbloeide en het genationaliseerde spoorwegnet werd uitgebreid. Koper, goud en zilver werden opnieuw interessante delfstoffen, nu Japan met grote buitenlandse schulden zat. In 1900 kregen buitenlandse maatschappijen, als eerste het Amerikaanse Standard Oil (Esso), de vergunning om naar olie te boren, een techniek die Japan nog niet meester was.

In Yokosuka kwam een grote scheepswerf voor militaire doeleinden, terwijl de bouw van handelsschepen grote werven in het leven riep in Tōkyō (op het eiland Ishikawajima), Kōbe (Kawasaki Steel), Nagasaki, ... Japan werd snel een der grootste maar ook kwalitatief beste scheepsbouwers ter wereld. Het land kon dank zij de vele riviertjes met groot verval tal van hydro-elektrische centrales bouwen, die het mogelijk maakten hier en daar tram- en treinnetten te elektrificeren en tot in de huizen van de gewone man elektrische voorzieningen te brengen. Verder bloeiden de cement- en kunstmestnijverheid.

Ontstaan van kapitaalmonopolies

De ontwikkeling van de industrie werkte de monopolisering en concentratie van bedrijven in de hand. Talloze kleine ondernemingen waren na 1890 failliet gegaan en degene die overeind bleven, waren meestal bedrijven die aan kartelvorming deden binnen hun eigen sector. Tijdens de crisis van 1901 kwamen vele banken in moeilijkheden, met hetzelfde gevolg: enerzijds faillissementen, anderzijds fusies. Rond de eeuwwisseling werden de beroemde zaibatsu 財閥 gevormd. Enkele zakenlui met politieke connecties accumuleerden kapitaal in een paar grote banken en kochten met dat geld hele nijverheidssectoren op. Mitsui 三井, Mitsubishi 三菱, Sumitomo 住友 en Yasuda 安田 zijn de meest bekende zaibatsu. In deze tweede fase van de industriële revolutie ontstond dus ook een monopolistisch kapitalisme, dat zich bewust of onbewust innestelde in de imperialistische politiek van Japan.

De landbouw

Door de invoer van goedkope grondstoffen, voornamelijk uit China en Korea, ging de kweek van katoen, vlas, linnen, e.d. achteruit, maar dankzij de bloei van de zijde-industrie bleef de kweek van zijderupsen en het exporteren van zijde een winstgevende bezigheid. Deze zijde veroverde de wereldmarkten en vond vooral in Amerika een gretige afzet. De welvaart van de zijdeproducenten steeg aanzienlijk, terwijl de gewone boerenbevolking kreunde onder de bijzonder zware lasten die haar werden opgelegd door de grondeigenaars en de staat. De pacht kon tot de helft van de opbrengst bedragen, zodat ook dagloners en weddetrekkende boerenknechten het zeer zwaar hadden. Pachtersbonden concentreerden zich op de eis van verlaging van de pachtgelden.

Sociale beweging en strijd

Vakbonden waren verboden. De repressie van de socialistische bewegingen leidde tot radicalisering en extremisme. Het volk groeide nu snel in politiek bewustzijn. De eis om algemeen stemrecht en vrouwenemancipatie klonk steeds luider.

Pacifistische tendensen

Toen de Russisch-Japanse Oorlog onafwendbaar leek, stichtte de journalist Kuroiwa Ruikō, eigenaar van de krant Yorozu Chōhō 万朝報, een groepering van pacifisten, die de oorlog en de repressieve wetten bekritiseerde. Vlak voor het uitbreken van de oorlog veranderde hij evenwel van mening, zodat zijn drie medestanders Kōtoku Shūsui (1871-1911), Sakai Toshihiko 堺利彦 (1870-1933) en Uchimura Kanzō 内村鑑三 (1861-1930) in 1903 de beweging verlieten. Samen met Ishikawa Sanshirō 石川三四郎, Nishikawa Kōjirō, Abe Isō, Kinoshita Naoe 木下尚江 en Katayama Sen (zie hoger) stichtten Kōtoku en Sakai de Heimin-sha 平民社, een socialistische organisatie die via haar weekblad Heimin shinbun 平民新聞 pacifistische ideeën verspreidde. De overheid vond dit staatsgevaarlijk en verbood de organisatie in 1905. De Heimin-sha had een uitstraling op literair vlak, want bij het begin van deze eeuw verschenen er enkele pacifistische romans, bijvoorbeeld Hi no hashira 日の柱 ('Een zuil van vuur') van Kinoshita Naoe. Uchimura van zijn kant was een overtuigd christen en humanist die heel wat aanhang vond bij de jeugd, zowel omwille van zijn vredelievende standpunt als omwille van de moed waarmee hij zijn idealen beleed. Hij weigerde bijvoorbeeld te knielen voor een foto van de keizer. Andere auteurs die zich aansloten bij de pacifistische idealen waren o.m. de dichteres Yosano Akiko 与謝野 晶子 (zie verder) en de schrijfster Ōtsuka Naoko die in Ohyakudo mōde (お百度詣で) het verdriet beschrijft van een vrouw wier man naar het oorlogsfront moet.

De sociale beweging na de Russisch-Japanse Oorlog

Parallel met de tweede industriële revolutie en de opkomst van de zaibatsu werden de arbeidsvoorwaarden steeds slechter. Al waren vakbonden verboden, toch braken wilde stakingen en ongeorganiseerd geweld uit. Om de rechten van de arbeiders beter te beschermen, werkten juristen en leiders van de sociale beweging samen aan voorstellen voor een sociale wetgeving voor fabrieken (kōjō-hō 工場法), maar hun voorstellen waren te radicaal volgens de ondernemers en raakten nooit door het parlement. In 1911 werd uiteindelijk een compromis aanvaard, dat pas in 1916 van kracht werd. Het uitgangspunt was dat de gezondheid van arbeiders en arbeidsters beschermd moest worden, maar in de rangorde van de ondernemers hadden economische en militaire noden voorrang op bijvoorbeeld de bescherming van zwangere vrouwen. Een grote handicap voor deze wet was eveneens dat ze slechts van toepassing was op bedrijven waar minstens vijftien man tewerkgesteld waren.

Na het verbieden van de Heimin-sha probeerden twee groeperingen een eigen leven te leiden: een van sociaal-christelijke inspiratie, de kirisutokyō-ha キリスト教派 met onder andere Abe en Kinoshita (tijdschrift: Shinkigen 新紀元), en een van materialistische oriëntatie, de yuibutsuron-ha 唯物論派, met onder andere Kōtoku, Sakai, Nishikawa (orgaan: Hikari 光). In januari 1906, na de formatie van het liberale Saionji-kabinet, kwamen beide facties weer bijeen en vormden de Japanse Socialistische Partij (Nihon Shakai-tō 日本社会党). Het werd de eerste wettelijk erkende partij in Japan die opkwam voor de belangen van alle arbeiders. Het partijreglement was wel zo voorzichtig te stipuleren dat ze haar doeleinden alleen met wettelijk toegelaten middelen zou nastreven. Later zou Kōtoku, onder invloed van de anarchistische denkbeelden van de Rus Kropotkin, oproepen tot directe actie, wat hem in de partij in botsing bracht met de zogenaamde parlementaire factie, dit wil zeggen de groep die langs parlementaire weg de situatie van de arbeiders wenste te verbeteren. Omwille van deze tegenstelling viel in 1907 de Socialistische Partij uiteen.

Samen met de socialistische beweging kwam er ook een beweging op gang die de bewustwording en emancipatie van de vrouw nastreefde. Een van de vurigste voorvechtsters van het eerste uur was Fukuda Hideko 福田英子, die in 1907 een petitie richtte aan het parlement om vrouwen politieke rechten te geven. In 1911 stichtte Hiratsuka Raichō 平塚雷鳥 (1886-1971) een literaire club, de Seitō-sha 青鞜社, het Genootschap van de Blauwe Kous, dat met zijn tijdschrift Seitō 青鞜 (Blauwe Kous) vastgeroeste denkbeelden wilde doorbreken.

Toenemende repressie

In 1908, tijdens het eerste kabinet-Saionji Kinmochi, vond het Rode Vlagincident (Akahata jiken 赤旗事件) plaats. Een aantal socialisten kwam bijeen om een kameraad te begroeten die uit de gevangenis werd vrijgelaten in Kanda (Tōkyō). Er werden opruiende speeches gehouden vanop het dak en er werd gezwaaid met een rode vlag waarop de leuze 'anarchistisch communisme' stond. Sakai Toshihiko en Ōsugi Sakae 大杉栄 werden om die reden gearresteerd. Toen Katsura Saionji als eerste minister opvolgde, verscherpte hij de socialistenvervolgingen nog, wat velen in de richting van het anarchisme dreef.

Onder het tweede Katsura-kabinet werd de Saisei-Kai 濟生会 gevormd, die zich inliet met hulpverlening aan de armen, maar tevens een beschuldigende vinger uitstak naar de onverschillige overheid.

In mei 1910 werd het Hoogverraadincident (Taigyaku jiken 大逆事件) de aanleiding om een niets ontziende repressie in te zetten van al wat rood was. Kōtoku Shūsui werd aangehouden samen met zijn vrouw en honderden andere socialisten onder het voorwendsel dat ze een complot smeedden om de keizer te vermoorden. De beschuldiging was nergens op gegrond, maar toch werden Kōtoku en elf anderen achter gesloten deuren berecht en ter dood veroordeeld. Ondanks internationaal protest werden ze terechtgesteld. Hiermee brak voor de socialistische beweging een lange ijzige periode aan.