Ontsluiting grenzen

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Ontsluiting van de grenzen en haar gevolgen

Leidraad

Het waren de Verenigde Staten die Japan ertoe dwongen de politiek van bijna algehele afzondering op te geven door de ondertekening van het zogenaamde Japans-Amerikaanse Vriendschapsverdrag . In uitvoering hiervan werd een Amerikaans consul, Townsend Harris, benoemd en werden handelsverdragen mogelijk gemaakt. Uiteraard veroorzaakte dit alles heel wat deining in de binnenlandse politiek van Japan. In verband met de kwestie van de keizerlijke toestemming voor deze verdragen rees de vraag of het Tokugawa-shōgunaat verder diende te bestaan. In deze context ontstonden er ernstige wrijvingen tussen de Hitotsubashi- en de Nanki-factie. Tairō 大老 Ii Naosuke 井伊直弼 ondertekende eigenmachtig een vriendschaps- en handelsverdrag met de Verenigde Staten. Later (1860) werd hij het slachtoffer van een aanslag. Beide feiten maakten de Japanse politieke toestand nog verwarder, terwijl op economisch vlak de feodale structuren uiteindelijk volledig in elkaar stortten.

De ontsluiting van de grenzen

De Opiumoorlog en de reactie van het Shōgunaat

Het door Japan eeuwenlang bewonderde en zo onaantastbaar geachte China werd in de Opiumoorlog (1840-1842) verslagen door Groot-Brittannië. De Chinese nederlaag bracht Japan tot het besef dat het Westen een te duchten tegenstander was, die gunstig gestemd moest worden. Daarom besloten de Japanse bewindvoerders decreten uit te vaardigen die het ravitailleren van buitenlandse schepen toestonden. Het bakufu opende ook de ogen voor de militaire slagkracht van het Westen. Het besloot een leger te vormen en te oefenen met westerse wapens en westerse gevechtstechnieken. De daimyō van Mito 水戸, Tokugawa Nariaki 徳川斉昭(1800-1860), bouwde in 1836 een met moderne artillerie uitgerust fort. De in Nagasaki wonende ambtenaar en artilleriespecialist Takashima Shūhan 高島秋帆 (1798-1866) werd in 1841 naar Edo ontboden om zijn kennis inzake artillerie te demonstreren. Bovendien kreeg Egawa Hidetatsu 江川英龍(1801-1855), daikan 代官 (commissaris) van de Tokugawa in Nirayama 韮山 (de huidige prefectuur Shizuoka), de opdracht om de verdedigingsmogelijkheden van de zeven eilanden voor het schiereiland Izu 伊豆 te gaan inspecteren. Hij werd officieel artilleriespecialist van het bakufu en richtte een artillerieschool op. Zelfs vanuit het keizerlijke hof werd in 1846 en in 1850 een strenge richtlijn gegeven aan het Shōgunaat om de kustverdediging ernstig te nemen.

De Nederlandse Koning adviseert Japan zijn grenzen te ontsluiten

In 1844 zond de Nederlandse koning Willem II (Nederland was het enige westerse land waarmee het bakufu tijdens de sakoku 鎖国, het isolement, relaties onderhield, zij het zeer beperkte) een persoonlijke brief aan het bakufu. Hij adviseerde de Japanse overheid om haar sterk restrictieve handelsbeleid op te geven en zich te integreren in de wereldhandel, waaruit het volgens hem zeker voordeel kon halen. Een jaar later gaf het bakufu echter een negatief antwoord op deze brief en verkoos het zijn isolementsbeleid voort te zetten.

Aankomst van Perry en de houding van het bakufu

In het kader van hun beleid om een invloedssfeer uit te bouwen in het noordelijke deel van de Stille Oceaan begonnen de Verenigde Staten van Amerika rond het midden van de negentiende eeuw de Japanse kusten te naderen. In 1846 verscheen de kapitein van het Amerikaanse Oost-Indië-eskader James Biddle met zijn schepen in de baai van Edo te Uraga (het huidige Yokosuka 横須賀 in Kanagawa). Het was niet zijn bedoeling de grenzen van Japan te ontsluiten, maar hij wenste wel havenfaciliteiten voor de Amerikaanse handel met China en voor de walvisvaarders. De Japanners wezen de verzoeken af omdat hun wetgeving alleen handel met China en Nederland toestond.

Deze afwijzing was allerminst naar de zin van de Amerikanen en in 1851 werd besloten een nieuwe afvaardiging naar Japan te sturen, nu om formeel de opening van de grenzen af te dwingen. President Millard Fillmore formuleerde de volgende eisen:

  1. Amerikaanse schipbreukelingen in Japanse wateren moesten geholpen worden.
  2. Er moest vrije handel komen tussen de Verenigde Staten en Japan.
  3. De lijnvaart van Californië naar China moest in Japan kunnen genieten van faciliteiten inzake ravitaillering en steenkoolvoorziening.

Na interne strubbelingen over de vraag wie het commando van de delegatie zou voeren, was het uiteindelijk Matthew Calbraith Perry (1794-1858) die gezagvoerder werd. Op de derde dag van de zesde maand (8 juli) van 1853 verscheen hij met vier oorlogsbodems te Uraga met het doel opnieuw contact te zoeken met de Japanse overheid.

Als opvolger van Mizuno Tadakuni 水野忠邦 had Abe Masahiro 阿部正弘 (1819-1857) als voornaamste rōjū 老中 ('oudere') de politieke macht van het bakufu in handen. Ondanks het feit dat hij reeds een jaar voor de gebeurtenissen door de Nederlandse resident-generaal te Batavia was ingelicht over de komst en de bedoelingen van Perry, had hij geen enkele maatregel laten treffen om het naderende onheil af te weren. Perry trad bijzonder autoritair op en weigerde in te gaan op het voorstel om alleen via Nagasaki te onderhandelen. Willens nillens benoemde het bakufu daarop Toda Ujiyoshi 戸田氏栄 en Ido Hiromichi 井戸弘道 tot gevolmachtigde onderhandelaars om de boodschap van president Fillmore in ontvangst te nemen. Ze moesten beloven om een jaar later met een officieel antwoord van het shōgunaat klaar te staan. De zwarte oorlogsschepen van Perry verwekten niet alleen consternatie bij de regering, maar zetten heel de stad Edo in rep en roer. Iedereen was bang voor de kurofune 黒船, zoals de schepen genoemd werden, en de samurai, die al meer dan twee eeuwen niet meer gevochten hadden, haalden hun wapenrusting te voorschijn om de 'barbaren' te verdrijven. Vier dagen na de afvaart van Perry overleed shōgun Ieyoshi en het bakufu geraakte in een crisis. Abe Masahiro brak met alle precedenten. Niet alleen meldde hij de inhoud van Perry's boodschap aan het keizerlijke hof, maar hij vroeg ook aan de aristocraten en de daimyō om hun advies. Allen maanden hem aan de Amerikaanse eisen af te wijzen en consequent alle buitenlandse invloeden te weren. De leider van de antibuitenlandse factie, Tokugawa Nariaki kreeg de opdracht kustverdedigingswerken te laten uitvoeren. Deze 'inspraakronde' betekende een enorm gezichtsverlies voor het bakufu, dat tot dan toe alle bestuurszaken bijzonder autoritair had afgehandeld. Nu tolereerde het niet alleen inspraak van de aristocratie en de 'buitenheren', maar verzocht het er zelf om.

Komst van Poetjatin

Ongeveer een maand na het vertrek van Perry kwam een Russische delegatie naar Nagasaki, onder leiding van Jevfimi Poetjatin (Евфимий Путятин). De Russen eisten een overeenkomst inzake de staatsgrenzen in het noorden en wensten tevens toegang tot een Japanse haven om handel te drijven. De onderhandelingen werden aangevat, maar uiteindelijk werden de Russische eisen verworpen.

Het Japans-Amerikaanse Vriendschapsverdrag

Zonder dat het bakufu een coherent beleid inzake de eisen van Perry had geformuleerd, verscheen deze op 13 februari van 1854 opnieuw te Uraga en maakte met zijn zeven schepen een verkenningstocht in de baai van Edo. Het bakufu startte nieuwe onderhandelingen te Kanagawa, deze keer onder leiding van Hayashi Fukusai 林復斎 en Inoue Kiyonao 井上清直, rectoren van de Shōhei-kō 昌平, de officiële academie van het bakufu. Het werd weer een zeer eenzijdige gespreksronde. Onder de bedreiging dat er een vloot van honderd machtige oorlogsschepen op weg was naar Edo, dwong Perry het bakufu op 31 maart 1854 tot het sluiten van het Nichi-Bei Washin Jōyaku 日米和親条約, het Japans-Amerikaanse Vriendschapsverdrag, ook wel het Verdrag van Kanagawa genoemd. De inhoud ervan kwam hierop neer:

  1. Om Amerikaanse schepen te voorzien van drinkwater, voedsel en brandstof werden de havens Shimoda 下田 en Hakodate 函館 opengesteld.
  2. In Shimoda zou een Amerikaans consul gestationeerd worden.
  3. De Verenigde Staten zouden door Japan als meest begunstigde natie (saikeikoku 最恵国 ) behandeld worden.

Hiermee kwam een officieel einde aan meer dan 200 jaar isolement. Later werden ook door Groot-Brittannië (1854), Rusland (1855) en Nederland (1855) gelijkaardige verdragen afgedwongen. Het verdrag met Rusland legde ook de staatsgrenzen vast. Al wat ten noorden van het eiland Etorofu lag, was Russisch gebied. Het probleem van de grens op het eiland Sachalin bleef evenwel onopgelost.

Het afsluiten van handelsverdragen.

De handelsverdragen

Overeenkomstig het Vriendschapsverdrag kwam in 1856 Townsend Harris (1804-1876) als consul-generaal te Shimoda aan. Harris had de opdracht een handelsverdrag af te sluiten zoals dat bijvoorbeeld al bestond tussen de Verenigde Staten enerzijds en landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland en China anderzijds. Terwijl de Britten, de Fransen en de Russen hun handen vol hadden met de Arrow- en Krim-oorlogen, onderhandelde Harris met de Japanse overheid. In december 1857 verkreeg hij een audiëntie bij de raadsheer van de shōgun in Edo, de rōjū Hotta Masayoshi 堀田正睦 (1810-1864), de opvolger van Abe Masahiro. Tijdens de onderhandelingen zette hij uiteen hoe de politieke en militaire situatie van de wereld er uitzag. Hij zette de Japanners onder druk om een verdrag af te sluiten zonder een dwaze oorlog te voeren, zoals de Chinezen dat tegen de Fransen en de Engelsen hadden geprobeerd. Het bakufu droeg Iwase Tadanari 岩瀬忠震 (gaikoku-bugyō 外国奉行: commissaris voor Buitenlandse Zaken) en het bestuur van de stad Shimoda op concrete onderhandelingen te voeren, wat in 1858 leidde tot de sluiting van een nieuw Japans-Amerikaans Vriendschapsverdrag en een handelsovereenkomst.

De opvolging van de shōgun en de kwestie van het keizerlijke fiat over het verdrag

Terwijl de onderhandelingen aan de gang waren, werd binnen het bakufu het probleem van de opvolging van de zieke shōgun Tokugawa Iesada 徳川家定(1824-1858) kritiek, aangezien hij geen kinderen had. In de discussie stonden twee facties tegenover elkaar. Enerzijds was er de Hitotsubashi-ha 一橋派, een groep aangevoerd door Tokugawa Nariaki, de heer van Mito, die zijn zevende zoon Hitotsubashi Yoshinobu 一橋慶喜(1837-1913) voorstelde als nieuwe shōgun. Hij werd gesteund door Shimazu Nariakira 島津斉彬, heer van Satsuma, Yamanouchi Toyoshige 山内豊信, heer van Tosa 土佐, Date Munenari 伊達宗城, heer van Uwajima 宇和島, Matsudaira Yoshinaga 松平慶永, heer van Echizen 越前, alle machtige han. Anderzijds was er de Nanki-ha 南紀派, een groep die de toen twaalfjarige neef van Iesada, Tokugawa Yoshitomi 徳川慶福, voordroeg. De tenoren van deze factie waren hoofdzakelijk ministers geschaard rond Iesada, en de familie van Iesada zelf. De Hitotsubashi-ha voerde de meerderjarigheid van Yoshinobu als argument aan, de Nanki-ha wees op de rechtstreekse bloedverwantschap van Yoshitomi. Het dient onderstreept te worden dat de fudai-daimyō, waaronder Ii Naosuke, tot de Nanki-kliek gerekend moeten worden.

Tijdens met de onderhandelingen met Harris hield het bakufu tot viermaal toe ruggespraak met de daimyō omtrent dit buitenlands probleem. Zo liet het de brief en de verklaringen van de Amerikaanse president circuleren en vroeg het de mening van de aristocraten. Telkens kwam het erop neer dat de daimyō de buitenlandse handel als onvermijdelijk beschouwden. Om op dit punt de kritiek van de Hitotsubashi-kliek te bezweren, besloot het bakufu te breken met alle precedenten en keizerlijke toestemming te vragen voor het sluiten van het verdrag. In de lente van 1858 begaf rōjū Hotta Masayoshi zich naar het hof in Kyōto om zich van deze taak te kwijten. Hij stootte er evenwel op een vijandige sfeer. Het hof was helemaal in de ban van de conservatieve aristocraten die de antibuitenlandse visie van Tokugawa Nariaki waren toegedaan. Bovendien wilde het Hof ongetwijfeld vermijden duidelijk voor een van beide rivaliserende groepen partij te kiezen. De keizer verleende geen toestemming om een verdrag af te sluiten, en gaf opdracht nogmaals de go-sanke 御三家 en de daimyō te consulteren. Dit was de eerste maal dat het hof openlijk inging tegen de wensen van het bakufu.

Een nieuw handels- en vriendschapsverdrag

Aangeslagen door zijn mislukking raakte Hotta ook verward in de listen van de Hitotsubashi-ha om Yoshinobu als opvolger te erkennen, terwijl ook het streven van Matsudaira Yoshinaga om regent (tairō) te worden concreter vorm begon aan te nemen. Niettemin slaagde de wat in de verdrukking geraakte Nanki-kliek er in mei 1858 toch in Ii Naosuke (1815-1860), heer van Hikone 彦根 (nu Shiga 滋賀), in deze functie te laten benoemen, drie dagen nadat Hotta Masayoshi onverrichter zake naar Edo was weergekeerd.

Rond dezelfde tijd leed China in de Arrowoorlog een nederlaag tegen de Fransen en de Engelsen. Harris maakte hiervan handig gebruik en dreigde ermee dat de Fransen en de Engelsen nu wel eens naar Japan zouden kunnen komen als er niet snel een overeenkomst geratificeerd werd. Ii Naosuke zag in dat er geen alternatief was en ging op 29 juli 1858 over tot de ratificatie van een handelsverdrag. Dit noemt men het Nichi-Bei Shūkō Tsūshō Jōyaku 日米修好通商条約 (Japans-Amerikaans Vriendschaps- en Handelsverdrag).

Dit verdrag bevatte onder andere de volgende bepalingen:

  1. De openstelling van Shimoda (was zes maanden na de opening van de haven van Kanagawa gesloten), Hakodate, Kanagawa, Nagasaki, Niigata en Kōbe. Ook de steden Edo en ōsaka werden opengesteld voor de buitenlanders.
  2. Instemming met het feit dat er buiten de ambassadeurs en consuls ook andere Amerikanen in Japan zouden mogen verblijven.
  3. Rechterlijke autoriteit voor de consul (het principe van extraterritorialiteit)
  4. Vrij handelsverkeer.
  5. Bepaling van toltarieven met wederzijdse instemming.

Na de Verenigde Staten sloten ook Nederland, Engeland, Frankrijk en Rusland gelijkaardige overeenkomsten met Japan. Het verdrag met Rusland regelde ook de grens op het eiland Sachalin. Samen worden deze in 1858 gesloten vijf verdragen 'de Verdragen van de Ansei-periode' genoemd. Elk van deze verdragen erkende het beginsel van de extraterritorialiteit (chigai hōken 地外法権) en ontzegde Japan het recht tot autonome tolheffingen (kanzei jishuken 関税自主権). Daarom staan ze als "Ongelijke of Onrechtvaardige Verdragen" geboekstaafd. Naderhand sloten nog andere westerse landen gelijkaardige verdragen. Uiteindelijk had Japan dergelijke verdragen met twaalf landen, en het zou tot het begin van de twintigste eeuw duren vooraleer ze ongedaan werden gemaakt. De term 'Ongelijk Verdrag' komt men doorgaans tegen in de context van de Chinese geschiedenis, maar het was dus geen fenomeen dat tot dat ene land beperkt bleef.

In 1860 reisde een Japanse delegatie onder leiding van Shinmi Masaoki 新見正興, commissaris voor Buitenlandse Zaken, naar de Verenigde Staten om er met president James Buchanan de officiële verdragsdocumenten uit te wisselen. Tussen 1858 en de val van het bakufu in 1867 sloot Japan met nog andere westerse landen gelijkaardige verdragen, zo onder meer met Belgie in 1866. Tijdens de Meiji-periode zullen veel van Japans diplomatieke en politieke acties gemotiveerd worden door de ambitie om gunstiger bepalingen te bedingen en uiteindelijk de Ongelijke Verdragen door Gelijke Verdragen te vervangen.

De Ansei-zuiveringen

Toen hij regent (tairō) werd, besloot Ii Naosuke om Tokugawa Yoshitomi voor te dragen tot opvolger van de shōgun. Hij werd de veertiende shōgun en kreeg de naam Iemochi 家茂(1846-1866). Samen met het feit dat de handelsverdragen werden afgesloten zonder keizerlijke toestemming leidde deze benoeming tot hevig verzet van de Hitotsubashi-ha. Ii trad evenwel zeer hardhandig en arbitrair op, onder andere door alle kopstukken van deze kliek onder huisarrest te plaatsen.

Keizer Kōmei 孝明(reg. 1846-66) van zijn kant was geschokt door de ongehoorzaamheid van het bakufu en hij maakte bekend dat hij zou aftreden. Hij verweet het bakufu overhaast te werk te gaan en stuurde een keizerlijke boodschap naar Mito, waarin hij Nariaki aanmoedigde om lijn te brengen in de tegenstand en de afwijkende opinies die tegen Ii indruisten. Deze actie zette de Hitotsubashi-ha en een groot aantal verstedelijkte rōnin 浪人 (meesterloze samurai) ertoe aan om het bakufu onder druk te zetten omdat ze het hof durfden te negeren. Uiteindelijk zag Ii zich gedwongen om in 1858 bijna een jaar lang een nooit eerder geziene politieke repressie te voeren in een poging het gezag van hetbakufu weer op te vijzelen. Deze repressie kreeg de naam Ansei no Taigoku 安政の大獄 ('de zuivering van de Ansei-periode'). Tijdens deze repressie kregen haast alle vooraanstaande aristocraten van het keizerlijke hof, alle vooraanstaande ambtenaren van de keizer en alle leiders van de Hitotsubashi-ha gedwongen pensionering of huisarrest. Personen van minder illustere afkomst, zoals Yoshida Shōin 吉田松陰(1830-1859) van Chōshū, stichter van de Shōka sonjuku 松下村塾, een privéschool voor intelligente jongelui, Hashimoto Sanai 橋本佐内(1834-1859), een samurai uit Echizen, de rōnin Rai Mikisaburō 頼三樹三郎 en Umeda Unpin 梅田雲浜, kregen daarentegen, naast vele anderen, de doodstraf of dwangarbeid.

De aanslag bij de Sakurada-mon

De repressie van Ii versterkte de anti-bakufu-stroming. Zij had als ongewild neveneffect dat lagere samurai, meesterloze samurai, grondbezitters en handelaars hun krachten bundelden over de grenzen van de han heen en zich in activistische groeperingen verenigden. Shishi 志士 is de naam die men deze door het hervormingsvuur gedreven idealisten geeft. De eerste spectaculaire actie van zulke groep was de aanslag die meesterloze samurai uit Mito en Satsuma op 24 maart 1860 op Ii Naosuke pleegden. Zij wisten hem naar de Sakurada-poort van het kasteel van Edo te lokken en hem daar te vermoorden. Dit incident staat bekend als Sakurada-mon-gai no hen 桜田門外の変.

De economische gevolgen van de ontsluiting van Japan

Chaos in economische kringen

Op basis van de handelsovereenkomsten kwam vanaf 1859 via de havens van Kanagawa, Nagasaki en Hakodate de handel met de buitenwereld op gang. Van jaar tot jaar nam deze toe, zodat de Japanse economie, die tot dan toe een vrij autarkische structuur had, meer en meer verweven raakte met de kapitalistische economie van de westerse wereld. Hierdoor onderging de Japanse economie enorme veranderingen. We vermelden slechts de belangrijkste: Prijsstijgingen. Als import had men vooral katoen en wol, als export was er onbewerkte zijde, thee, plantaardige olie, koper, zeeproducten, ... Doordat de exportproducten in grote hoeveelheden maar voor weinig geld door de buitenlanders werden opgekocht, ontstond er in Japan een groot tekort aan dagelijkse consumptiegoederen, wat al snel zorgde voor prijsstijgingen. Afvloeien van goud. In Europa en de Verenigde Staten stond de goud-zilverpariteit op 1:15, terwijl ze in Japan op 1:5 stond. Uiteraard gaven de buitenlandse handelaars er de voorkeur aan in zilver te betalen, of kochten ze met hun zilver goud op, zodat dit edel metaal in grote hoeveelheden naar het buitenland vloeide. Het bakufu probeerde de situatie recht te trekken door het goud te revalueren. Dit werkte slechts het stijgen van de prijzen in de hand, zonder dat de gouduitvoer daadwerkelijk werd afgeremd.

Verstoringen van de markt. De liberalisering van de handel bracht ook een zware slag toe aan het systeem van de door het bakufu bevoorrechte grote handelaars, met hun complexe handelsstructuren. Van nu af aan trokken exporteurs zelf rechtstreeks naar de productieplaatsen en naar de regio's om hun waren in te kopen. Dit bracht de traditionele gemonopoliseerde distributiekanalen in grote verwarring. De levering van grondstoffen aan de fabrieken werd erdoor bemoeilijkt, en de omzet van de groothandelaars nam sterk af. Kortom, er ontstond een economische crisis. Toch waren er ook positieve gevolgen merkbaar, in die zin dat lokale handelaars en ondernemers en kleine producenten zich nu konden losrukken van de geprivilegieerde handelaars in de stad en een zelfstandige carrière in de handel of de nijverheid konden uitbouwen.

Ontwikkeling van manufacturen. Door de toename van de export konden vele lokale nijverheden, zoals bijvoorbeeld de zijdeweverij, niet meer aan de vraag voldoen indien zij vasthielden aan de traditionele productiemethoden. De opening van de grenzen stimuleerde de evolutie van de door groothandelaarshuizen gecontroleerde lokale huisnijverheid, ontstaan halfweg de Edo-periode, naar volwaardige manufacturen. Dit was een soort huisnijverheid op hoger niveau, waarbij zowel kapitaal als grondstoffen nog door derden geleverd werden.

Armoede van het volk en de lagere samurai-klassen

De opening van de grenzen betekende niet dat Japan zomaar alle inspanningen opgaf om zich militair te versterken of politiek te verbeteren. Er kroop veel geld in het sturen van delegaties naar de Verenigde Staten en naar Europa en het bakufu zag geen reden om een einde te maken aan het beknibbelen op het inkomen van de samurai en het opleggen van zware lasten aan de landbouwers. Als gevolg daarvan ontstond er wrevel ten aanzien van het bakufu, dat wel de handel toestond en de buitenlanders met grote winsten aan de haal liet gaan. De prijsstijgingen goten nog olie op het vuur. De ontevredenheid gaf aanleiding tot het vormen van opstandige bewegingen en tot plunderingen her en der. Er braken ook meer dan eens relletjes uit tussen Japanners en buitenlanders. In januari 1861 werd de Nederlander Henry Heusken, de secretaris van Townsend Harris, in de straten van Edo vermoord en een jaar later werd de Britse ambassade in brand gestoken. Dit lokte represailles uit vanwege de buitenlanders.

Maatregelen van het bakufu

De chaos die het gevolg was van de liberalisering van de handel noopte het bakufu tot een repressief economisch beleid, zonder resultaten evenwel. Geconfronteerd met de economische chaos en de prijsstijgingen aanvaardde het een petitie van de groothandelaars in Edo om vanaf 1860 granen, lampolie, was, stoffen en zijdegaren uitsluitend via Edo te laten distribueren. Pas nadat de vraag van Edo zou vervuld zijn, mocht 80 procent van het resterende handelsvolume via Yokohama uitgevoerd worden. Het decreet dat deze eisen inwilligde, wordt het Gohin Edo mawashi rei 五品江戸迴令 genoemd. Op die manier slaagde men erin het exportvolume te doen afnemen, maar wegens de stijging van de productie waren de resultaten slechts van tijdelijke aard. Het bakufu verder nog frequent werd geconfronteerd met de gewelddaden van patriottische lieden die behoorden tot de factie die de keizer in eer wenste te herstellen en de buitenlanders te verdrijven, werd in 1861 besloten om een afgevaardigde, Takenouchi Yasunori 竹内保徳, naar Europa te sturen om de Europese machten ervan te overtuigen voorlopig genoegen te nemen met alleen maar een verlenging van de gunstvoorwaarden inzake het vrij gebruik van havens en steden. Het bakufu meende immers dat het niet volledig kon instaan voor de veiligheid van de buitenlanders in Edo, Osaka, Hyōgo en Niigata, en zond daarom delegaties naar Engeland, Frankrijk, Nederland en Rusland. Hadden de westerse mogendheden op dat ogenblik geen vertrouwen meer gehad in het gezag van het bakufu, dan zouden ze waarschijnlijk niet akkoord zijn gegaan met dit voorstel.