Opgang van de Bushiklasse
Uit GeschiedenisJapan
In de woelig Kamakura-periode[1] verschijnt er in Japan naast de gevestigde klassen razendsnel een nieuwe orde ten tonele, die van de Bushi oftewel Samoerai. In de Heian periode, die hieraan vooraf ging, werden de kiemen gezaaid voor de snelle en effectieve machtsovername van deze militaire klasse die zich uitstrekte over het hele Japanse grondgebied.
Inhoud |
Voorgeschiedenis
De vorming van de Japanse proto-samoerai met wapenuitrusting, wordt algemeen in de zesde eeuw gesitueerd. [1] Na een rampzalig militair treffen met het Tang-China en Silla [2], onderging Japan een reeks hervormingen, waaronder de Taika-hervorming (de installering van het politiek Ritsuryō-systeem). Een grootse onderneming met als voornaamste punt de overname van de Chinese culturele en administratieve systemen door de Japanse aristocratie en bureaucratie[1]. De bevolking werd regelmatig opgeroepen voor een census[2] en militaire dienstplicht werd vanaf 702 opgelegd aan één vierde van de mannelijke bevolking.
Vroege Heian Periode
De Onvolmaakte Ritsuryō
De principes van het Ritsuryō-systeem was gefundeerd op een absolute macht van de centrale overheid. Enerzijds economische macht door een geoliede ambtenarij, corvee-systeem en grondbelasting, anderzijds militaire macht via dienstplicht. Dit alles naar het model van het florerende Tang-China. In de periode die als naam "de vrede" droeg ( Heian (平安)), ontstond er toch een overheersend militariserende trend, die zou leiden tot een volledige afbrokkeling van de Ritsuryō.
Militarisering der provincien
Volgens de Ritsuryō werd het land ingedeeld per grondeenheid (kubunden) die op dwang bewerkt moest worden en belastbaar was. De stelsels waren echter ondraaglijk en veel boeren ontvluchtten hun land. Zij zochten bescherming bij rijkere boeren of landadel, die door de toevoer aan goedkope werkkrachten en het ontginnen van braakliggende, ongeregistreerde grond hun macht en omzet wisten uit te breiden. Om de landontginning te stimuleren, erkende de regering het privé-bezit van de grond en tegen 743 was privé-bezit van gronden dus al weer toegestaan.
Dit alles creëerde het perfecte kader voor een verdere verbrokkeling van het grondgebied en werkte een privatisering van feodale privé-gemeenschappen door de Aristocratie en rijke Clerus vanuit de hoofdstad in de hand. Het hele land vertoonde zo de aanblik van een mozaïek van publieke domeinen (kokugaryō 国衙領) en privé-domeinen (shōen). Door het nastreven van privébelangen door de hoofdstedelijke elite, dreven de provinciën weg van de centrale controle en viel het feitelijke leiderschap dus in handen van de plaatselijke landadel. Deze gebruikte haar zogezegde afstamming tot de hoofdstedelijke aristocratie om zichzelf aan te stellen als spilfiguur van de rurale milities, tō (党). Deze stelden ze samen uit ronddolende vechtjassen om weerwerk te kunnen bieden aan georganiseerde roversbenden en de toenemende onveiligheid over het hele gebied. Dit was natuurlijk ook een manier om met rivaliserende milities te kunnen wedijveren.
In een ietwat ongelukkige poging van de overheid om van fiscaal vrije burgers (shōmin) weer onderdanen van de staat (kōmin) te maken, stuitte ze op heftige weerstand van de shōen-grootgrondbezitters en hun medewerkers. Gewapende boerenbendes revolteerden en bestormden her en der de provinciale administratie. Door de aanhoudende rellen gaf de overheid toe en werden de shōen vanaf de elfde eeuw onschendbaar, hetgeen complete autonomie voor deze gemeenschappen betekende en vrij spel voor de militariserende bendes. Deze waren in een voortdurende competitieve strijd verwikkeld. Strijd tegen de provinciale autoriteiten en ook onderling, zodat ze zich in toenemende mate bewapenden. Uit de klasse van de door de overheid aangestelde provinciale beheerders zullen later, door verrijking en privébezit, de grote leiders van de krijgersbenden (Bushi) voortkomen. De machtigsten waren de Taira-clan en de Minamoto-clan. Naarmate de invloed van de centrale overheid verminderde, nam die van de militaire bendes, met aan het hoofd de overkoepelende en leidinggevende clan, gestaag toe.
Recrutering van Bushi door de Overheid
In de vroege Heian (平安), trachtte toenmalig Keizer Kammu (桓武天皇) zijn invloed in Noord-Japan (Honshū), ten aanzien van de rebellerende Emishi te bevestigen en uit te breiden. Hij stuurde overheidstroepen vanuit de hoofdstad maar deze faalden door gebrek aan motivatie en dicipline. Hierop introduceerde Kammu de titel van Seiitaishōgun (征夷大将軍) of kortweg Shōgun, een militair leider met als opdracht het "verdrijven van de barbaren" waarbij de locale clans als spierkracht werden ingezet. Aangezien de machtige clans bedreven waren in georganiseerde strijdvoering werden ze gauw een geliefd middel van de keizer om rebellenlegers neer te slaan. Ondanks hun militaire verdienste werden de clans door het Keizerlijk Hof beschouwd als zijnde inferieur en barbaars (7de tot 9de eeuw). Een duidelijk teken dat de militaire macht van de troon teloor gaat aan landadel en clans, is het gelijktijdig uitbreken van twee opstanden; die van ''Fujiwara no Sumitomo 藤原純友, in West-Japan en die van Taira no Masakado 平将門 in Oost-Japan. Beide militieleiders waren afkomstig uit families van voormalige provinciale ambtenaren, m.a.w. nakomelingen van de hoge aristocratie.
Tanende macht van de Keizer
Hoewel beide opstanden worden neergeslagen, wordt de complete militaire afhankelijkheid van de troon van de gerusticeerde, gemilitariseerde landadel duidelijker dan ooit. Uiteindelijk ontbond Kammu zijn leger en nam de keizerlijke macht ten voordele van de Shōgun en de clans geleidelijk verder af. De steeds machtigere clans rond Kyoto (京都) namen posities in als ministers en hun verwanten kochten posities op als magistraten in en rond de hoofdstad. Om rijkdom te vergaren en schulden af te betalen, legden de magistraten de boerenbevolking zware belastingen op, met als gevolg dat nog meer boeren zonder land kwamen te zitten. Ook zij kwamen onder grootgrondbezitters als horigen werken of vormden rondtrekkende benden. Naarmate de dreiging van deze roverbendes toenam, begonnen de clans met het recruteren van uitgestoten zwervers in de Kantō vlakte. Gezien hun uitstekende kennis en training in de gevechtskunsten, werden ze aangesteld als lijfwachten en vergezelden belastingscontroleurs op hun weg. Om het hoofd te bieden aan grotere en machtigere clans, vormden zowat allen allianties en steeg het aantal leden per clan enorm.
De Literaire Krijger
Zij waren "Saburai", gewapende onderhouders, en hun alleenheerschappij op militair vlak werd al gauw zichtbaar, de Bushiklasse in wording. Ze wisten op diplomatieke wijze hun macht steeds uit te breiden, door politieke huwelijken en proctectionistische overeenkomsten, tot ver boven de traditionele aristocratische klasse. Tegen het einde van de elfde eeuw waren de bushi uitgegroeid tot een hoogstaande klasse, met een hoog niveau van geletterdheid en cultuur. De machtige Samoerai-clans verwerden tot krijgersnobelen (buke) en moesten enkel in theorie onder doen voor de aristocraten aan het hof. Wanneer de Samoerai aristoctratische cultuurelementen zoals kaligrafie, poëzie en muziek begonnen over te nemen naar voorbeeld van de hofadelen, vond een wederzijdse beïnvloeding plaats en namen op ook de hofedelen krijgersgewoonten over. De geletterde krijgers leefden toe naar spreekwoorden als "Bun Bu Ryo Do" (文武両道), letterlijk: "literaire kunsten, krijgskunsten, beide wegen." Tegen midden- Heian had ook de typische Samoerai wapenuitrusting vorm gekregen en waren de grondvesten van hun ethische code Bushidō gevormd. Volgens William Scott Wilson in zijn boek Ideals of the Samurai: "De krijgers in de Heike Monogatari deden dienst als rolmodellen voor de geletterde strijders van latere generaties, en de door hen geportreteerde idealen waren niet veronderstelt buiten bereik van de werkelijkheid te zijn. Ze werden zelfs vurig nagestreefd in de hoogste rangen van de krijgersmaatschappij en voorgesteld als de ideale Japanse krijgsman. Door de Heike Monogatari kreeg het beeld van de Japanse krijger zijn volwaardige vorm."
Late Heian
Taira en Minamoto
Aanvankelijk waren deze krijgers simpele huurlingen in dienst van de keizer en nobele clans (Kuge 公家). Later breidden hun invloed uit tot zij machtig genoeg waren om de aristocratie volledig te overklassen en de eerste Samoerai-gedomineerde overheid op poten wisten te zetten. Uit alle clans die werden gevormd of uitgebreid gedurende de verregaande militarisering van de rurale gebieden, treden er twee krijgersbenden in het voetlicht. De Taira- en de Minamoto-clan[3]. De Fujiwara-regenten in de hoofdstad hadden de gewoonte om beroep te doen op de krijgers (bushidan) van de Minamoto-clan als hun "dienaars" (Samoerai 侍). Toen de "ex-keizers" het voor het zeggen hadden kozen zij als hun Samoerai of persoonlijke garde krijgers van de Taira-clan. Ook op economisch vlak was er veel gelijkenis tussen de Taira en de Fujiwara. De Taira bezat meer dan 500 shōen in het gebied van de hoofdstedelijke provinciën en West-Japan, en had meer dan 30 provinciën als chigyōkoku. Een halve eeuw eerder nog had de aristocratie neergekeken op de onbeschaafde en ruwe krijgers van de Taira. Nu bekleedden zij de hoogste posities in het land. Deze ommezwaai weerspiegelde en bevestigde de totaal gewijzigde machtsverhoudingen die zich reeds gedurende meer dan een eeuw in de Japanse samenleving aan het aftekenen waren. Gelijklopend met hun groeiende militaire en economische macht, groeiden de clans ook gauw uit tot de nieuwe politieke macht. Hun rol in de Hōgen-Rebellie in de late Heian-periode verstevigde hun macht verder en zette de Minamoto en Taira als aartsrivalen tegen elkaar op. Na de Heiji Rebellie (1160) kwam Taira no Kiyomori als overwinnaar uit de strijd en verkreeg de positie van keizerlijk adviseur. Hij was de eerste krijger die deze positie bezette, en nam al gauw volledige controle over de centrale overheid, alwaar hij de eerste Samoerai-gedomineerde regering aanstelde. De Keizer degradeerde hij tot positie van boegbeeld. De Taira-clan was echter erg conservatief in vergelijking met hun uiteindelijke opvolgers, de Minamoto. De Taira-clan probeerde in alle opzichten in de voetsporen van de Fujiwaras te treden en kozen voor politieke huwelijken met de keizerlijke familie in de hoop zo hun controle te vergroten.
Kamakura Periode
In 1180 gingen de Taira en de Minamoto opnieuw met elkaar in de clinch, in een machtsstrijd die vijf jaar zou duren en de Genpei Oorlog zou worden genoemd. Als uiteindelijke overwinnaar kwam Minamoto no Yoritomo uit de bus. Hij zou uiteindelijk de heerschappij van de Bushi over de aristocratie verder bewerkstelligen. In 1190 bezocht hij Kyoto en in 1192 liet hij zich tot "Seii Taishogun" benoemen en blies daarmee het Kamakura Shogunaat of Kamakura Bakufu in het leven. Hij plaatste zijn hoofdkwartier, het Shogunaat, in Kamakura, nabij zijn militaire machtsbasis. ("Bakufu" wil letterlijk zeggen "tent overheid", afkomstig uit de kampplaatsen waar de soldaten van de militaire Bakufu-overheid verbleven.) Ondanks vele onderbrekingen en tijdelijk heerschap vanwege keizers, was de echte macht nu onomkeerbaar en naar eigen verdienste in de handen van het prille Shōgunaat en de Samoerai.
Voetnoten
- ↑ 1,0 1,1 William Wayne Farris, Heavenly Warriors - The Evolution of Japan's Military, 500-1300, Harvard University Press, 1995.
- ↑ George Samson, A History of Japan, Vol. 3, , Tuttle Publishing, 2000.
Bronvermelding
- Mass, Jeffrey P. "Warrior Government in early Medieval Japan, A study of the kamakura Bakufu, shugo, and jitō", New Haven and London: Yale University Press, 1974
- Kodansha. "Encyclopedia of Japan", Tokyo: Kodansha, 1983
- Willy, Vande Walle. Geschiedenis van Japan tot 1868, academiejaar 2006-2007, Leuven: Katholieke Universit Leuven, 2006
Externe links
- Engelse wiki over Samoerai
- SengokuDaimyo.com Website van Samoerai Auteur en Historicus
- The Samurai Archives Japanese History page

