Platteland en stad
Uit GeschiedenisJapan
Het dorp
Onder het regime van het bakufu was het volk dat woonde op de shōen of de vrijwel tot shōen verworden staatsgronden, onderworpen aan meerdere niveaus van bezitters, te beginnen met de rentmeesters (jitō) en shōen-beheerders (shōkan) via de grootgrondbezitters (ryōke) tot aan de beschermers (honjo). Een shōen kon bestaan uit één dorp, meerdere dorpen of slechts een deel van een dorp. Het dorp was een plaatselijke, economische leefgemeenschap, die gegroeid was uit de leefgemeenschap van vóór de Taika-hervormingen. De ontwikkeling van de bevloeiingslandbouw werkte de vorming van hechte gemeenschappen in de hand, omdat irrigatie onderlinge bedrijfshulp en samenwerking vereiste, en de veelvuldige huwelijken binnen het dorp versterkten de onderlinge verwantschap nog. In het midden van het dorp bevond zich de residentie van de rentmeester (jitō) of van de shōen-beheerder (shōkan). In de meeste gevallen waren de jitō of shōkan de oorspronkelijke eigenaars, die nu het ambt van rentmeester voor het bakufu en van beheerder voor de grootgrondbezitter combineerden. Het kwam ook voor dat een vazal van het bakufu uit Oost-Japan rentmeester werd van een landgoed in West-Japan. In vele gevallen was het zo dat de vazal (gokenin), de rentmeester, de beheerder en de oorspronkelijke eigenaar (konponryōshu 根本領主 genaamd) één en dezelfde persoon waren. Zijn residentie omvatte niet alleen een met planken bedekt woonhuis, maar ook hutten voor slaven, veestallen, opslagplaatsen, een smidse, een weefatelier, e.d. Rond het erf lagen akkers, die bewerkt werden door slaven, en die omgeven werden door een omheining. Daarbuiten lagen nog akkers, die bebouwd werden door pachtboeren. Indien de rentmeester en/of beheerder niet de oorspronkelijke eigenaar was, kreeg hij alleen de inkomsten van zoveel land als waar hij statutair recht op had.
Een dorp telde gewoonlijk enkele tientallen families. De bovenste laag van de dorpelingen bestond uit myōshu, die enkele hectaren land en enkele genin (slaven) hadden. Daaronder had men de arme boeren, mōto (ook: mōdo 間人・亡土) en wakizaike 脇在家 genaamd, die een lapje grond pachtten van de rentmeester of een grotere myōshu of zelf zulk een stukje grond ontgonnen hadden. De laagste sport van de maatschappelijke ladder in het dorp werd ingenomen door de genin, een status nagenoeg met die van slaaf te vergelijken. Zij leefden ofwel in hutten op het erf van hun meester of hadden een eigen hut waar zij met hun gezin een armoedig bestaan leidden. Hun meester kon vrij over hen beschikken en hen verkopen als hij dat wou.
Het grootste deel van het akkerland in het dorp was in handen van de myōshu. Zij monopoliseerden ook het recht om deel te nemen aan alle openbare activiteiten, zoals het feest ter ere van de plaatselijke godheid, de waterhuishouding, e.d. De myōshu leverden ook het dorpshoofd. De myōshu-familie werd geleid door de pater familias en omvatte zowel de nakomelingen in rechte lijn als de zijtakken. Qua grootte en structuur stond ze zeer dicht bij de gōko 郷戸, zoals we die onder het ritsuryō-systeem gedefinieerd hebben, maar de zijtakken hadden een grotere graad van onafhankelijkheid dan de toenmalige bōko 房戸. De myōshu vormden weliswaar de bovenste laag van de dorpelingen, toch stonden ze ver beneden de rentmeester en beheerder. Ook al hadden ze één of twee genin, het was in hoofdzaak door eigen arbeid dat ze in hun levensonderhoud dienden te voorzien. Ten opzichte van de krijger (bushi)-klasse waren ze niet meer dan gemeen volk (bonge 凡下).
De groei van de handel
Sommige rentmeesters verkochten de goederen die ze als belasting van de boeren geïnd hadden, en ook grotere myōshu begonnen handel te drijven. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van markten in de omgeving van tempels of op belangrijke kruispunten. Handel was aanvankelijk een nevenactiviteit van rentmeesters en myōshu, maar geleidelijk begonnen sommigen uitsluitend van handel hun beroep te maken. Het gebeurde ook dat de rentmeesters en shōen-beheerders de als belasting geïnde goederen op de markt verkochten en het geld naar de beschermheer en de grootgrondbezitter stuurden.
Deze hoge omes woonde in de hoofdstad, die nu geleidelijk een gedaanteverwisseling onderging en evolueerde van een administratief centrum naar een stad met bloeiende commerciële en ambachtelijke activiteiten. Een zelfde transformatie speelde zich af in steden als Kamakura en Nara.
De stedelijke handelaars en ambachtslieden waren doorgaans afstammelingen van senmin, mensen die in de oudheid als slaaf aan het hof, in aristocratische families en tempels, gediend hadden, ofwel mensen die horige van de eigenaar van een shōen waren. Het is opvallend dat de commerciële en ambachtelijke kwartieren in de stad vooral geconcentreerd zijn rond tempels. Dit houdt enerzijds verband met de grote behoeften van de tempels, omdat er veel bezoekers en pelgrims komen, maar is anderzijds ook te verklaren door het feit dat de tempelslaven en -horigen de eersten waren om onafhankelijk te worden en zich in handelsactiviteiten te lanceren. Dit was mogelijk omdat de tempelslaven veel minder aan het land gebonden waren.
Aangezien de handelaars en ambachtslieden van lagere afkomst waren, werden zij door bushi en aristocratie misprezen, ook al hadden zij behoorlijke rijkdom verzameld. Hun zwakke maatschappelijke positie noopte hen ertoe zich te verenigen in gilden (za 座), die zich onder de bescherming van een kerkelijk of aristocratisch patroon plaatsten. In ruil voor tribuut of corvee zorgde de beschermheer ervoor dat de leden van de gilden geen tol dienden te betalen aan de tolkantoren (sekisho 関所), die de ryōshu (zie verder) overal begonnen op te richten, en dat ze binnen een bepaald gebied het monopolie op de aankoop van grondstoffen en de verkoop van hun artikelen verwierven. Vooral tempels als de Kōfukuji en de Tōdaiji in Nara en het heiligdom van Gion (Gion-jinja 祇園神社) te Kyōto hadden talrijke bloeiende gilden onder hun bescherming.

