Okubo Toshimichi (大久保 利通)

Uit GeschiedenisJapan

Ōkubo Toshimichi was één van de belangrijkste grondleggers van de Meiji-restauratie. Samen met Saigō Takamori (西郷隆盛) en Kido Takayoshi (木戸孝允) is Ōkubo lid van de Ishin-no-Sanketsu 維新の三傑, de Drie Edelen van de Meiji-restauratie.

Inhoud

Leven

Ōkubo werd geboren op de 10de augustus 1830 als de oudste van vijf kinderen. Hij was afkomstig van Satsuma[1] (薩摩町) waar hij een schoolgenoot was van Saigō Takamori. Zijn familie was van lage rang (kosho-gumi) en had dus maar een laag stipendium. Ōkubo volgde het pad dat veel van zijn medegezellen ook volgden: samoerai ontwikkelden zich vaker tot bureaucraten dan tot militairen. Ōkubo vormde hierop geen uitzondering. Een zwakke gezondheid dwong hem om zich op jonge leeftijd op rustige, intellectuele diensten te concentreren.

Zo belandde hij in diverse diensten van de Han archieven en in 1858 werd hij door Shimazu Nariakira[2] (島津斉彬), de toenmalige Daimyō van Satsuma, naar het financiële departement overgeplaatst. Toen Nariakira stierf, nam Ōkubo diens standpunt over om het Tokugawa-regime eens en voor altijd te vernietigen. Maar in tegenstelling tot de meeste leiders van Satsuma verkoos Ōkubo een tussenweg: een soort van verzoening tussen de Shogun en het Keizerlijke Hof (Tobaku). Nadat hij in 1863 moest onderhandelen met de Britten over het Namamugi-Incident besefte Ōkubo dat de Tobaku geen kans op slagen had. In 1866 ging hij over tot de vorming van de Satcho-alliantie: een verbond tussen de 2 oudste vijanden van het Bakufu; Choshu en Satsuma. Samen met Saigō Takamori en Kido Takayoshi ging hij de strijd aan tegen het Bakufu. In 1871 tot 1873 verbleef hij in het buitenland met de Iwakura missie(岩倉使節団). Eenmaal teruggekomen gaf hij de aanzet tot vele hervormingen en bezat hij een grote macht en invloed. Op 14 mei 1878 werd hij vermoord op weg naar het kabinet.

Ōkubo’s karakteristieken als moderne leider

Een samurai-geest in een modern jasje

Ōkubo had een voldoende sterke en krachtige persoonlijkheid om de samurai/bureaucraten te leiden. Hij kon zeer vlug tot een besluit komen en keek zijn tegenstander altijd in de ogen terwijl hij zijn relaas deed. Medestanders omschreven hem als iemand die geen angst kende. Tot aan zijn dood is hij altijd even decisief, zelfs op het randje af meedogenloos gebleven. Bij het onderhandelen kon hij een zeer harde, aggressieve houding aannemen. Meermaals had hij zelfs bluffend gezegd dat geen van beide partijen levend de onderhandelingen zou verlaten als ze zich niet naar zijn beleid zouden schikken. Natuurlijk maakte dit altijd veel indruk, maar Ōkubo is nooit zover gegaan om uiteindelijk het zwaard op te nemen. Veel mensen waren waakzaam om zijn pad niet te veel te kruisen, en zelfs Itō Hirobumi heeft later toegegeven dat hij toch een beetje schrik had van zijn tegenstander. Ōkubo had naast zijn karakter ook een opmerkelijk intimiderende houding: zijn sigaar, grote baard, en mannelijk gezicht dwongen het nodige ontzag af. Tijdens politieke vergaderingen hanteerde hij liever stilte dan grote woorden. Wanneer hij dan toch sprak was dit altijd weloverwogen. Ōkubo volgde de leer van Wang Yang Ming[3] die schreef dat kennis niet echt van waarde is als men er niet naar handelt. Hij vervulde zijn rol als Minister van Binnenlandse zaken dan ook volgens deze wijsheid. Omdat hij vaak beslissingen nam zonder echt in te zitten met sociale onrust of moeilijkheden voor bepaalde groepen vergemakkelijkte dit zijn werk, maar daar moest zijn populariteit dan weer onder lijden. Ōkubo was een activist, een beslisser en een vastberaden persoon: hij bezat de beste kwaliteiten van een samoerai in een tijd dat ze niet langer mochten bestaan.

Satsuma

Een tweede voordeel van Ōkubo was zijn Satsuma-achtergrond. In 1870 ontstond er een economische crisis in Japan. Toch kon Ōkubo met een zeker gemoed deze crisis aanpakken omdat zijn Han[4] in de jaren 1830-1848 met soortgelijke problemen had moeten kampen. Die ervaring bracht natuurlijk geen exacte oplossingen voort maar kon toch als voorbeeld gebruikt worden. Het had Ōkubo geleerd dat politieke controle op investeringen kon leiden tot economische groei. En economische groei leidde automatisch naar militaire macht. De vooruitziendheid die Nariakira had gehad tijdens de economische crisis in Satsuma was een goed voorbeeld geweest, één waarvan Ōkubo leerde dat voorzienigheid de basis was tot economische onafhankelijkheid.

Los van de feodaliteit

Ōkubo was iemand die zich volledig had losgemaakt van vroegere traditionele verhoudingen en instellingen. Feodaliteit en traditie hadden geen enkele invloed op hem. Daardoor was hij zeer geschikt om Japan nieuwe, modernere wegen te laten bewandelen. Vele samoerai van lage rang kregen in de Edo-periode zeer lage stipendia en te weinig kans om hun ambitieuze dromen waar te maken. Ook voor Ōkubo en zijn familie gold dit. Vooral de balling van zijn vader versnelde Ōkubo’s afkeer van het statische sociale systeem. Hun inkomen werd voor een tijdje stopgezet en Ōkubo moest grote leningen afsluiten om zijn familie te onderhouden. Deze periode was voor hem zeer zwaar en bewees dat één politieke misstap de familie in de armoede kon storten. Niet alleen het financiële aspect maar ook het feit dat lage samoerai hun ambities en talenten niet ten volste konden ontplooien stoorde hem mateloos. Kennelijk niet alleen bij Ōkubo Toshimichi, want vele van zijn familieleden kunnen in contact worden gebracht met protestgroepen. Ōkubo maakte ook een vlugge en rare overstap van de relatief statisch en onbelangrijke maatschappij naar de hoogste kringen van de Satsuma-regering. Hij werkte als schakel tussen de lage samoerai, de radicalen en de regering. Maar ondanks zijn grote inzet kreeg hij geen hogere stipendium, noch steeg hij in rang. Als dit wel was gebeurd zou hij misschien een grotere neiging naar het oude regime gehad hebben. Ōkubo bezat een effectieve grote politieke macht, maar niet de gepaste samoerairang of uitkering. De macht die hij wel bezat gebruikte hij om lage samoerai zoals zichzelf in rang te laten stijgen. Toen hij deel uitmaakte van de regering bekritiseerde hij ook de erfelijkheid van ambten en vond dat lagere, meer bekwame personen de ambten zouden moeten vervullen.

Buitenlandse reizen.

Ōkubo’s visie op de toekomst van Japan werd sterk beïnvloed door zijn buitenlandse reizen en vooral door de deelname aan de Iwakura missie (1871-1873). Tussen 1873 en 1878 reisde en studeerde hij lange perioden in Europa en Amerika. Zijn ervaring in Engeland en Duitsland, die hij tijdens de Iwakura missie bezocht had, bezorgde hem een ietwat geïdealiseerd beeld van deze twee landen. Een stabiele regering, een aaneenschakeling van vlotdraaiende industrie en spoorlijnen maakten een grote indruk. Hij keerde dan ook terug naar Japan met een ongelofelijk enthousiasme om hervormingen door te voeren. Vooral Engeland bleek een grote bron van inspiratie. Hij schreef Saigō Takamori over de uitstekende transportinfrastructuur en over de indrukwekkende zwarte rook van fabrieken die wel in elke stad terug te vinden waren. Aanvankelijk dacht Ōkubo dat na de centralisatie van de macht zijn werk voltooid was; deze ervaring maakte hem duidelijk dat er in Japan nog veel werk aan de winkel was. Engeland diende als een goed voorbeeld aangezien het ook een eilandnatie was, relatief klein met goede havens en een niet overdreven aantal natuurlijke grondstoffen. De Engelse manier van handeldrijven en hun wetten i.v.m. scheepvaart waren volgens Ōkubo de sleutels van hun machtspositie in de wereld. Duitsland was nog zo’n lichtend voorbeeld voor Ōkubo. Hij voelde zich alleszins meer thuis in Berlijn dan in Londen en vond dat de Duitsers qua volk meer aansloten bij de Japanners. Hij voelde een zekere verbondenheid. De Duitsers zaten op dat moment (Lente 1873) in hetzelfde schuitje als de Japanners: ze moesten als nieuwe natie opboksen tegen de reeds gevestigde wereldmachten. Ōkubo zag de het Duitse volk als een volk van hardwerkende, ijverige mensen en voelde al vlug een zekere empathie voor dit volk. Ook had hij een groot respect voor Bismarck[5] en diens visies. Eenmaal terug thuis trachtte hij de nieuwe Japanse bureaucratie op een Duitse leest te schoeien.

Complexen tegenover het Westen

Ōkubo had het immer bekende en vaak voorkomend Inferioriteitscomplex tegenover het Westen. Dit nam nieuwe proporties aan toen de relaties tussen het Westen en Japan op volle toeren begonnen te draaien: het overnemen van Westerse diplomatische regels en conventies, de eigen gewoontes die nogal bizar leken voor de Westerlingen laten vallen of negeren en natuurlijk ook het overnemen van Westerse kledij, hebbedingetjes en modeverschijnselen. Ōkubo leefde als een Europeaan in Tokyo, hij was een van de eersten om aan het hof te verschijnen met een Westers kapsel, zijn grote baard was ook een uitzondering in die tijd. Hij droeg Westerse kledij met een uitgesproken aandacht voor orde en netheid. Zijn huis was een indrukwekkend voorbeeld van Europese stijl, de verwarming gebeurde met Europese kachels, er waren geen tatami[6] of futons[7] maar stoelen en hoge tafels. Hij had nog één japanse kamer maar die betrad hij zelden. Zijn geliefkoosd transportmiddel was een Engelse koets, voortgetrokken door twee paarden. Al deze aanpassingen waren een duidelijk voorbeeld van hoe ver de bewondering voor het Westen ging bij Ōkubo.

Studenten dragen Ōkubo

Een laatste onderdeel van Okubo's kracht was de relatief grote hoeveelheid studenten in Tokyo die buitenlandse materie bestudeerd hadden. Ōkubo zelf bezat niet echt een specificieke specialisatie. Dus toen hij nog minister van Financiën was, klaagde Shibusawa Eiichi[8] (渋沢 栄一), dat Ōkubo geen theoretische basis van financieel beheer bezat en hoogst ongeschikt leek om het ministerie te leiden. Dit is waarschijnlijk wel overdreven, maar hij was zeker geen specialist ter zaken. Ōkubo moest wel in grote maten vertrouwen op de in het buitenland getrainde nieuwe Meiji Bureacratie. Deze jonge mensen waren de drijvende kracht achter de vernieuwingen. Sommigen hadden een beurs gekregen van de regering en stroomden terug naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat in 1874 vorm kreeg. Vele studenten hadden op voorhand al de specifieke opdracht gekregen van Ōkubo om een bepaalde materie te bestuderen: hij deed toen eigenlijk niets anders dan zijn kabinet al samenstellen. Dankzij zijn inzicht in de toekomst begon het kabinet vol te stromen met specialisten allerhande. De laatste ondersteunende pilaar van Ōkubo was Godai Tomoatsu[9] (五代友厚), een succesvolle zakenman en een ex-Satsuma ambtenaar. Godai kreeg algauw de bijnaam ‘Ōkubo’s waarzegger’ vanwege zijn nauwe relaties met Ōkubo. Deze samoerai-ondernemer was een vitale schakel tussen de regering en de ontwikkelende wereld van handel en industrie.

Ōkubo’s beleid in de vroege Meiji-Restauratie

Ōkubo Toshimichi drukte als toonaangevende kracht van de nieuwe Meiji-regering zijn stempel op enkele belangrijke hervormingen en politieke gebeurtenissen Toch was hij een allesbehalve populair iemand. Dit valt af te leiden uit zijn assassinatie en de zwakke publieke reactie op zijn dood. Tijdens de jaren van zijn beleid slaagde hij er wonderwel in om Japan politiek gezien meer te centraliseren en om de economie op een hoger peil te brengen. De meningen over Ōkubo waren vroeger, en ook nu nog, sterk verdeeld. Sommigen demoniseren hem, verwijten hem absolutistisch en machtsgeil gedrag. Het is inderdaad waar dat Ōkubo op een bepaald moment alle touwtjes in handen had, maar de vraag blijft of hij dit voor zichzelf deed of voor de staat. Anderen beschouwen Ōkubo als een politicus van de zuiverste soort, die zijn doel voor ogen hield en zich niet liet beïnvloeden door emotionele en traditionele visies.

Afschaffing van de Han (hanseki hōkan 版籍奉還)

1871 betekende het einde van het Han-systeem en het begin van de opdeling van Japan in prefecturen (haihan-chiken 廃藩置県). Afschaffing van de Han kan in feite gelijkgesteld worden aan de afschaffing van het oude feodale systeem van grondverdeling. De regering besloot dat aangezien de keizer de macht had in Japan, ook alle gronden aan hem toebehoorden. Het gevolg was dat honderden Han afgenomen werden en in het beheer van de keizer geplaatst werden. Deze mocht de gronden naar believen herdistribueren. Natuurlijk betekende dit dat de regering telkens gepaste doeleinden mocht kiezen voor de in beslag genomen gronden. De gevolgen van deze verandering kunnen werkelijk niet onderschat worden. De voormalige Daimyo, nu Han-gouverneurs, verloren hun vroegere inkomen, dat gereduceerd werd tot een tiende van hun verdiensten tijdens het Tokugawa-bestuur. Daardoor werd het inkomen van de samoerai ook sterk gereduceerd. Rangen werden bijna volledig afgeschaft, lagere samoerai konden bijgevolg ook hun ambities waar maken. De centrale regering had nog strakker de touwtjes in handen dan voorheen. Heel deze evolutie was door een drukkingsgroep in gang gestoken: Kido Takayoshi, Itagaki Taisuke en Ōkubo Toshimichi. Ōkubo speelde een zeer belangrijke rol en alleen Kido kon nog meer gewicht in de schaal leggen.

De afwending van oorlog met Korea in 1873

De nieuwe Meiji-regering stond sterk in haar schoenen maar vertoonde toch barsten. In 1873, wanneer Ōkubo terugkomt van zijn studiereizen doorheen Europa en Amerika, is er een crisis binnen het kabinet. Aan de ene kant staan Saigo Takamori, Soejima Taneomi[10] (副島 種臣), Gotō Shōjirō[11] (後藤 象二郎), Itagaki Taisuke, die kost wat kost een oorlog wilden beginnen tegen Korea omdat het land geen diplomatieke relaties wenste met Japan. Ōkubo en zijn medestanders verwierpen dit idee en redeneerden dat Japan intern al voor voldoende uitdagingen stond. Ōkubo's partij van de vrede kon deze invasie gelukkig afwenden. Hij gebruikte vooral economische argumenten om zijn tegenstanders te overtuigen. Uitgaven voor militaire doeleinden zouden alleen maar voor problemen zorgen; Japan had een impuls van economische kracht nodig om de leningen terug te betalen en een positief handelscijfer te bekomen. Deze overwinning voor Ōkubo betekende ook de vlotte aanvaarding en instelling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in 1874. Voor Saigō en zijn medestanders echter, was dit de druppel die de emmer deed overlopen en dit mondde uit in de Seinan-rebellie van 1877.

Ministerie van Binnenlandse Zaken (Naimushō 内務省)

In januari 1874 werd Ōkubo het eerste hoofd van Binnenlandse Zaken. Dit ministerie had de taak de interne werking van de natie te verzorgen en te beschermen. Het ministerie moest dus ook onaangename daden stellen zoals revoltes en rellen onderdrukken. Om dit te doen had Ōkubo een doeltreffend machtsinstrument: de politiemacht. De taak van het ministerie bestond er zelfs in deze politiemacht tot een effectief nationaal machtsmiddel om te vormen. Een tweede belangrijke taak was het organiseren van een uniform systeem om de lokale gemeenschappen te controleren vanuit Tokyo. De centrale regering stelde prefectuur-gouverneurs aan die onder de jurisdictie vielen van het Ministerie van Binnenlandse zaken. De economische ontwikkeling was de de derde en meest geliefde taak van Ōkubo: hij moest ervoor zorgen dat de Japanse economie een boost kreeg. Dit betekende vooral de ontwikkeling van kleinschalige privé-bedrijven. Het bureau dat instond voor de ontwikkeling van de industrie omvatte een Bureau van landbouw, industrie, handel en editorialen (deze laatste beticht men er van de dooddoener van de vrije meningsuiting te zijn). Als minister van Binnenlandse zaken regeerde Ōkubo met ijzeren hand. Omdat zoveel aspecten van de regering in zijn ministerie ingebed waren had hij de uiteindelijke leiding over een brede waaier van regeringsactiviteiten. Problemen met de landbouw, interne en externe handel, lichte industrie, de post, de politie; al deze dingen vielen onder zijn bevoegdheid. Hij behandelde kwesties die in de latere Japanse regeringen veel meer politici nodig zouden hebben. Als men daarbij zijn positie als raadslid bekijkt had hij over de hele regering wel iets te zeggen. Dit werd hem echter niet in dank afgenomen. Hij domineerde de Japanse regering zo sterk in de jaren 1874-1878 dat deze periode 'de periode van Ōkubo's absolutisme' werd genoemd. Anti-regeringsgroeperingen counterde hij keihard. Hij wordt meer herinnerd voor die repressie dan voor zijn economisch beleid.

De moord op Ōkubo.

Het graf van Ōkubo Toshimichi

Deze beschrijving vond ik terug in ‘The Satsuma Rebellion’ van August H Mounsey. Ik hecht veel belang aan de beschrijving omdat het boek in 1879 geschreven werd en de moord op Ōkubo nog geen jaar ervoor was gebeurd.

Op 14 mei 1878 vertrok Ōkubo zoals gewoonlijk van zijn huis in de richting van het paleis. Het paleis was immers de plaats waar het kabinet het meest vergaderde. Toen zijn koets het pad kruiste met twee in boerenkledij verklede mannen betekende dit het einde van Ōkubo’s leven. De 2 boeren, in typische klederdracht, met ruikers bloemen in de hand, trokken hun zwaarden vanonder hun kledij op het moment dat de koets dicht genoeg genaderd was. De mannen vermoordden de koetsier en sneden de kniepezen van de paarden door. Op hetzelfde moment sprongen 4 mannen uit een nabij gelegen bamboebosje en die de twee mannen te hulp kwamen. Ōkubo opende zijn koetsdeur en besefte dat zijn einde aangebroken was. Hij werd neergesabeld en ettelijke keren gestoken toen hij op de grond lag. Zijn lichaam werd gevonden door generaal Saigō (De broer van de overleden Satsuma-leider) die toevallig ook via dezelfde route reed. De 6 moordenaars van Ōkubo hadden zich ondertussen al aangegeven. Ook hadden ze een document ingediend met daarin de beschrijving van hun motieven.

Het belangrijkste motief was wraak wegens de dood van Saigo tijdens de Satsuma-Rebellie van 1877. Ōkubo en de andere ministers waren schuldig aan de moord op Saigo, Kirino, en Shinowara. Ze hadden de ware intenties van de Satsuma-rebellen verkeerd doorgegeven aan de keizer en ze zo prompt als verraders bestempeld.

Voetnoten

  1. Domein uit de feodale periode in Japan, het huidige Kagoshima, Zuid-West Kyuushuu
  2. http://en.wikipedia.org/wiki/Shimazu_Nariakira
  3. Wang Yang Ming (1472-1529) was een Chinese Ming Neo-confuciaanse filosoof, ambtenaar, opvoeder, calligraaf en generaal.
  4. De Han ( 藩 ) waren de leengronden van de feodale heren in Japan. Ze werden gecreëerd door Toyotomi Hideyoshi en bestonden tot hun afschaffing in 1871.
  5. Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen was een Duits 19e eeuwse staatsman en een dominante figuur in de wereldgeschiedenis. Als Ministerpräsident, of minister-president, van Pruisen van 1862 tot 1890, hield hij toezicht op de Duitse eenwording.
  6. Tatami zijn de traditionele Japanse matten die ze gebruiken als vloer. Oppervlaktes kunnen ook uitgedrukt worden in tatami.
  7. Traditionele Japanse matras.
  8. Industrieel en toenmalig lid van het Ministerie van Financiën. http://en.wikipedia.org/wiki/Shibusawa_Eiichi
  9. http://en.wikipedia.org/wiki/Godai_Tomoatsu
  10. http://en.wikipedia.org/wiki/Soejima_Taneomi
  11. http://en.wikipedia.org/wiki/Got%C5%8D_Sh%C5%8Djir%C5%8D

Bronnen

  • Devere Brown, Sidney. “Okubo Toshimichi: His Political and Economic Policies in Early Meiji Japan” The Journal of Asian Studies, Vol. 21, No. 2. (Feb., 1962), pp. 183-197.
  • Fraser, Andrew. “The Osaka Conference of 1875” The Journal of Asian Studies, Vol. 26, No. 4. (Aug., 1967), pp. 589-610.
  • Devere Brown, Sidney. “Kido Takayoshi (1833-1877): Meiji Japan's Cautious Revolutionary” The Pacific Historical Review, Vol. 25, No. 2. (May, 1956), pp. 151-162.
  • Vande Walle, Willy. "Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power". Acco Leuven, 2007
  • Mounsey, H, Augustus. "The Satsuma Rebellion". London: John Murray, Albemarle street 1879. Reprint edition published in 1979 by UNIVERSITY PUBLICATIONS OF AMERIKA, INC. Washington D.C.

Aan te raden literatuur

  • Iwata, Masukazu. "Okubo Toshimichi: The Bismarck of Japan". University of California Press (1964).
  • Nobuhiro Watsuki . Rurouni Kenshin volume 7: Un jour de mai. Editions Glénat 1999.