Roots van de moderne Yakuza

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Inhoud

De Roots van de moderne Yakuza

"De 'ware' oorsprong van de Yakuza is afhankelijk van wiens waarheid je gelooft", (Kaplan David 1987)

17de Eeuw

Opkomende Bendes

De opkomst van de moderne Yakuza zoals we die nu kennen, situeert zich ergens midden 17e eeuw. Bronnen uit die tijd vermelden de eerste vormingen en activiteiten van georganiseerde bendes. Weliswaar gaat het vaak om legenden en romantische denkbeelden in de trend van Robin Hood, een verheerlijking van de criminele groeperingen en hun activiteiten.

Hatamoto-yakko 旗本奴 of Kabukimono 歌舞伎者

De "Hatamoto-yakko" 旗本奴 (voetvolk onder de Hatamoto) waren soldatendienders onder een soort van honderdman, 'de dienaars van de Shogun'. Ze waren excentriekelingen en werden "Kabukimono" 歌舞伎者 (let. zingende, dansende mens/persoon) genoemt o.w.v. hun extreem uiterlijk. Bovendien waren ze erg agressief en bezaten ze, in analogie met de huidige Yakuza, over een slangrijk taalgebruik. De eerste bendeleden waren Samurai 侍 die zonder werk waren komen te zitten na het verenigen van het rijk door Tokugawa Ieyasu 徳川家康 (voorafgegaan door een burgeroorlog). Deze Samurai waren voorheen huurlingen geweest die oorlogen uitvochten voor de concurrerende clans. Na de eenmaking werden ze overbodig en werd hun stand dus ook afgeschaft. Bijgevolg moesten de misnoegde Samurai op zoek naar een nieuwe broodwinning, aangezien vechtkunsten hun enigste specialiteit was. Een groot deel nam het normaal burgerschap over maar de minder succesvolle werkzoekenden maakten straatvechten, roven en terroriseren tot beroep.

Machiyakko 町奴

De antipode van de Kabukimono waren de Machiyakko (町奴 let. "dienaren van de stad"). In Edo (het huidige Tokyō) zorgden zij voor bescherming tegen de alsmaar agressiever optredende ex-samuraibendes. De Machiyakko werden geleid door gewone burgers en ook deze groepering had, naar analogie met de Kabukimono, een sterke aantrek bij ex-samurai, zwervers en arbeiders. (m.a.w. mensen die niet te hard wilden werken en de bepaaldheid van hun klasse achter zich wilden laten.) In toneelstukken en liederen met legenden over de machiyakko uit de 18e eeuw wordt verhaald over deze Rōnin-famillies 浪人 (Rōnin is de benaming voor een samurai zonder meester, drijvende mannen in de edoperiode) Net als de huidige Yakuza hadden ze gokverslavingen en een strikt leider-volgeling patroon, n.l. de verhouding tussen Oyabun親分 en Kobun子分, hetgeen zoveel wil zeggen als vaderrol-kinderrol. De relatie bestaat eruit dat de Oyabun (vaderrol) onvoorwaardelijke trouw van de Kobun (kinderrol) ontvangt in ruil voor bescherming, hulp en advies t.o.v de kobun. Deze relatie is een afspiegeling van één van de vijf traditionele relaties binnen de maatschappij, waarvan deze het traditionele japanse, patriarchale gezin beslaat. Vergelijkbare relaties in Japan zijn die van de leraar/leerling, werkgever/werknemer, die allen hoofdzakelijk afstammen van het feodaal japan, en de relatie van de landheer tegenover zijn onderdanen. Tegenwoordig bindt de kracht van dit soort relatie alsmaar meer aan kracht in, in alle delen van de maatschappij, met uitzondering van de Yakuza. Zoals een oud spreekwoord van de Yakuza illustreert: 親分が「カラスは白い」と言えば、子分も「カラスは白い」と言わなければならない。 Wat zoveel zeggen wil als: "als de chef zegt dat de kraai wit is, dan zeggen de Kobun dat ook'"'

18de Eeuw

Eerste Yakuza

In de 18e eeuw komen de eerste bendes die later gezamelijk de Yakuza zullen vormen op het toneel. De Tekiya, de venters en de Bakuto, de gokkers, die tijdens de Tokugawaperiode hun opwachting maakten. De leden werden Yakuza genoemd. Om de oorsprong van het woord Yakuza terug te vinden, moeten we gaan kijken bij de Bakuto. De herkomst ligt in het bij de gokkers immens populaire kaartspel Hanafuda (花札:bloemkaarten), iedere speler krijgt drie kaarten, het laatse cijfer van de totale waarde van de drie kaarten bepaalt zijn score. Bijvoorbeeld, wanneer de totaalwaarde van drie kaarten 18 is, krijgt de speler 8 pt. 20 daarintegen geeft 0 als waarde en duid op verlies. "acht-negen-drie" is zo een combinatie, en de rechtstreekse vertaling van "Yakuza", de ya staat voor acht, ku voor negen, en sa (za is de fonetische verandering van sa) voor drie. In oorsprong stond het woord voor iets dat door de Bakuto als waardeloos werd aanzien. Later duidde het volk de gokkers er zelf mee aan, daar ze hen als waardeloos en nutteloos voor de maatschappij beschouwden. "In de 20ste eeuw en tot op de dag van vandaag worden zowel de Bakuto als de Tekiya en andere groeperingen die zich met misdadige activiteiten bezighouden met "Yakuza" omschreven. Beide groeperingen hadden een eigen werkterrein maar recruteerden uit gelijklopende bevolkingsgroepen, voornamelijk armen en delinquenten. De Tekiya waren actief op markten en handeslcentra, de Bakuto op drukke wegen en in steden. Naarmate de bendes groeiden, kwam er aan het hoofd een peetvader te staan, met "broers en zonen" als leden. (vergelijkbaar met de Sciciliaanse Maffia in Italië, hoewel de diepgaande aard van de oyabun/kobun-relatie een essentieel verschil vormt tussen de twee.) (Ook nu nog is de Yakuza verdeeld in die groepen, al is er een derde, de Gurentai bijgekomen en maken de huidige Yakuza gebruik van vergezochte stambomen om hun afstamming van deze groeperingen op te eisen.)

Tekiya テキ屋 en Bakuto 博徒

Tekiya テキ屋

Oorsprong van de Tekiya

Over de oorsprong van de Tekiya bestaan verschillende theoriën. Ze zouden of van de reizende kooplieden, of van de medicijnverkopers ("Yashi", afgeleid van Yashi-Shinno, de chinese god van landbouw en medicijnen). Het woord Yashi zou volgens velen echter tevens slaan op 'banditisme' en dus op de losgeslagen Rōnin die rondtrokken.

Organisatie van de Tekiya

Hiërarchisch waren ze zeer goed georganiseerd, er waren 5 klassen, waarvan aan het hoofd de Oyabun (baas), gevolgt door de onderbaas, de officieren, de soldaten en de leerlingen. Het huis van de Oyabun fungeerde tevens als hoofdkwartier en als opleidingscentrum voor de nieuwe leden.

"de drie geboden van de Tekiya" (bij de huidige Tekiya zijn dat er vijf geworden)

(1) geen vrouw van een ander lid zult gij bekoren
(2) geheimen van de organisatie worden niet aan de politie doorgespeeld.
(3) strikte gehoorzaamheid aan de oyabun
(4) houdt u enkel bezig met bende-activiteiten, zelfs onder druk van armoede zijn geen andere activiteiten toegestaan. 
(5) geen gebruik van gewone taal, spreek enkel volgens bendeterminologie.

Tegen het midden van de 18e eeuw is de Tekiya uitgebouwd tot een hechte groep met een sterk monopolie over alle verplaatsbare markten in het land. (Ze hadden zich ontplooid tot meesters in allerlei technieken om mensen op te lichten en af te zetten, hattaribai (はったり売) genaamd. De Oyabun inde staanplaatshuur van de markten en zorgde dat er bij weigering van betaling sancties werden getroffen. Voor de rest hielden de Tekiya zich voornamelijk met wettelijk toegestane zaken bezig. Tussen 1735 en 1740 kregen ze van de feodale overheid het recht van Mōji-Taitō 名字-帯刀: een achternaam toegediend en recht op het dragen van 2 zwaarden. Hetgeen een privilege was in die tijd. Door dit recht kwamen ze qua status onder de Samurai en boven het gewone volk te staan. Ondanks hun legitieme gezicht, bleven de connecties met misdadigers in stand, recruteerden ze uit voortvluchtige gangsters en de "Eta" ("de bezoedelden", een klasse die als parias worden beschouwd, o.w.v. hun onreine beroepen i.v.m. dood en bloed, nu Burakumin genoemd. Ze werd als niet menselijk, hinin 非人 beschouwt) en waren ze nog steeds actief in afpersing en voerden geregelt bendeoorlogen.

Bakuto 博徒

Oorsprong van de Bakuto

Overheidsfunctionarissen die tijdens de Tokugawaperiode verantwoordelijk waren voor de bouw en irrigatiewerken riepen eerste gokbendes in het leven. (het concept is vergelijkbaar met de eerste fabrieksnederzettingen tijdens de eerste industriele revolutie waar de fabrieksbaas naast zijn fabriek een café openhield en waar hij het loonsgeld in uitbetaalde) Zo ook wilden deze plaatselijke bazen het uitbetaalde loon terugverdienen. Ze namen bandieten aan die door te gokken met de arbeiders het geld terugverdienden. Die ingehuurde gokkers hadden aantrek bij tal van bevolkingsgroepen. Van handwerkleiden, mislukte kooplui tot Samurai en Sumōworstelaars. (over die gokkers zijn tal van legendes in boeken en films verschenen, o.a. Matatabimono 股旅物, verhalen over rondtrekkende gokkers en de Bakuto in het algemeen, een literair genre dat sinds de eeuwwisseling (19de-20ste eeuw) enorm populair is. In de teksten worden de Yakuza voorgesteld als "sympathieke, betrouwbare mensen die lijden onder verdriet en eenzaamheid. Het zijn agressieve maar toch barmhartige bandieten die de gewone mens geen haar krenken, maar er zelfs voor opkomen als ze onrecht worden aangedaan"

Organisatie van de Bakuto

De Bakuto kent dezelfde hiërarchische structuur als de Tekiya, de strikte gehoorzaamheid aan de Oyabun die echter wel Sōchō 総長 of Daiin 大引 werd genoemd. Deze legde de regels van het gokspel vast en opende het ook. Het gokken was een zorgvuldig uitgekiemd systeem waarin elk bendelid zijn functie had. (bijvoorbeeld het lokken van klanten, vermomd als burger) Wanneer een lid een van de benderegels overtrad (o.a. lafheid, ongehoorzaamheid, verkrachting, kruimeldiefstal en het verraden van geheimen) volgden sancties waarvan de doodstraf, gevolgd door uitstoting de ergste waren. (bij uitstoting werden naar alle andere bendes briefkaarten gestuurd met een beschrijving van de verstotene, zodat deze ook daar niet opnieuw aan de slag kon, een gebruik dat nu nog bestaat.) De Bakuto hadden ook contacten met de authoriteiten, zij het wel niet van diepgaande aard als bij de Tekiya. De politie stelde rondtrekkende sheriffs Hasshūmawari八州廻り aan bij bepaalde Bakutobendes en liet gevangenen vrij die als informanten/ooggetuigen (Meakashi 目証) hun vrijheid konden verdienen. De Bakuto hechtten veel belang aan de Bushidō 武士道, de gedragsregels/code van de Samurai. Ze volgden deze ook in grote mate en zagen hen als hun helden. Hiertoe behoort ook het poëtisch en eervol gezicht van de gewelddadige dood. Het bewijzen van mannelijkheid door stoïcijns ondergaan van pijn, honger en gevangenschap.

Modernisering van de Tekiya en Bakuto

In 1868 kwam Japan in een stroomversnelling door de Meijirestauratie die een eind maakte aan het feodaal Japan. De industrialisatie van Japan naar model van het Westen met een reusachtige economische groei op een korte periode als gevolg. De Japanse bendes hadden geen andere keuze dan mee te groeien met de economie. De Tekiya konden zich, gezien hun activiteiten op zich (markthandel) niet illegaal waren, vrij goed staande houden in deze nieuwe orde. De kleinschalige afpersing op de kleine lokale markten was echter niet meer luctratief waardoor de bendeleiders op zoek gingen naar mogelijkheden om zich te integreren in de moderne industrie.

Door versterkte politiecontroles moesten de Bakuto hun werk (de gokbusiness) ondergronds gaan en richtte ze legitieme ondernemingen op als dekmantel en ter bekostiging van het omkopen van de plaatselijke politie. De nauwe banden van de bendes met hooggeplaatste politici heeft ook hier zijn oorsprong. De overheid wilde de bendes voor eigen doeleinden gebruiken en de bendes wilden dat de overheid al eens iets door de vingers zag. Deze samenwerking was in het begin nogal concervatief en zwenkt op het einde van de 19de eeuw naar rechts: het ultranationalisme maakt zijn opgang in Japan.

Samensmelting van Tekiya en Bakuto

Vanaf 1915 begonnen de moderne syndicaten zich te vormen met de vorming van de moderne Yakuza in 1925 als gevolg. In die tijd zetten de gangsters zich in voor de patriotische zaak en gingen naar het bezette Mantjoerije of naar China om daar te helpen bij de "ontwikkeling van het land". Daarnaast vestigden de meer traditionele yakuzabendes in eigen land hun financiële basis door het naar zich toetrekken van het geld, dat door de expansie Japan binnenstroomde. Door de combinatie van omstandigheden waren het gloriedagen voor de "nieuwe 'Yakuza". (Tijdens WOII echter, zag de overheid de noodzaak van de groeperingen niet meer in en plaatsten de gangsters over naar het front, of rechtstreeks de gevangenis in)

De bendes en het Ultranationalisme

De opgang van het ultranationalisme is te schetsen in de jaren 1880, te Kyūshū (het meest zuidelijke eiland van de vier hoofdeilanden van Japan) waar in 1881 Mitsuru Tōyama 満屠頭山 de Genyōsha 玄洋社, het Genootschap van de Donkere Oceaan stichtte, met als hoofdgedachten: de Verering van de Keizer, liefde en respect voor de natie, verdediging van de rechten van het volk. Het genootschap werd omgesmeed tot een paramilitaire macht en ging een rol spelen in de expansieve politiek van Japan waarmee Tōyama inspeelde op wat de Samurai wilden. Een expansie in het buitenland en een repressief gezag in het binnenland. Voor de volgelingen van de Genyōsha hield de naam zelf van het genootschap, expansie in. Donkere oceaan duidde voor hen op de smalle zeestraat die japan scheidde van het vasteland (China en Korea.) De Yakuzaleden die zich aansloten bij dit genootschap voelden zich dan ook verhevener dan de "ordinaire" Bakuto en Tekiya. Ze functioneerden als lijfwachten voor de overheidsfunctionarissen, als zware jongens van plaatselijke politiekers, of in wettelijke banen als geschoolde arbeiders, die georganiseerd waren in vakbonden verbonden met de Genyōsha. Hieruit kwamen verschillende groeperingen voort en door hun gelijklopende activiteiten en het effectieve aansluiten van plaatselijke Tekiya en Bakuto bazen erbij waren de ultranationalisten en gangsters door het gewone volk niet meer te onderscheiden. Ondanks hun sceptische visie over de aansluiting van de ultranationalisten, moesten de traditionele misdaadgroeperingen de overeenkomsten inzien en de beweging accepteren. Ze aanbaden allen macht, verafschuwden buitenlanders en hun ideeën, (vooral het liberalisme en het socialisme) en ze hielden van geweld. De Keizer werd verafgood als een godheid, met het Shintō als basis voor hun levensfilosofie. Toen rond de eeuwwisseling de linkse beweging opkwam, sloten ze zich vanzelf aan bij de ultranationalisten die zich afzetten van linkse politiek. De gangsters sloten zich later aan bij de Kokuryūkai 黒竜会, het genootschap van de rivier Amoer, (of genootschap van de Zwarte Draak), opgericht door Ryōhei Uchida (Tōyama's rechterhand) in 1901. De Amoer ligt tussen Mantjoerije en Rusland, waar de expansie van Japan aanvangen zou, en wat ook het doel van de Kokuryūkai was. Weer 18 jaar later werd een nationale organisatie van gangsters door Tōyama opgericht, de Dai Nippon Kokusuikai 大日本国粋会, het Groot Japans Genootschap van de Nationale Geest, die in feite gewoon een organisatie van stakingsbrekers was, welliswaar verweven met oude japanse waarden en "de geest van de ridderlijkheid", en een pak geweldadiger. Gesteund door het Ministerie van Binnelandse Zaken, het Politieorgaan en hoge legerofficieren, groeiden de Kokusuikai uit tot de paramilitaire afdeling van één van de twee grote politieke partijen op dat moment, n.l. de Seiyūkai 政友会. De andere grote partij (Minseitō 民政党) bleef niet bij de pakken zitten en stichtte een eigen gangsterorganisatie, de Yamato Minrokai. De macht van de gangsters ging zelfs zo ver dat na verloop van tijd sommige Oyabun zich met succes verkiesbaar stelden voor een parlementszetel. De rechtse groeperingen kregen steeds meer aanhangers en in de jaren dertig maakte het militarisme zich meester van Japan.

Bronnen

DeVos, George A. Socialisation for Achievement. Berkeley: University of California Press, 1973.

Kaplan, David E. Yakuza: the explosive account of Japan's criminal underworld. London: Queen Anne Press, 1987.

Morris, II. Nationalism and the Right Wing in Japan: a study of post-war trends. London: Oxford University Press, 1973.

Op de Beeck, Anja. Van bende tot syndicaat: Een overzicht van de historische ontwikkelingen van de Yakuza. Licenciaatsverhandeling, Departement Oosterse en Slavische Studies, Katholieke Universiteit Leuven, 1994-1995, 1995.

Verlinden, Klara. De georganiseerde misdaad in Japan: de Yakuza. Licenciaatverhandeling, Departement Aziatische en Islamitische Studies, Katholieke Universiteit Leuven, 2000-2001, 2001.

Seymour, Christopher. Onder Yakuza: een verblijf in de Japanse onderwereld. 's-Gravenhage: BZZTōH, 1996.

Stark, David H. The Yakuza: Japanese Crime Incorporated. University of Michigan: Ann Arbor, 1981.

Tamura, Eitarō. Yakuza no Shobō: het leven van de Yakuza. Tokyō: Sanichi Shobō, 1971.

Keisatsu chōhen, Keisatsu hakusho:witboek van de politie, Tokyō: ōkurashō Insatsukyoku:Ministerie van Financieën, 1994.