Nara-cultuur

Uit GeschiedenisJapan

De oudste Japanse geschriften

Het ritsuryō-regime als zodanig is één van de schitterendste uitingen van de oude Japanse cultuur. Het betekent immers dat Japan door studie van het Chinese voorbeeld in staat was het primitieve stadium van een maatschappij gestructureerd volgens echte of fictieve bloedverwantschap te overstijgen en een nieuw maatschappelijk en politiek bestel te creëren op basis van universele en rationele principes. Bovendien impliceerde het tevens dat de provinciale bovenklasse de nodige kennis van schrijven en rekenen had om het systeem van de bevolkingsregisters, de landverdeling en de belastingsinning te laten functioneren.

Eén van de voornaamste bijdragen van de aristocratie in de Nara-periode is de uitvinding van een systeem om het Japans te schrijven met Chinese karakters. Dank zij dit schrift konden zij de 4500 gedichten die de Manyōshū (万葉集; gecompileerd ca. 759) telt, optekenen. Om die reden spreekt men van de Manyōgana (万葉仮名; lett. kana van de Manyōshū). In dit systeem worden bepaalde Chinese karakters gebruikt als fonetische symbolen van Japanse klanken en uit deze groep van karakters is naderhand het zuivere kana-alfabet ontwikkeld. De gedichten opgenomen in de Manyōshū dateren voor het grootste gedeelte van rond de achtste eeuw, maar sommige gaan terug tot vóór de Taika-hervormingen. Opvallend is wel dat men er gedichten heeft in opgenomen uit alle lagen van de bevolking, van keizer tot boer. Dit staat in schril contrast met latere bloemlezingen die meestal slechts gedichten van aristocraten en monniken of nonnen bevatten. De gedichten in de Manyōshū beperken zich qua oorsprong niet tot de Kidai-regio, maar ze werden van over heel Japan verzameld. De belangrijkste thema's zijn de liefde en de natuur, maar ook corvee, landarbeid, visie op de wereld en de maatschappij worden wel eens behandeld. De voornaamste dichter die in de collectie is opgenomen is Kakinomoto no Hitomaro 柿本人麻呂 ( ?-705?).

De Manyōshū is de eerste en ook de enige Japanse bloemlezing van poëtische vruchten van het hele volk, door alle grenzen van klassenonderscheid heen. Dit is een concrete getuigenis van het feit dat de kloof die later aristocratie van het gewone volk scheidde, nog niet zo wijd gaapte. Volgens de geest van de ritsuryō waren alle onderdanen van de keizer onderworpen aan dezelfde uniforme wetten en instellingen. Ook al blijft het zeer de vraag in hoeverre dit ideaal in de praktijk werd omgezet, voor enige tijd werkte het blijkbaar toch een vernauwing van de kloof tussen de respectieve standen in de hand.

In het begin van de achtste eeuw werd de eerste officiële geschiedenis van Japan onder keizerlijke auspiciën samengesteld. Het werk werd tijdens de regering van keizer Tenmu begonnen en in 712 voltooid. Hieda no Are稗田阿礼, een man (volgens sommigen een vrouw) met een fenomenaal geheugen, zou op keizerlijk bevel, allerlei overleveringen gememoriseerd hebben en die naderhand aan de ambtenaar ō no Yasumaro 太安万侶 gedicteerd hebben. Deze laatste compileerde en annoteerde vervolgens wat hij genoteerd had en maakte er een boek in drie rollen (hoofdstukken) van. Het is bekend als de Kojiki 古事記 ("Relaas over de zaken van het verleden") en is in een mengsel van oud Japans en Chinees geschreven. Het geldt niet alleen als Japans oudste bewaard gebleven historische geschrift, maar ook als heilig boek en literair werk. In 720 werd de Nihongi 日本紀, ook wel bekend als de Nihonshoki 日本書紀 ("Historisch relaas van Japan") voltooid, ditmaal in grammaticaal Chinees geschreven (maar in het Japans gelezen). Beide historische werken mengen feit en mythe zonder onderscheid door elkaar en herschikken de overleveringen zodanig dat ze overkomen als een rechtvaardiging van het heersende keizershuis en de door de keizer geregeerde staat. Ook het feit zelf van een officiële geschiedenis te laten schrijven droeg bij tot het prestige en de legitimering van de keizerlijke positie. Ook in China was het laten samenstellen van een officiële geschiedenis één van de opdrachten van de keizer.

Kosmopolitisme.

De Nara-aristocratie was ongemeen leergierig en deed enorme inspanningen om zich de continentale cultuur eigen te maken. Tussen 702 en 777 werden niet minder dan zes officiële gezantschappen naar China gestuurd. De overtocht werd gemaakt met een konvooi van meestal vier schepen, waarop ongeveer 400 à 500 man meevoeren. Het merendeel van de opvarenden waren studenten en monniken. De overtocht was uitermate gevaarlijk en veel schepen verdwenen met man en muis in de golven. Het risico woog echter niet op tegen de vruchten die men op het vasteland kon plukken: wetenschap, techniek, kunsten en muziek, het Boeddhisme, haar architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst, de klederdracht, gebruiksvoorwerpen en levensstijl. De Tang-cultuur was erg kosmopolitisch en China onderhield in die tijd culturele contacten met de Indische en Islamitische wereld. Voor Japan betekende leren van China dan ook kennismaken met de wereldcultuur. Niet alleen Chinese monniken zoals Ganjin鑑真 (688-763) kwamen naar Japan, maar ook Indiërs en Perzen deden het afgelegen eilandenrijk aan.

Toch kan men niet zeggen dat de Nara-aristocratie zich werkelijk de Chinese geleerdheid en literatuur eigen wist te maken. Dat bewijst bijvoorbeeld de Kaifūsō 懐風藻, een bloemlezing van door Japanners in het Chinees geschreven gedichten, gecompileerd in 751. Hoe vaardig ook geschreven, het mist de originaliteit van de Japanse werken. Het klassiek Chinees was als het Latijn in Europa tijdens de Middeleeuwen en Renaissance een geleerdentaal. Bovendien sprak vrijwel geen Japanner Chinees. Hun kennis bleef beperkt tot boekengeleerdheid.

Het Boeddhisme

Tijdens de Nara-periode werd het Boeddhisme krachtig bevorderd. De bouw van grote tempels werd uit de schatkist gefinancierd en de kloosters kregen uitgestrekte landgoederen en honderden horigen om het land te bewerken. De keizerlijke bescherming van het Boeddhisme bereikte een hoogtepunt onder keizer Shōmu 聖武 (regeerde 724-749). Vanaf 741 liet hij in iedere provincie een staatstempel (kokubunji 国分寺) en een nonnenklooster (kokubunniji 国分尼寺) oprichten en in de hoofdstad liet hij als bekroning van dit uitgebreide netwerk een monumentale tempel, de Tōdaiji 東大寺 genaamd, bouwen. In dit reusachtige bouwwerk werd een bronzen beeld van Vairocana, de kosmische Boeddha, opgesteld. Het netwerk van provinciale tempels, bekroond met de grootse Tōdaiji, werd zo een replica van de structuur van de wereldlijke macht. De kolossale afmetingen en de schittering van het boeddhabeeld legden getuigenis af van de macht van het keizerlijke hof, en de keizer werd gezien als de aardse tegenhanger van de kosmische macht en uitstraling van de Boeddha. Gebouw en boeddhabeeld zijn een hommage aan het ongemeen verfijnde vakmanschap van de Japanse bouwlieden en bronsgieters van die tijd.

Het Nara-boeddhisme was vóór alles een staatsgodsdienst in de zuivere zin van het woord. Het werd nauwelijks of niet als een persoonlijke heilsleer beleden, maar het diende voor de buitennatuurlijke bescherming van de staatsorde. De monniken deden geen poging om de boeddhistische boodschap onder het volk te brengen. Sterker nog, dit volk mocht zelfs de schitterende "huizen van Boeddha" niet betreden. De prachtige boeddhabeelden en schilderijen die de Nara-tempels nu nog tooien zijn meesterwerken van technische vaardigheid en artistieke expressie. Zij illustreren hoe volkomen de anonieme beeldhouwers en schilders van toen de Chinese artistieke technieken en stijlen onder de knie hadden.

Tussen de boeddhabeelden en de Man’yōshū ligt een wereld van verschil. De iconen zijn een stuk overgeplante continentale cultuur, de bloemlezing is het getuigenis van een eenvoudig, primitief en met de natuur verbonden volk.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo