Opkomst van het fascisme en het Mantsjoerije-incident

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Leidraad

De factoren die Japan uiteindelijk op het oorlogspad voerden, waren de onmacht van de politieke partijen om een beleid te voeren dat het volk verlangde en de verregaande corruptie, die het gevolg was van de banden tussen politiek en grootkapitaal. Vooral dit laatste gegeven gaf de rechterzijde een gedroomd voorwendsel om haar eigen agenda door te drukken. In het bijzonder de militairen waren zeer actief en het volk liet zich meeslepen door de plannen voor staatsgrepen en moordaanslagen en, op buitenlands vlak, het Mantsjoerije-incident. Dit incident vormde het cruciale moment in het proces van verrechtsing, en leidde Japan op het pad van het militarisme. Het belang van het vaderland leek alles te rechtvaardigen: geweld, onderdrukking, annexatie etc. Vooral de lagere officieren vonden een geweldige motivatie in dat extreme patriottisme, en zij deinsden er niet voor terug om staatsgrepen als het 15 mei- en 26 februari-incident te plegen in de naam van het belang van het vaderland. De nogal theatrale reacties van de hogere militairen op deze incidenten droegen bij tot de invoering van een echte militaire dictatuur.

Het fascisme ontwaakt

Het Japanse fascisme was een trend waarin extreem nationalisme en militarisme hand in hand gingen. Het uitte zich in een hevige territoriale expansiedrang en op binnenlands vlak in een eenpartijstelsel, waaruit alle communistische en democratische invloeden brutaal geweerd werden. Gestimuleerd door de wereldcrisis dook het fascisme voornamelijk op in landen met weinig nationale rijkdom en grondstoffen, en vrijwel zonder kolonies. In dit opzicht vertoonde Japan heel wat gelijkenis met Duitsland en Italië.

Het crisisbeleid van de westerse mogendheden

Buiten de Sovjet-Unie had geen enkel land het gemakkelijk om een deugdelijk anti-crisisbeleid te voeren. Binnen de kapitalistische wereld tekenden zich twee tendensen af: het beleid gevolgd door de ontwikkelde landen en dat van de nog in ontwikkeling zijnde landen. De democratische president Franklin Delano Roosevelt van de Verenigde Staten ontwierp in samenwerking met een groep deskundige ambtenaren de 'New Deal', een programma van staatstussenkomst ter bestrijding van de crisis. Het omvatte nieuwe sociale wetgeving, grootscheepse openbare werken en een devaluatie van de Amerikaanse munt. Een van de meest opzienbarende projecten was de Tennessee Valley Act, die onder meer voorzag in de constructie van stuwdammen, de uitbouw van elektriciteitsvoorziening en steun aan de werklozen. Door de binnenlandse vraag te stimuleren, slaagde Roosevelt er uiteindelijk in de crisis het hoofd te bieden.

Engeland en Frankrijk streefden naar de vorming van een blokeconomie. Beide landen gingen met hun respectievelijke koloniën aparte economische sferen uitbouwen, die door middel van een protectionistisch beleid zoveel mogelijk buitenlandse producten weerden. Italië was arm aan grondstoffen en had als geallieerd land en mede-overwinnaar van de Eerste Wereldoorlog in verhouding weinig oorlogsschade uitbetaald gekregen. De grote openbare schuld zorgde voor een tijdelijke populariteit van de Communistische Partij. In 1921 stichtte Benito Mussolini de 'Strijdbonden', de fascistische partij (Partito Nazionale Fascista), die hem een jaar later reeds naar Rome bracht en door koning Victor Emmanuel III tot eerste minister liet benoemen.

In Duitsland stichtte Adolf Hitler de NSDAP (Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij/Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, kortweg Nazipartij), die vooral populariteit verwierf door het aanklagen van de onrechtvaardigheid van het Verdrag van Versailles. Mede door de enorme inflatie tekende zich een ruk naar rechts af bij vele gewone mensen. Na een spectaculaire verkiezingscampagne, die met intimidatie door knokploegen gepaard ging, werd de NSDAP de sterkste partij in de Rijksdag.De regering Hitler liet in een volksstemming haar dictatuur legitimeren. Niet alleen de kleine burgers, maar zelfs vele arbeiders, die geen hoge pet ophadden van de praatzieke parlementairen, werden in Hitlers armen gedreven en kwamen onder de hypnose van uniformen, partijlegers, discipline en massameetings. Eens de partij aan de macht was, werd haar wil ook de wil van de staat: in alle sectoren besliste zij.

Terreur van de rechtervleugel

In Japan was de macht van de rechterzijde in de jaren twintig niet zo manifest. Terwijl de overheid een nogal sociaal georiënteerd beleid poogde te voeren, was de politieke rechterzijde vooral begaan met het communistische gevaar en naarmate de gevolgen van de wereldcrisis zich lieten voelen, wilde rechts eigen recepten toepassen om het nationale herstel op gang te brengen. Al vroeg werd de werkwijze van uiterst rechts duidelijk. In 1921 werd de stichter van de Yasuda-zaibatsu, Yasuda Zenjirō, vermoord. In 1930 werd de eerste minister Hamaguchi Osachi 浜口雄幸 levensgevaarlijk gewond omwille van zijn rol in de zogenaamde kwestie van het 'Prerogatief inzake het Militaire Opperbevel' (tōsuiken 統帥権), in februari van het jaar 1932 werd de voormalige minister van Financiën Inoue Junnosuke vermoord, en in maart van hetzelfde jaar was het de beurt aan de voorzitter van de raad van bestuur van Mitsui, Dan Takuma. Deze moorden kaderden in de reeks van zogeheten Ketsumeidan jiken 血盟団事件 (Bloedverbondincidenten). Het Bloedverbond was een ultranationalistische organisatie opgericht door Inoue Nisshō, die het plan had opgevat om alle reële machthebbers in Japan uit de weg te ruimen. Inoue werd na deze moorden berecht en tot levenslang veroordeeld, maar al in 1940 kwam hij vrij. Hamaguchi diende na de aanslag noodgedwongen af te treden - hij zou 6 maanden later overlijden - en voor de tweede maal vormde Wakatsuki Reijirō 若槻礼次郎 met de Minsei-tō een regering.

Intriges van de militairen

Vooral jonge legerofficieren waren verontwaardigd over de corruptie en het wanbeheer die zij in het bestuur van het land meenden waar te nemen. Zij stelden de politieke partijen en de zaibatsu daarvoor verantwoordelijk. Zij hadden nauw contact met de meestal van het platteland afkomstige gewone soldaten, van wie ze konden horen hoezeer de landbouwers te lijden hadden onder de economische crisis. Zij gingen op zoek naar oplossingen om het nationaal herstel te bespoedigen. Dit was de idealistische kant van de medaille, maar er zat ook een minder mooie kant aan vast. Er was immers een diepe kloof tussen de oudere, meer conservatieve officieren, en de grondig geïndoctrineerde en zichzelf opzwepende jongeren die snakten naar actie en promotie. Door hun oversten werden ze evenwel op beide terreinen gefrustreerd. Geleidelijk vond een radicalisering plaats en kwamen ze tot het besluit dat alleen uitzonderlijke en kordate acties de problemen zouden kunnen oplossen. In 1930 werd door een groep officieren uit de middenrangen de Vereniging van de Kersenbloesem (Sakura-kai 桜会) opgericht. Deze groep stelde het nationaal herstel als haar voornaamste prioriteit. In hetzelfde jaar begon de Zeemacht zich met de politieke besluitvorming te bemoeien, door de uitkomst van het Londen Naval Treaty en de handelwijze van de regering in dit verband, te hekelen als een inbreuk op het Prerogatief inzake het Militair Opperbevel. De extremistische groepjes beriepen zich op de fascistische ideologie van Kita Ikki 北一輝(1883-1937), zoals hij die had verwoord in Nihon kaizō hōan 日本改造法案, een voorstel dat hij in 1919 had voorgelegd aan de Geheime Raad. Vooral de Sakura-kai was zeer actief in haar pogingen om een militaire regering te installeren, met twee staatsgrepen als gevolg in maart (sangatsu jiken) en oktober (jūgatsu jiken) 1931.

Onder de leiding van luitenant-kolonel Hashimoto Kingorō 橋本五郎 werd in samenwerking met rechtse burgeractivisten zoals de ultranationalist Okawa Shūmei 大川周明(1886-1957)een staatsgreep gepleegd in maart 1931. De bedoeling was de opperbevelhebber van de Landmacht Ugaki Kazushige 宇垣一成 tot regeringsleider uit te roepen, maar omdat deze op het laatste ogenblik terugkrabbelde, mislukte de poging. Nadien vatte de Sakura-kai onder Hashimoto het plan op om eerste minister Wakatsuki en minister van Buitenlandse Zaken Shidehara uit de weg te ruimen en Araki Sadao 荒木貞夫(1877-1966), de opperbevelhebber van de Zeemacht, tot premier uit te roepen. Het leger zou dan Mantsjoerije moeten veroveren en op binnenlands vlak zou een grootscheepse ommezwaai van het bestuur doorgevoerd worden: de Shōwa-restauratie. Onder de samenzweerders ontstond er evenwel een dispuut omtrent de prioriteit van deze twee doelstellingen, waardoor de plannen gedeeltelijk uitlekten in september 1931. Overhaast werd besloten een binnenlandse staatsgreep uit te voeren, maar ook deze plannen lekten uit en de voornaamste kopstukken werden opgepakt. Ze kregen nochtans lichte straffen en hun proces had veel weg van een forum waarop zij hun gedachten konden uiteenzetten en de zuiverheid van hun motieven naar voren brengen. De lankmoedige houding van de rechters bleek voor de militairen naderhand veeleer een aanmoediging tot insubordinatie.

Achtergronden van het Mantsjoerije-incident

Het Mantsjoerije-incident

Op zich was deze door de Japanners Mantsjoerije-incident (Manshū-jiken 満州事件) genoemde gebeurtenis een louter militaire aangelegenheid. De militairen en de grote economische monopolies meenden de economische problemen te kunnen oplossen door het veroveren van gebied op het vasteland. De invasie betekende voor Japan wel het startsein van een vijftien jaar durende oorlog in een geest van alles of niets.

Na de Russisch-Japanse Oorlog had Japan het pachtgebied van Kantō 関東 (Chinees: Guāndōng, in het Westen vaak als Kwantung getranscribeerd), incluis Dàlián en Port Arthur, verworven, alsmede belangen in Zuid-Mantsjoerije, geconcentreerd rond de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg. Na de val van het Chinese keizerrijk in 1911 verloor het centrale gezag in Běijīng de facto zeggenschap over Mantsjoerije, het oude stamland van de voormalige Mantsjoe-keizers. Een warlord, Zhāng Zuòlín (1873-1928) zwaaide er de plak. De Japanse regering nam hem in bescherming tegen de nationalisten van Chiang Kai-shek in de hoop zo de Japanse invloed in Mantsjoerije te kunnen versterken. In kringen van het Kantō-leger vond men hem echter niet gedwee genoeg. Op 4 juni 1928 blies een groepje Japanse militairen o.l.v. kolonel Kōmoto Daisaku Zhāngs privétrein op in een voorstad van Mukden. Zhāng Zuòlín werd door zijn zoon Zhāng Xuéliáng 张学良 (Japans: Chō Gakuryō) opgevolgd. Hij stond op goede voet met de nationalisten en hechtte in december 1928 zijn gebied aan dat van de nieuwe nationalistische regering in Nanking (Nánjīng 南京). Zo kwam China weer onder een en hetzelfde gezag te staan. Hij voerde een virulente anti-Japanse politiek en ijverde voor het volledige herstel van de Chinese nationale soevereiniteit. In juni 1931 arresteerden de Chinezen een Japanse spion, luitenant Nakamura Shintarō, en stelden hem zonder vorm van proces terecht. Dit werd een van de voorwendsels voor de militairen om tot actie over te gaan. In juli braken er in Wànbaőshān (Jap.: Manbōzan) ongeregeldheden uit tussen Chinese boeren en Koreaanse boeren, die zich daar als Japanse onderdanen waren komen vestigen. Ook dit zogenaamde Manbōzan-incident grepen de militairen aan om te wijzen om het gevaar dat de Japanse belangen liepen. Het Kantō-leger, dat al in Mantsjoerije aanwezig was, oordeelde de tijd rijp voor actie. Samen met officieren van de Landmacht en met een divisie die in Korea gestationeerd was, werd een plan voor een Blitzkrieg uitgewerkt. Een snelle bezetting van Mantsjoerije zou de binnenlandse politiek en economie in Japan verse zuurstof geven.

In de nacht van 18 september 1931 blaast een Japans commando de spoorweg op bij Liŭtiáohú (Jap.: Ryūjōko), een plaats in de buurt van Mukden (Chin.: Fèngtiān 奉天, Jap.: Hōten; huidige Shěnyáng 瀋陽). De Japanse legerleiding schuift de schuld voor dit Liŭtiáohú-incident (Ryūjōkojiken 柳条湖事件) in de schoenen van de Chinezen, bestookt de troepen van Zhāng Xuéliáng en neemt de volgende dag Mukden in. In vijf maanden tijd zal het Kantō-leger heel Mantsjoerije bezetten. De snelheid en coördinatie waarmee de bezetting plaatsvond, bewezen dat ze vooraf gepland was. Deze onverklaarde, informele oorlog noemt men het Mantsjoerije-incident. Er komt officieel een einde aan dit incident op 31 mei 1933, datum waarop het wapenbestand van Tánggū (Tankū teisen kyōtei) wordt gesloten. Het is pas na de oorlog dat het Japanse publiek te weten zal komen dat het opblazen van de spoorlijn het werk was van een groepje Japanse militairen. In 1956 deed Hanaya Tadashi 花谷正, lid van de staf van het Kantō-leger ten tijde van de sabotage, alles uit de doeken in een interview met de redactie van een Japans tijdschrift. Hoe hard de regering-Wakatsuki ook probeerde verdere escalatie te vermijden, het Kantō-leger handelde voortaan op eigen houtje en ging over tot de verdere bezetting van Mantsjoerije. In een half jaar tijd had het alle belangrijke steden in het gebied in handen. Hoewel er geen formele oorlogsverklaring aan voorafging, luidde dit het begin in van een conflict tussen China en Japan dat vijftien jaar zou aanslepen.

Het Shanghai-incident

Eind 1931 kwam de regering ten val omdat ze de escalatie niet kon vermijden en de Chinese overheid niet kon overhalen tot onderhandelingen. Het Japanse publiek was onder de indruk van de door de militairen geboekte successen, die de nationale trots streelden. Inukai Tsuyoshi 犬養毅(1855-1932) vormde een nieuw Rikken Seiyū-kai-kabinet. Al stond deze partij wel expansief beleid voor, toch was Inukai persoonlijk gekant tegen het eigengereide optreden van de militairen en hij eiste meer discipline. Op economisch vlak probeerde hij de Japanse markt aansluiting te doen vinden met de internationale trends door de goudexport weer vrij te maken. De grote banken hadden dit voorzien en konden grote winsten realiseren door speculaties, wat alweer stof tot agitatie gaf aan de militairen. Zij klaagden de politieke en financiële corruptie aan en vonden gehoor bij het grote publiek.

Inmiddels had China Japans wederrechtelijke inmenging in Mantsjoerije aangeklaagd bij de Volkenbond. Japan voerde aan dat het zijn troepen terugtrok naar het zuiden en de Volkenbond reageerde bijzonder lauw. Pas na hevige Japanse bombardementen te Jǐnzhōu 錦州, keurde de Volkenbond met klem het Japanse optreden af. De Japanse handelwijze in Mantsjoerije verhevigde uiteraard de anti-Japanse gevoelens in China. Verschillende ondergrondse verzetsbewegingen gingen over tot actie. De vijandelijkheden escaleerden snel tot een oorlog in regel. In 1932 vond het eerste Shànghăi-incident (Shanhai jiken 上海事件) plaats. Ten gevolge van de Japanse invasie van Mantsjoerije waren anti-Japanse demonstraties (Hai-Nichi undō 排日運動) er dagelijkse kost. Een boycot van Japanse producten en botsingen tussen Chinese en Japanse inwoners van Shanghai veroorzaakten in januari 1932 een gewapend treffen tussen drie Japanse legerdivisies, gesteund door 3.000 Japanse mariniers, en het negentiende Chinese leger. Door de tussenkomst van de westerse mogendheden sloten de twee partijen op 5 mei een bestand. Eerst trokken de Chinezen zich terug en vervolgens de Japanse troepen, maar de spanning bleef. In juli bezette het Japanse leger de provincie Liáoníng, die in maart 1933 volledig werd geannexeerd. Van daaruit trokken de troepen zuidwaarts over de Grote Muur en bedreigden zij Běijīng en Héběi.

De rol van de media

In de ochtend van 19 september 1931 wordt de ochtendgymnastiek op de Japanse radio onderbroken om in een speciale mededeling het nieuws van het Liŭtiáohú-incident om te roepen. Het is de eerste keer in de geschiedenis dat de Japanse radio voor dit soort directe verslaggeving gebruikt wordt. Een nieuw tijdperk was aangebroken, en het zou niet lang duren voor ook de militairen ingezien hadden welke rol de radio kon spelen om de publieke opinie voor hun onderneming op het vasteland te winnen. Het wordt een van de fundamentele opdrachten van de radio om de bevolking te informeren over de toestand in Mantsjoerije en Mongolië, de 'levenslijn van Japan', zoals het heette. De luisteraar kon ook taallessen in het Manchu en het Chinees op de radio volgend. Hooggeplaatste militairen maakten vaak in gelegenheidsprogramma's hun opwachting. Rechtstreekse verslaggeving over de afvaart van een expeditiecorps, een religieuze plechtigheid van patriottistische inslag, een leger- of marine-oefening vormde een geregeld ingrediënt. De eerste keer dat de Japanse radio een rechtstreekse verslaggeving realiseerde, was in augustus 1927, toen hij het landelijke honkbaltornooi voor hoge middelbare scholieren uitzond. Het werd een groot succes, en vanaf dat moment konden de Japanners alle grote sportevenementen rechtstreeks op de radio volgen. Toen drie geniesoldaten tijdens het Shànghăi-incident het leven lieten toen ze de prikkeldraadomheining rond het vijandelijke kamp wilden opblazen, maakten de media zich prompt meester van deze zelfmoordactie als een voorbeeld van heldenmoed. In liederen, krantenartikels, toneelspelen en speelfilms werd de offervaardigheid van deze 'menselijke bommen' geprezen, en de radio zond de talrijke podiumopvoeringen uit die aan het thema gewijd waren. Volgens een meer nuchtere (latere) versie werd een van de drie in feite neergeschoten en vielen de andere twee, doordat ze niet tijdig wegkwamen voor de springstof ontplofte.

De marionettenstaat Mănzhōuguó

China protesteerde tegen het Japanse optreden bij de Volkenbond. Deze zond een commissie onder de leiding van de Brit Victor Alexander Lytton naar Japan en China. Het Kantō-leger, dat Mantsjoerije bezet had, hielp in maart 1932 de afgezette laatste Manchu-keizer van China Pŭyí 溥儀 (Japans: Fugi) uit Běijīng ontsnappen en maakte hem staatshoofd van een nieuw land : Mănzhōuguó (Manshūkoku 満州国), eerst als regent, vervolgens als keizer. Deze staat zag het levenslicht op 1 maart 1932, toevallig daags na de aankomst van de Lytton-commissie in Japan. Het territorium omvatte de zogenaamde drie noordoostelijke provincies van de Chinese republiek en de provincie Jehol. De staat werd voorgesteld als een multinationale staat, waarin vijf etnieën - de Chinese, de Mantsjoerijse, de Mongoolse, de Japanse en de Koreaanse - vreedzaam zouden samenleven. In september 1932 erkende Japan Mănzhōuguó als onafhankelijke staat, maar in feite had het Kantō-leger de touwtjes in handen. De Lytton-commissie, die van april tot mei 1932 in Mantsjoerije verbleven had, bracht in diezelfde septembermaand een vernietigend rapport uit over de inmenging van het Kantō-leger. In februari 1933 eiste de Volkenbond met 42 stemmen tegen 1 (die van Japan) de terugtrekking van de Japanse troepen uit Mantsjoerije en het ongedaan maken van de Japanse constructie Mănzhōuguó. Japan reageerde door bij monde van zijn ambassadeur bij de Volkenbond Matsuoka Yōsuke 松岡洋右(1880-1946) zijn lidmaatschap bij de Volkenbond op te zeggen. Internationaal kwam het land zo in een geïsoleerde positie te staan. Het stapte uit de internationale orde die uit de Conferentie van Versailles gegroeid was. Italië en Duitsland zagen hoe machteloos de Volkenbond was en gingen ook hun eigen weg.

De constructie Mănzhōuguó had grote gevolgen voor de positie van Japan in Oost-Azië en zijn economische rol in de wereld. De marionettenstaat stond de facto onder de controle van de opperbevelhebber van het Kantō-leger, die tevens de ambassadeur van Japan was. Op papier stond deze onafhankelijke staat los van elke burgerlijk bestuur in Japan. In feite werd het een enorm 'laboratorium', waar de Japanse militairen ongehinderd hun recepten voor planeconomie in de praktijk konden brengen. Na 1931 werd alles in het werk gesteld om Mantsjoerije economisch zelfbedruipend te maken met alle industriële mogelijkheden die het Japanse leger nodig kon hebben. Mantsjoerije was uiteindelijk geen wingewest, maar de zaibatsu investeerden er biljoenen in, die dus niet in Japan zelf werden besteed. Op menig gebied was Mănzhōuguó wel een bewijs van het Japanse organisatietalent. Op korte tijd werd het stadje Xīnjīng (Japans: Shinkyō) uitgebouwd tot een qua infrastructuur goed uitgeruste hoofdstad met zo'n 300.000 inwoners. In minder dan tien jaar tijd legden de Japanners er bijna 3.000 kilometer spoorwegen aan, luchthavens, dammen, hydro-elektrische centrales aan de Yalu-rivier, en zelfs een nieuwe haven aan de kust van de Japanse Zee in Korea, fungerend als draaischijf voor het vervoer tussen Japan, Korea en Mănzhōuguó. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Mănzhōuguó het meest geïndustrialiseerde land op het Aziatische continent. Met Korea en Japan, dat enorme sociale offers bracht voor deze uitbouw, vormde het één enorm militair-industrieel complex.

Het politieke effect van de gebeurtenissen in 1931 was dat de militairen en het grootkapitaal voortaan het besluitvormingsproces domineerden. Op hun wijze droegen ze bij tot een heropstanding uit de depressie. De noodmaatregelen van de overheid werden bekroond met een spectaculair economisch herstel.

Naast de investeringen in Mantsjoerije vond er een agressief handelsoffensief plaats op wereldschaal, dat de Japanse export tussen 1931 en 1936 verdubbelde. Ondanks de scherpe concurrentie van Engeland, Duitsland en de Verenigde Staten werd Japan de eerste grootmacht die de crisis te boven kwam. Het Westen klaagde op ethische gronden de middelen aan die Japan daarvoor gebruikte: abnormaal lage lonen, malafide handelspraktijken, minderwaardige producten. De fundamentele oorzaak van het herstel ligt echter evenzeer in Japans vermogen nationale inspanningen te leveren en in de waardedaling van de yen door het liberaliseren van de goudexport. Dit maakte de Japanse producten goedkoop en concurrentieel.

De industriële controlewet van 1931 liet de overheid toe te rationaliseren, kartelvorming te bevorderen, verspilling uit te schakelen en de buitenlandse concurrentiepositie planmatig te verstevigen. Vele kleine en middelgrote ondernemingen werden opgeofferd en de levensstandaard bleef zeer laag. De Japanse consument voelde weinig van de economische bloei. Integendeel, de overheid kon de crisis in Mantsjoerije gebruiken om solidariteit met 'onze jongens aan het front' te prediken. Hard werken, soberheid en patriottisme waren de leuzen van de dag, al impliceerden ze wel de belofte van welvaart later.

Eenheid 731

Eenheid 731 was gevestigd in een 610 hectaren groot omheind domein ongeveer twintig kilometer ten zuidoosten van de stad Harbin (Chinees: Hā'ěrbīn 哈爾濱) in Mantsjoerije. Dissidenten of anderzijds als vijandig beschouwde individuen werden hiernaartoe gestuurd en opgesloten. Aan de buitenwereld werd deze inrichting voorgesteld als een houtzagerij, maar in feite werden talloze, vaak zinloze, medische experimenten op de gevangenen uitgevoerd. Men deed er ook onderzoek naar epidemieën, met het oog op het ontwikkelen van biologische en bacteriologische wapens.Hoofd van de afdeling was de beruchte Ishii Shiroō 石井 四郎 (1892-1959). Hij was als arts afgestudeerd aan de Keizerlijke Universiteit van Kyōto en was gespecialiseerd in bacteriologie en bacteriologische wapens. Hij wist het vertrouwen van de legerleiding te winnen en werd in 1932 naar Mantsjoerije gestuurd om er de geheime Eenheid 731 uit te bouwen. Na de oorlog zijn Ishii en zijn medewerkers door het Proces van Tōkyō weliswaar in verdenking gesteld, maar uiteindelijk niet in staat van beschuldiging gesteld. Zij kregen naar verluidt immuniteit in ruil voor het doorgeven van hun onderzoeksresultaten aan het Amerikaanse leger, hoewel deze verklaring niet iedereen overtuigt. Bovendien is het nog maar de vraag hoeveel 'bruikbare' know-how hun twijfelachtige experimenten opgeleverd kunnen hebben.

Verdere opgang van het militarisme en de militairen

Het 15 mei-incident (Go ichigojiken 五一五事件)

De regering-Inukai had bakzeil gehaald voor de militairen na de invasie in Mantsjoerije en voerde zelfs een inflatoir beleid om de militairen ter wille te zijn. Hierdoor wonnen rechtse groeperingen aanzien en er doken extremisten op die het proces nog wilden versnellen door aanslagen uit te voeren op aarzelende politici en financiële 'baronnen'. Op 15 mei 1932 bestormden jonge officieren van de Zeemacht in actieve dienst, samen met extremisten van een fanatiek nationalistisch genootschap, de Aikyōjuku, de ambtswoning van premier Inukai, en doodden hem. Dit incident betekende:

  1. het einde van de rol van politieke partijen in de besluitvorming;
  2. het begin van het opeisen van het grootkapitaal om bij te dragen tot het 'zinvol produceren', dit wil zeggen het investeren in het militair-industrieel apparaat;
  3. een beleid van organisatie en steunverlening aan de landbouw.

Kortom, het was de aanvang van de militaire dictatuur. In feite werd er een beleid gevoerd dat vele parallellen vertoonde met nazi-Duitsland. Ook in Japan werd dit beleid toegejuicht door de grote massa. Dit blijkt uit het feit dat in juli 1932 de hoger genoemde Shakai Minshū-tō 社会民衆党 fusioneerde met de Zenkoku Rōnō Taishū-tō 全国労農大衆党 om de nationaalsocialistische partij Shakai Taishū-tō 社会大衆党 te vormen, die nauw samenwerkte met de militairen.

Tegenstellingen binnen het opperbevel

Dankzij hun successen in Mantsjoerije was de invloed van de militairen op het thuisfront sterk toegenomen, en dit gaf aanleiding tot interne spanningen in het opperbevel. De uiteindelijke doelstellingen van de militairen waren dezelfde, maar zij verschilden van mening over methodes en prioriteiten.

Er liep een ideologische scheidslijn door het officierenkorps. De voornaamste strekking was die van de 'Keizerlijke Weg' (Kōdō-ha 皇道派), 'idealisten' die hoog opliepen met de spirituele kracht van het keizerlijke leger. Ze hadden de moord op Zhāng Zuòlín en het Mantsjoerije-incident gesteund. Daarnaast was er de 'moderniserende', meer pragmatische strekking, die zeker niet vies was van militaire expansie, maar toch in de eerste plaats een betere materiële uitrusting nastreefde, rekening houdend met het militair potentieel van de Sovjet-Unie. Later werd deze groep 'De Disciplinairen' (Tōsei-ha 統制派) genoemd. De groep was voorstander van strenge discipline en leverde strijd met de factie van 'de Keizerlijke Weg' om de totale controle over het leger. De groep distantieerde zich ook van de jongere officieren die een vaak aan insubordinatie grenzende 'directe actie' voorstonden. Het leger had daarnaast ook af te rekenen met de traditionele tegenstellingen tussen Landmacht en Zeemacht en met de generatiekloof tussen jongeren en ouderen.

In de jaren 1930-1934 oefende vooral de Keizerlijke Weg een grote invloed uit op het kabinet-Inukai en op dat van Saitō Makoto 斎藤実, een Zeemacht-generaal die een soort kabinet van nationale eenheid leidde. De grote leider van de Keizerlijke Weg was de generaal van de Landmacht Araki Sadao 荒木貞夫, die later zelfs nog minister van Onderwijs zou worden. Op de processen van Tōkyō werd hij als oorlogsmisdadiger berecht en kreeg hij levenslang.Na 1934 heerste er een scherpe tweestrijd met de 'moderniserende, disciplinaire' factie, toen de Minister van de Landmacht Hayashi Senjūrō 林銑十郎 in het kabinet van Okada Keisuke 岡田啓介 alles in het werk stelde om de invloed van de Keizerlijken te neutraliseren.

Het 26 februari-incident (Ni-niroku jiken 二二六事件)

Jonge officieren die de 'Keizerlijke Weg' genegen waren, vonden de discipline die van hen geëist werd ondraaglijk en besloten een staatsgreep te plegen. Samen met 1.400 cadetten van de Eerste Divisie die in Tōkyō gekazerneerd waren, probeerden ze alle regeringsleiders wier beleid ze afkeurden uit de weg te ruimen. Ze doodden de minister van Financiën Takahashi Korekiyo 高橋是清, de minister van Binnenlandse Zaken Saitō Makoto 斎藤実, en de hoofdadviseur voor het onderwijsbeleid Watanabe Jōtarō 渡辺錠太郎. Zeemacht-admiraal Suzuki Kantarō 鈴木貫太郎, tevens Groot-Kamenier van de keizer werd slechts gewond, terwijl Saionji Kinmochi 西園寺公望 en premier Okada Keisuke 岡田啓介 aan de dood ontsnapten, deze laatste dankzij de treffende gelijkenis met zijn schoonbroer die in zijn plaats werd vermoord. Dit incident vormde de grootste bedreiging die het politieke regime sinds de Satsuma-rebellie moest trotseren. De 'disciplinairen' traden streng op en eisten, met de steun van de keizer, maar ook van het opperbevel van Land- en Zeemacht, strenge straffen. De tucht werd geheel hersteld en relletjes bleven voortaan uit.

De opstandige militairen hadden echter hun doel bereikt. De belangrijkste politieke tegenstanders waren uitgeschakeld en het leger werd beschouwd als de redder van het burgerlijk bestuur. De legerleiding kreeg nu de totale controle over het regeringsbeleid, zowel binnenlands als buitenlands. Een deel van de Landmacht had geaarzeld om partij te kiezen, maar uiteindelijk werd unaniem beslist de muiterij neer te slaan. De leiders van de muitende troepen pleegden zelfmoord of werden tot de doodstraf veroordeeld. Onder hen bevond zich de rechtse ideoloog Kita Ikki 北一輝.

Na het neerslaan van de muiterij verkondigden de militairen dat ze nu eindelijk een totale zuivering binnen hun rangen hadden doorgevoerd (shukugun 粛軍). De factiestrijd binnen het leger was inderdaad beslecht, maar nu kon de legerleiding al haar aandacht richten op het versterken van haar positie in alle geledingen van het bestuur. Er kwam een militair kabinet onder leiding van Hirota Kōki 広田弘毅, die alles in het werk stelde om zoveel mogelijk militairen in de administratie op te nemen. Ook werd de regel dat alleen officieren in actieve dienst tot minister van Oorlog konden worden benoemd weer ingevoerd, een praktijk die uit het begin van de Taishō-periode dateerde. Het gevoerde beleid kreeg uitgesproken militaire trekjes, men maakte zich klaar voor een oorlog. Grote budgetten werden naar het leger versast om het land te kunnen verdedigen. Onder het motto Shosei Isshin 庶政一新 ('vernieuwing van volk en regering'), werd de politieke invloed van het leger haast geïnstitutionaliseerd. In augustus 1936 aanvaardde het kabinet de expansie naar het zuiden als fundament van zijn beleid.

De situatie in Europa

Rusland had zich in de Oktoberrevolutie van 1917 van zijn monarchie en maatschappelijk systeem ontdaan en was nu de Sovjet-Unie, die in de jaren dertig door de Volkenbond als volwaardig lid erkend werd. De Italiaanse dictator Mussolini viel in 1933 Ethiopië binnen en annexeerde het in 1936. Hitler-Duitsland volgde het Japanse voorbeeld en stapte uit de Volkenbond. Het verkondigde de nietigverklaring van het Verdrag van Versailles en zette het licht op groen voor een grootscheepse herbewapening.