Nichiren

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken
Houten beeld van Nichiren

Kindertijd

Geboren op 16 februari 1222, in het vissersdorpje Kominato in de Awa provincie, was Nichiren één van de belangrijkste grondleggers van het Boeddhisme in de Kamakura periode. Over zijn familie en over zijn kindertijd is er niet veel bekend. In zijn persoonlijke brieven omschrijft hij zijn vader als een buitenbeentje, een simpele visser. We kunnen er echter bijna zeker van zijn dat Nichiren en zijn familie in dienst waren bij een daimyô. Dit is duidelijk omdat Nichiren al snel in de nabij gelegen Tendai tempel, Seichô-ji, ging studeren. In zijn latere leven zou hij de kant van de daimyô kiezen wanneer deze bedreigd werden door het bakufu bestuur.

Het uitzonderlijke aan Nichiren was dat hij ver van het politieke en religieuze centrum van Japan geboren was. Dit was zowel een zegen als een vloek voor hem, het was deze bescheiden afkomst die veel van zijn volgelingen aantrok maar terzelfder tijd beperkte het hem in de boeddhistische hiërarchie die voornamelijk op sociale status was gebaseerd.

Een zoektocht naar kennis

Op 11-jarige leeftijd werd Nichiren naar de Kiyozumi tempel ten noorden van Kominato gestuurd. Daar zou hij leren schrijven en lezen dankzij zijn leraar, de monnik Dôzen. Nichiren werd opgeleid in de Tendai doctrine. In 1237 stelde Dôzen Nichiren aan als boeddhistisch monnik en gaf hem de naam Zeshô-bô Renchô.

Nichiren had alles geleerd wat hij kon van de plaatselijke monniken en was daarbij tot het besef gekomen dat het meest gebruikte boeddhistisch ritueel van zijn leraren het reciteren van de nembutsu was, en dit alleen maar omdat dat overal in Japan zo gedaan werd. Uiteindelijk vertrok Nichiren als 16-jarige op zoektocht naar meer kennis binnen de boeddhistische godsdienst.

Deze zoektocht bracht hem eerst naar Kamakura, het nieuwe politieke centrum van Japan, waar hij voor het eerst in aanraking kwam met het Jôdo- en Zen Boeddhisme. De volgende halte op zijn reis was het centrum van de Tendai-sekte, de Enryakuji tempel op de berg Hiei. Hier zag hij dat de toenmalige sekten gecontroleerd werden door de aristocratie. Hij kon door zijn lage afkomst wel naar de publieke diensten gaan maar kreeg geen leermeester toegewezen en moest dus, uit de verschillende commentaren engeschriften die hij daar vond, zijn eigen conclusies trekken.

Het is op dat moment dat hij besefte dat de verschillende sekten zichzelf enkel ophemelden en dat geen enkele een concreet en overzichtelijk beeld gaf van de Boeddhistische leer. Hij vond in de Nehangyô sutra een vers dat zei: “Volg de leer, niet de mens; de betekenis, niet het woord; ware wijsheid, niet oppervlakkig inzicht.”.

Het was voor hem duidelijk dat hij geen leermeester nodig had, hij moest gewoon de sutras lezen en begrijpen om zelf tot een conclusie te komen. Hij kwam uiteindelijk uit bij de Lotus sutra. Met deze ontdekking keerde hij terug naar de Kiyozumi tempel waar hij voor het eerste een speech gaf die zijn visie liet blijken aan iedereen. Nichiren was er van overtuigd dat alle andere boeddhistische stromingen moesten worden aangepast zodat iedereen de Lotus sutra zou respecteren zoals hij deze zag.

Dit zorgde voor onrust in de streek aangezien er veel aanhangers waren van het Rijne Land. Nichiren werd door de plaatselijke afgevaardigde van het bakufu, Tôjô Kagenobu, gedwongen te vertrekken uit Iwa.

Verblijf in Kamakura

Na zijn gedwongen vertrek uit Iwa ging Nichiren naar Kamakura, waar hij 5 jaar lang met verschillende Tendai priesters erediensten hield. Het was tijdens deze periode dat Jôben, een Tendai priester die Nichiren tijdens zijn verblijf aan de Enryakuji tempel had leren kennen, zich bekeerde tot het Nichiren boeddhisme. Niet veel later werd diens neef ook in de sekte opgenomen.

Omdat Nichiren wist dat hij de beste kans had volgelingen te vinden onder de Tendai priesters ging hij actief op zoek naar priesters die dezelfde werken als hij hadden gelezen. Deze mensen zouden vaak sympathieker tegenover zijn gedachtegoed staan. In tegenstelling tot andere sekten maakte Nichiren maakte weinig verschil tussen priesters die in de boeddhistische hiërarchie waren geaccepteerd en diegene die gewoon vanuit zichzelf het boeddhisme omhelsden. Het ging bij hem, boven alles, om het geloof in de Lotus Sutra.

Maar niet alleen priesters werden volgelingen van Nichiren, hij kon ook rekenen op een grote hoeveelheid medewerkers uit de middenklasse die hun huizen en geld ter beschikking stelden. Dit soort volgelingen concentreerde zich vooral in het oosten van Japan.

Nichiren was er van overtuigd dat de Lotus Sutra overal zou aangeleerd moeten worden tijdens “de periode van verval”, de Mappô. Tijdens de eerste jaren in Kamakura zag hij het bewijs dat de Mappô was begonnen. Er heerste hongersnood, er waren grote branden, aardbevingen en overstromingen. Oost-Japan was op het einde van deze periode nog maar een schaduw van zichzelf. Nichiren was er nu van overtuigd dat hij de ware boeddhistische leer gevonden had. Tijdens deze periode hadden meerdere boeddhistische sektes rites uitgevoerd om het tij te doen keren, allen zonder succes. Dit leidde tot de notie dat de heerser van het land zich zou moeten bekeren tot de Lotus Sutra zoals Nichiren hem zag.

Hij schreef hiervoor de Risshô Ankoku Ron, een essay gericht aan Hôjô Tokiyori die het bakufu achter de schermen leidde. Zijn hulp werd niet beantwoord, in tegendeel, enkele Tendai priesters hadden het essay weten te bemachtigen en waren tot het besef gekomen dat Nichiren hen wou laten verbannen. Uiteindelijk kwam het tot een gewapende confrontatie waarbij Nichiren maar net wist te ontkomen. Hij vluchtte naar Shimosa waar hij een korte tijd verbleef. Bij zijn terugkeer naar Kamakura werd hij meteen gearresteerd en verbannen naar Izu.

Schildering van verbanning van Nichiren naar Izu

Ballingschap in Izu

Tijdens zijn periode in Izu vond Nichiren kracht in de Lotus Sutra. Deze zegt immers dat volgelingen van de Lotus Sutra altijd vervolgd zullen worden. Ook voorspelde de sutra drie soorten vijanden: onwetende mensen, priesters met een verdraaid geloof en trotse kluizenaars die beweren dat zij het ware geloof verkondigen. Nichiren vond dat deze passage op zichzelf van toepassing was en beschouwde hij zichzelf als iemand die de sutra niet alleen las maar ook beleefde.

Een half jaar na zijn verbanning naar Izu stierf de vader van de regent. Nichiren werd vrijgelaten en zag dat Tokiyori de plannen die werden besproken in de Risshô Ankoku Ron in werking wou stellen. Dit gebeurde echter nooit, ook hij stierf in 1263. Na de dood van Tokiyori voelde Nichiren zich verslagen. Hij keerde terug naar Kominato in de hoop daar rust te vinden. Toen hij daar aankwam was zijn vader al gestorven en was zijn moeder zwaar ziek. Hij bad voor haar herstel waardoor zij en enkele andere dorpelingen zich bekeerden.

Nu hij vond dat hij zichzelf had bewezen ging hij naar de Kiyozumi tempel in de hoop ook zijn oude leermeester te doen inzien dat hij fout zat. Dit mislukte echter en Nichiren zou de rest van zijn leven blijven proberen hem te overtuigen.

Zijn toenemend aantal volgelingen had ook tot gevolg dat zijn vijanden steeds agressiever begonnen op te treden. Zo agressief zelfs dat hij en een tiental volgelingen in 1264 aangevallen werden door een grote groep mannen onder leiding van Tôjô Kagenobu.

Nichiren slaagde erin te vluchten en bracht enkele jaren door met het prediken in verschillende oostelijke provinsies. Het is tijdens deze periode dat hij het reciteren van de daimoku of titel van de sutra begon aan te prijzen als middel om slechte geesten te verdrijven. Hij deed dit vanuit dezelfde noodzaak als de Tendai met de nembutsu, om lagere volgelingen onder controle te houden.

De Mongoolse bedreiging

In het begin van 1268 had Nichiren zich terug gevestigd in Kamakura en was hij daar weer beginnen prediken. Niet veel later ontving de Japanse Keizer een brief van de Mongoolse heer Khublai Khan met het bevel zichzelf over te geven aan de Mongoolse bezetter. Dit was een schok voor de bevolking maar voor Nichiren was het een godsgeschenk. Hij had namelijk in zijn Risshô Ankoku Ron deze gebeurtenis voorspeld. Zijn status als profeet groeide en het aantal volgelingen nam spectaculair toe.

Toen een tweede brief van de Mongoolse heerser werd afgeleverd vond Nichiren de tijd rijp om de Risshô Ankoku Ron nogmaals aan de machthebbers voor te stellen als redmiddel van de natie. Toen een antwoord uitbleef ging Nichiren zijn volgelingen aansporen om mensen onder dwang over te halen om zich te bekeren. Hij verdubbelde ook zijn pogingen om de geloofwaardigheid van de andere sekten aan te tasten. Dit deed hij bijvoorbeeld door de Shingon-Ritsu sekte uit te dagen toen er een droogte heerste, toen de anderen geen regen konden voortbrengen door hun rituelen werd hun leider Ninshô de felste tegenstander van Nichiren.

Ook andere sekten gingen zich in het strijdgewoel mengen, Nichiren werd beschuldigd van het vernielen van afbeeldingen, het aansporen tot geweld en het dragen van wapens. Nichiren ging geen enkele beschuldiging uit de weg en zei dat dit alles noodzakelijk was om de Lotus Sutra te beschermen. In 1271 werd hij aangehouden door het Bakufu en verbannen naar Sado.

Ballingschap in Sado

Nichiren werd door de straten geleid als een verader. Toen hij voor Taira Yoritsuna, de onofficiële heerser moest komen, verklaarde hij dat Japan zijn steun vernielde en dat door hem te verbannen ze zichzelf de dood injoeg. Hij zei dat niet zijn gedachtegoed maar dat van de andere sekten Japan naar de ondergang zouden brengen.

Om 2 uur ‘s morgens werd hij vanuit Kamakura weggebracht naar Sado, de weg leidde langs de executiegronden en Nichiren ging ervan uit dat zijn leven hier zou eindigen. Toen zijn dood uitbleef wist hij dat dit een mirakel moest zijn. Uiteindelijk werd hij eerst opgesloten in het stadje Echi terwijl het bakufu zoveel mogelijk volgeling opspoorde en verbande. Velen zweerden hun geloof af maar enkelen werden gespaard door hun daimyô of gingen mee met Nichiren naar Sado.

Na twee maanden op Sado verbleven te hebben, was hij al bekend onder de Tendai priesters daar, hij wist hen te overtuigen zich te bekeren en zo had hij in 1272 ook daar een uitvalsbasis opgebouwd. In de volgende maanden kwam er weer een voorspelling die hij had gedaan in de Risshô Ankoku Ron uit. De Hôjô clan werd verscheurd door inwendige strijd. Niet lang hierna werden Nichiren’s volgelingen vrijgelaten. Zij keerden terug naar Kamakura om voor zijn vrijlating te pleitten. Een half jaar ging voorbij waarin Nichiren steeds meer aan inspraak won op het kleine eilandje. Uiteindelijk werd hij eind 1272 vrijgelaten.

Afzondering in Minobu

Bij zijn terugkeer in 1274 in Kamakura werd Nichiren overdonderd door volgelingen, een kleine tijd later moest hij voor het bakufu komen om zijn visie op de huidige situatie toe te lichten. Nichiren was hier zeer tevreden over maar zoals eerder bleken de problemen voor beide partijen onverzoenbaar.

Na een derde poging om de machthebbers hun fouten te doen inzien besloot Nichiren zich terug te trekken uit het politieke en religieuze centrum en vertrok naar de berg Minobu om daar de laatste jaren van zijn leven uit te zitten. Hij kreeg geregeld bezoek van zijn volgelingen die om raad kwamen of om door hem onderwezen te worden. Hij schreef ook veel brieven aan volgelingen die problemen hadden om hun familie of heer te overtuigen.

De Minobu berg waar Nichiren's as werd uitgestrooid

Toen eind 1274 de Mongolen Japan aanvielen werd de laatste voorspelling van Nichiren waarheid, hij zag hen als heiligen die deden wat nodig was om de zondaars te straffen. Maar toen in 1281 de tweede aanval succesvol werd afgeslagen ging hij er vanuit dat er nog meer invallen zouden gebeuren.

Tegen begin 1282 was Nichiren’s gezondheid zo achteruit gegaan door het harde leven op de berg zodat hij uiteindelijk door zijn volgelingen overhaalt werd om naar Hitachi te gaan, daar zou hij kunnen genezen. Nichiren zou deze reis nooit overleven en dat wist hij, de dag voor zijn dood riep hij zes van zijn trouwste volgelingen bij zich en gaf hen de opdracht zijn werk voort te zetten.

Na zijn dood werd hij gecremeerd en werd zijn as over de Minobu berg uitgestrooid zoals hij dat gewenst had.

Bronnen

  • McCarthy, Paul en Sekimori, Gaynor. A History of Japanese Religion. Tokyo: Kosei Publishing Co., 2001
  • Rodd, Laurel Rasplica. Nichiren: A Biography. Arizona: Arizona State University Press, 1978