Okakura Tenshin (岡倉覚三) 1862-1913
Uit GeschiedenisJapan
Okakura Tenshin (岡倉天心), geboren in Yokohama op 26 December 1862, staat in de wereld vooral bekend om zijn grootste werk, “The Book of Tea”. In Japan staat Okakura, samen met zijn vriend en leermeester Ernest Francisco Fenollosa, bekend om het redden van Nihonga (日本画)[1]. Hij was ook de stichter van de Nihon Bijutsuin (日本美術院).
Inhoud |
Leven
Okakura Tenshin werd op 26 December 1862[2] geboren, in een klein warenhuis op de hoek van een drukke straat in Yokohama. Bij zijn geboorte kreeg hij de naam Kakuzō (角蔵), dat letterlijk “warenhuis op de hoek” betekende, naar de plaats waar hij geboren werd. Omdat hij niet zo tevreden was met de betekenis van zijn naam veranderde hij de kanji naar “覚三”. Zo bleef de uitspraak van zijn naam bleef dezelfde, maar de betekenis ervan veranderde naar “verlichte jongen”. Meestal gebruikte hij zijn artiestennaam ‘Tenshin’. Okakura had een oudere gehandicapte broer, een jongere broer, Yoshisaburō (由三郎), die afstudeerde als graduaat Engels, en een jongere zus, Chō, na wiens geboorte zijn moeder ziek werd en stierf.
Studies
Okakura’s vader was een tot koopman gedegradeerde samurai, die het door de vele handelstransacties met buitenlandse kooplui nodig vond om tot op zekere hoogte het Engels te beheersen. Hij vond het dus ook belangrijk dat zijn zoons Engels spraken. Hij stuurde Okakura naar een door christelijke missionarissen opgerichte school om daar Engels te leren. Okakura was toen nog maar 9 Jaar. Tegelijkertijd bestudeerde Okakura ook de Chinese klassieken onder leiding van de priester in de tempel waar hij voor verblijf naar toe gezonden werd door zijn vader.
In 1837 sloot de winkel van de Okakura familie en opende zijn vader een herberg in Tokio. Okakura moest met de familie mee om in Tokio zijn studies verder te zetten. Daar studeerde hij aan de “Tokyo Institute of Foreign Languages”, die later zou omgedoopt worden tot de Universiteit van Tokio[3] (Tōdai 東大). Het was daar dat hij voor het eerst Ernest Francisco Fenollosa[4] ontmoette. Fenollosa sprak geen Japans en dat vond Okakura dus erg handig om zijn kennis van het Engels uit te breiden. Okakura hielp Fenollosa bij het lesgeven door zijn lessen rechtstreeks te vertalen. Okakura gidste hem ook door de stad en vertaalde diverse werken voor hem naar het Engels. In 1880 studeerde Okakura af aan de Universiteit van Tōkiō als 2e laatste[5].
"Fine Arts"
Een jaar voor hij afstudeerde aan de Tōdai, trouwde hij met Motoko. Ze kregen samen een zoon en een dochter. In het zelfde jaar waarin hij afstudeerde werd hij benoemd tot secretaris van de afdeling “muziek” binnen het Ministerie van Onderwijs. Maar door onenigheid met het hoofd van de afdeling werd hij overgeplaatst naar de afdeling van kunstadministratie. Door hard werk en het streven voor de bescherming van Japanse kunst, heeft hij samen met Fenollosa en Ryūichi Kuki uiteindelijk de “Imperial Commission of Fine Arts” binnen het Ministerie van Onderwijs kunnen oprichten. Hun doel was om alle Japanse kunst te bestuderen en te catalogiseren.
In 1888 werd de Tōkiō kunstschool (東京美術学校) opgericht. Okakura, met de hulp van oa. Fenollosa en Hōgai[6] (芳崖), een vooraanstaande schilder van de Kanō school[7], kreeg de organisatie van de school voor zijn rekening. De school opende in 1889, maar Hōgai stierf net voor deze datum en kon de opening niet meemaken. Zijn plaats werd ingevuld door een andere befaamde Kanō schilder en vriend van Hōgai, Hashimoto Gahō (橋本雅邦)[8]. In 1890 werd Okakura gepromoveerd tot directeur van de school en doceerde hij de geschiedenis van de kunst. Hij herzag zijn cursus terwijl hij er les uit gaf. Tezamen met het directeurschap van de Tokio kunstschool oefende hij ook de positie van voogd over het Nationale museum in Tōkiō (東京国立博物館) uit, gaf hij les in verschillende scholen en was hij actief in verschillende comités met betrekking tot kunst.
Van September 1886 tot Oktober 1887 reisde Okakura samen met Fenollosa naar Amerika en Europa om onderzoek te doen naar westerse kunst. Ze bezochten westerse musea zoals oa. het Louvre, maar zelfs grote westerse kunstwerken konden hem niet bekoren. Hij keerde terug naar Japan met een nog sterkere overtuiging in de superioriteit van de Japanse Kunst. In 1893 reisde hij samen met Tenshin Hayazaki door China.
Naar aanleiding van een onenigheid tussen Gahō en Mataichi Fukuchi[9], een lesgever in design aan de Tōkiō kunstschool en door een affaire tussen Okakura en de ex-vrouw van zijn overste op het Ministerie van Onderwijs, ontstond er een anti-Okakura beweging. De affaire tussen Hatsuko en Okakura versnelde de gebeurtenissen enkel maar. Het kwam uiteindelijk zo ver dat Okakura in Maart 1898 gedwongen werd om afstand te doen van zijn voogdij over het Nationale museum en niet veel later ook ontslagen werd uit zijn post als directeur van de Tokio kunstschool. Samen met zijn ontslag, stapten 17 andere professoren uit sympathie mee op.
Nihon Bijutsuin
Omdat hijzelf nu zonder werk zat en bijna platzak was, en omdat hij 17 vrienden had die in hetzelfde schuitje zaten, voelde hij dat hij toch iets moest doen. Samen planden ze om een “Fine arts academy” te bouwen, de Nihon Bijutsuin, waar ze verder konden werken. De belangrijkste medeoprichters waren Hashimoto Gahō en Yokoyama Taikan[10] (横山大観), een graduaat aan de Tōkiō kunstschool. Hun grootste probleem bestond uit het bijeenkrijgen van fondsen voor de bouw ervan. Samen maakten ze kunstwerken die ze konden verkopen, maar de opbrengst hiervan was lang niet genoeg om de volledige bouw te financiëren. Okakura besloot toen naar zijn rijke vriend William Sturgis Bigelow[11] in Boston te schrijven, die hem onmiddellijk een redelijk bedrag toestuurde. Hiermee konden ze uiteindelijk de bouw van de school financiëren. In Oktober, nog geen zes maanden later van hetzelfde jaar waarin hij ontslagen werd uit de Tokio kunstschool, vond de opening van de Nihon Bijutsuin plaats. De Nihon Bijutsuin was een vernieuwende instelling. Leden als Yokoyama Taikan en Hishida Shunsō[12] (菱田春草) experimenteerden bijvoorbeeld met de schilderkunst en ontwikkelden zo een nieuwe stijl waarbij ze zich concentreerden op het schilderen met olieverf. Zo deden ze afstand van de traditionele Japanse schilderkunst waarbij de nadruk lag op de contouren. Deze nieuwe stijl werd ook wel het Japanse “obscurisme” genoemd. De kunstenaars reisden ook rond om exhibities te houden doorheen het hele land, wat prettig was voor de mensen van het platteland omdat ze anders nooit in contact kwamen met zulke kunstwerken. Ongeveer 3 jaar later, in November 1901, besloot Okakura om een reis te maken naar India om daar de traditionele kunsten van dat land te bestuderen. Tijdens zijn verblijf in India compileerde hij zijn eerste boek getiteld “The Ideals of the East” en het werd gepubliceerd in Juli 1903.
Amerika
Op 10 Februari 1904 vertrok Okakura naar Amerika om er te werken als expert in schilderkunst en beeldhouwkunst aan de Chinees-Japanse afdeling van het Museum van Schone Kunsten in Boston. Hij gaf daar verscheidene lezingen over kunst. Omdat de Nihon Bijutsuin op dat ogenblik nog steeds in financiële moeilijkheden verkeerde nam hij de 2 “obscuristen”, Taikan en Shunsō, en een lakwerk artiest Shisui mee om exhibities te houden in Amerika. Rond deze periode publiceerde hij tevens zijn 2e boek getiteld “The Awakening of Japan” in New York, dat hij had geschreven in Japan voor hij naar Amerika ging. Op 2 November 1905 werd Okakura Adviseur aan de Chinees-Japanse afdeling van het Museum van Schone Kunsten in Boston.
Na een tijd in Amerika begon hij zich de vraag te stellen, “wanneer zal het Westen, het Oosten begrijpen of proberen te begrijpen?”. Hierdoor begon hij aan zijn grootste werk, “The Book of Tea”, waarmee hij als doel had om de westerling een juist beeld van de Japanse cultuur te geven. In December van hetzelfde jaar verplaatste tevens de locatie van de Nihon Bijutsuin naar de kust van Izura, waar Okakura reeds sinds een aantal jaren zijn nieuwe woonst had. In tussentijd ondernam Okakura nog een grootse reis naar Europa en China. En toen hij in Oktober 1910 weer in Boston arriveerde kreeg hij de post van voogd over de Chinees-Japanse afdeling toegewezen. In Japan zag hij voor hem niet veel werk meer, terwijl hij in Boston nog genoeg werk had om de Chinees-Japanse afdeling de beste en uniekste te maken over de hele wereld. Tijdens zijn werk als voogd, reisde hij nog regelmatig over en weer tussen Amerika, Japan en Europa, vooral om onderzoek te doen en vrienden te bezoeken. In maart van het jaar 1913 besloot hij om Boston te verlaten en terug te keren naar Japan. Op 25 Augustus van hetzelfde jaar kreeg hij een hartaanval en op 2 September 1914 overleed hij in zijn villa in Akakura.
Het behoud van Nihonga van buitenaf
De aankomst van Commodore Perry in Japan in 1853 zorgde voor een golf van gebeurtenissen. Zo stelde Japan in 1854 zijn grenzen open voor buitenlandse schepen, wat uiteraard leed tot handel. Op deze wijze vonden verscheidene westerse invloeden als kunst, kledij, leefwijze etc. hun ingang in Japan en de Japanners waren maar al te gretig om deze met open armen te ontvangen. De Meiji periode zou eigenlijk gezien kunnen worden als een periode van sterke verwestering. Het bleef echter niet enkel bij het ontvangen van de westerse leefwijzen, maar men ging deze leefwijze zelfs zo verheerlijken dat men de autochtone als achterlijk ging beschouwen. Japanse kunstwerken, gebouwen, etc. werden verkocht voor een prikje. De Japanse zwaarden bijvoorbeeld, die tot voor kort nog als de ziel van de samurai beschouwd werden, werden nu bijna gratis weggegeven.
Opmerkelijk is dat voornamelijk buitenlanders de Japanners deden inzien dat de autochtone kunststromingen lang niet zo waardeloos waren als ze zelf beweerden. Amerikaanse kunstwetenschappers als Edward Sylvester Morse, Ernest Francisco Fenollosa, Chales Goddard Weld, Denman Waldo Ross en William Sturgis Bigelow zetten zich hiervoor extra in. Deze mannen werkten samen met Okakura Tenshin aan het behoud van Nihonga. Aangezien Japanse kunstwerken ed. in grote getale tegen spotprijzen verkocht werden zagen de mannen er een goed oog in om zoveel mogelijk grootse kunstwerken op te kopen. Vooral William Sturgis Bigelow spendeerde hier een fortuin aan. De grootste kunstwerken werden ontdekt door Okakura Tenshin en Ernest Fenollosa en opgekocht door Bigelow. Al deze kunstwerken werden verzameld in de Aziatische afdeling van het Museum van Schone Kunsten in Boston. Naast de grote ijver voor het behoud van de autochtone Japanse kunst speelt er bij deze mannen ook een klein tikkeltje eigenbelang. Ze wilden namelijk van de Aziatische afdeling van het Boston museum de grootste en beste afdeling in de wereld maken.
Werken
“The Ideals of the East, with special reference to the art of Japan”
Dit boek schreef hij tijdens zijn verblijf in India in 1901 en liet het in 1903 in Londen publiceren. Hij schreef dit boek in het Engels en het werd pas later vertaald naar het Japans. Zijn oorspronkelijke doelpubliek was dan ook niet meteen de Japanse bevolking. De hoofdbrok van het boek bestaat uit een compilatie van de Japanse kunstgeschiedenis van de Asuka periode (550 – 700) tot en met de vroege Meiji periode (1850 - …). Hij beschrijft in dit boek ook de eerste kenmerken van een visie die het “pan-asianisme” genoemd word. Het beste voorbeeld hiervan is de openingsregel van het boek, “Asia is one”.
“The Awakening of Japan”
“The Awakening of Japan” is in 1904 in New York uitgegeven. Okakura schreef dit werk in Japan voor hij naar Amerika vertrok en ook dit boek richtte hij aan een Amerikaans lezerspubliek door het in het Engels te schrijven. In tegenstelling tot zijn vorige boek waarin hij meer beschrijvend te werk ging, zet hij hierin meer zijn eigen ideeën uiteen.
“The Book of Tea”
“The Book of Tea” is het bekendste werk van Okakura Tenshin dat in omloop is. Nog steeds wordt dit boek gezien als dé bron voor informatie over het Japanse esthetisme. Dit boek is ook in het Engels geschreven voor een Amerikaans lezerspubliek. Okakura wou met dit boek de lezer bekendmaken met het autochtone Japanse esthetisme. Omdat volgens hem de Japanse theeceremonie (sadō 茶道) dé belichaming van het autochtone esthetisme was, besloot hij, om door deze te beschrijven, een beeld te scheppen van het Japanse esthetisme.
Hij schreef het boek tijdens een van zijn verblijven in Amerika en publiceerde het in 1906 in New York.
Voetnoten
- ↑ Nihonga is de term die gebruikt wordt om schilderijen, die naar traditionele Japanse conventies gemaakt zijn, mee aan te duiden. De term werd in de Meiji periode in gebruik genomen om de Japanse werken te onderscheiden van Yōga (洋画) of werken in westerse stijl.
- ↑ Sommige bronnen vermelden als geboortejaar 1863, maar in “The life of Kakuzō” wordt 1862 als standaard gebruikt, en hierop heb ik me gebaseerd.
- ↑ De Universiteit van Tokio (東京大学, Tōkyō daigaku) is een grote universiteit in Tokio (Japan). De universiteit heeft tien faculteiten met ongeveer 30.000 studenten, waarvan 2.100 van buitenlandse afkomst. De universiteit staat bekend als de meest vooraanstaande universiteit van Japan, en een van de topuniversiteiten in Azië.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Ernest_Fenollosa
- ↑ Tijdens een ruzie tussen Okakura en zijn vrouw Motoko, heeft zij zijn thesis verbrand. Dit gebeurde net twee weken voor de deadline en Okakura heeft snel een nieuwe moeten schrijven, waardoor hij slechts als 2e laatste afstudeerde.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Kan%C5%8D_H%C5%8Dgai
- ↑ De Kanō school is een van de meest bekende scholen binnen de Japanse schilderkunst. De stijl van de Kanō school was de dominante schilderstijl tot aan de Meiji-periode.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Hashimoto_Gah%C5%8D
- ↑ Er word verteld dat Fukuchi zich tijdens de afwezigheid van Kakuzo gedroeg alsof hij de directeur van de school was. Gahō kon hier niet goed mee om en wilde niet meer met Fukuchi samenwerken. Daarom probeerde Okakura Fukichi over te plaatsen naar Kyoto, wat hun vriendschap niet ten goede kwam.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Yokoyama_Taikan
- ↑ William Sturgis Bigelow (1850–1926) was een Amerikaanse arts en verzamelaar van Japanse kunst. Hij was een van de eerste Amerikanen die in Japan leefde, en de Japanse kunst en cultuur aan het Amerikaanse volk voorstelde.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Hishida_Shuns%C5%8D
Literatuurlijst
- Vande Walle, W. (2007) Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Leuven: Acco.
- Horioka, Yasuko. The life of Kakuzō, author of The book of tea. Tokyo: Hokuseido (1963).
- Reinhold, Christiana. Okakura Kakuzo and the Production of the Japan Discourse in the Early Twentieth-Century United States. – Essays in History, Vol. 39 (1997). <http://etext.virginia.edu/journals/EH/EH39/reinho39.html>
- Tomita, Kojiro. The Nippon Bijutsuin. – The Metropolitan Museum of Art Bulletin, Vol. 16, No. 11, part 1. (Nov., 1921), pp. 222 – 224.
- K. Piovesana, Gino. The Life of Kakuzo, Author of the Book of Tea. – Monumenta Nipponica, Vol. 19, No. 1/2 (1964), pp 221 – 222.
- F.G. Notehelfer. On Idealism and Realism in the Thought of Okakura Tenshin. – Journal of Japanese Studies, Vol. 16, No. 2. (Summer, 1990), pp. 309 – 355.

