Nanshoku (男色)

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken


""Spring Pastimes. Een Nanshoku shunga door Miyagawa Isshō"."

Nanshoku is de term die men gebruikte om homoseksualiteit in het oude Japan te beschrijven. Het word vaak vrij vertaald naar sodomie alhoewel dit te veel Westerse religieuze connotaties bezit.

Oorsprong

Het is algemeen aanvaard dat nanshoku is overgekomen uit China. Kūkai wordt vaak gecrediteerd als invoerder alhoewel dit voor controverse zorgt wegens het feit dat Kūkai zelf er nooit heeft over geschreven. Toch is het zo ingedrongen dat een bepaalde jonge acoliet die de avances van een priester grondig beu is Kūkai vervloekt voor het invoeren van iets zo irritant als nanshoku.

De term nanshoku(男色) komt uit de titel van Ihara Saikaku's collectie uit 1687 genaamd Nanshoku Ōkagami(男色大鏡, The Great Mirror of Male Love). Het bestaat uit de kanji voor man(男 Zowel Japans als Chinees: nan) en die van kleur(色 Chinees: se, Japans: iro). Deze laatste bezit seksuele connotaties die voortkomen uit de Boeddhistische filosofie. Deze beschrijft de wereld die lagere wezens seksuele plezier toebrengt en dus hun spirituele voortgang belemmerd. De vrouwelijke en ostensief heteroseksuele variant heet Joshoku(女色).

Zowel de term nanshoku als joshoku stelt echter altijd de man centraal en is dus geen gepaste vertaling voor onze Westerse dichotomie tussen heteroseksualiteit en homoseksualiteit. Beide termen beschrijven ook geen persoonlijke geaardheid maar verwijzen naar de aard van de relatie.

De lage geletterdheid en het verschil tussen mannen en vrouwen qua sociale status zorgde ervoor dat de weinige teksten die hierover beschikbaar waren enkel en alleen door mannen konden gelezen worden. Het onderwerp was dus ook altijd tussen mannen(of stelde toch de mannelijkheid centraal).

Pre-Tokugawa

Er zijn weinig concrete voorbeelden van nanshoku in Japan voor de 11de eeuw. Toch zijn er verschillende vage allusies hiernaar te vinden in gedichten naar vrienden van hetzelfde geslacht. Zo is er in Iso Monogatari(Tales of Ise) het volgende te vinden:

I cannot believe that you
Are far away
For I can never forget
you,
And thus your face
Is always before me.

Toch duidt dit niet meteen op een erotische relatie, mensen van hetzelfde geslacht waren immers heel intiem en literaire toonbeelden van affectie tussen mensen van hetzelfde geslacht waren zeer conventioneel. Zo zijn er veel gedichten en verhalen die vage allusies, al dan niet met intentie, trekken met nanshoku.

De eerste duidelijke verwijzing naar nanshoku kan men vinden in Genji Monogatari (ca. 1010) in het volgende excerpt:

“Well, you at least must not abandon me.” Genji pulled the boy down beside him. The boy was delighted, such were Genji's youthful charms. Genji, for his part, or so one is informed, found the boy more attractive than his chilly sister.

Daarnaast zijn er in Genji Monogatari soms opmerkingen te vinden over de schoonheid van jonge mannen, waarop een man reageert “Was hij maar een vrouw!”. Genji Monogatari is wel fictief, maar later in de Heian periode zijn er dagboeken te vinden met verschillende historische voorbeelden. De eerste hiervan komt uit 1142 wanneer de jonge Fujiwara Yorinaga[1] een danser tot zich laat roepen om middernacht. In 1147 vertelt hij over het feit dat hij vaker met zulke entertainers naar bed ging. In 1148 schrijft hij zeer duidelijke dat “tonight I took Yoshimasa to bed and really went wild; it was especially satisfying. He had been ill for awhile and resting, so tonight was the first time in awhile”. Drie maanden later word hij alweer verliefd op een danser in een tempel, maar hij houd zichzelf tegen door een visioen die het hem verbood.

Zowel de dagboeken van Fujiwara Yorinaga als Fujiwara Kanezane[2] verwijzen naar het feit dat keizer Shirakawa en Toba jonge mannen bijhielden voor seksuele doeleinden In het 12de eeuwse werk Torikaebaya(とりかへばや, Changeling) valt een jongen voor de 'zus' van zijn vriend, dit terwijl 'zij' eigenlijk een man was die zich enkel verklede als vrouw. Op hetzelfde moment was hij wel verliefd op zijn vriend. Uiteindelijk culmineert het tot een scene waar de jongen zijn vriend probeert te verkrachten, met de uiteindelijke vaststelling dat hij eigenlijk een vrouw is.

Nanshoku binnen een sociale context: Shudō

Vanaf de Edo periode is er sprake van shudō(衆道, De weg van de jeugd). Dit was een volledig inheemse begrip die voortkwam uit de nanshoku en dus beïnvloed werd door zijn Chinese roots, maar er zich ook van distantieert. Het is een verkorting van wakashudō (若衆道), wakashu betekent een adolescente jongen. Deze term is belangrijk omdat het verwijst naar een lichaam van kennis, ideeën en waarden waaraan mensen die deze “weg” betraden zich aan moesten houden.

Sociale rollen

Wakashu verwijst wel enkel naar diegene die bewonderd word door diegene die de shudō beoefent. Een beoefenaar van shudō is bijna altijd een oudere man die seksuele contact opzoekt met jongere mannen. De heteroseksuele equivalent heet nyodō. Deze laatste is vooral uit een commerciële perspectief (prostituees en courtisanes) terwijl shudō zich zowel met professionals als amateurs bezighield. Vrouwelijke prostituees gingen zich soms verkleden als mannen om meer mensen aan te trekken.

De leeftijd van deze wakashu was niet duidelijk vastgesteld. De jongste wakashu was 7 jaar oud, maar meestal worden zulke jonge kinderen warabe (童, kind) genoemd en zijn ze dus niet geschikt als wakashu. Een pamflet uit 1643 genaamd Shin'yuki maakt de claim dat jongeren tussen 12 en 14 eigenlijk nog veel te jong waren, enige verwijzing hiernaar moest verduidelijkt worden door karakters te gebruiken die aantoonden dat het gaat om kinderen. Het is dus zo dat exploitatie van kinderen niet als immoreel beschouw werd maar enkel als esthetisch onverantwoord.

Volgens diezelfde bron is het hoogtepunt aan hun 15 en 17. Deze korte periode werd vaak in de poëzie vergeleken met de vergankelijkheid van een kersenbloem. 18 en 20 werd als einde van de shudō beschreven. In deze periode begon de jongen verschillende mannelijke waarden te ontwikkelen, iets dat enkel als een meerwaarde werd gezien, maar toch betekende dit dat de wakashu zich dicht bevond bij het einde van zijn jeugd, en dus het einde van de relatie. Toch is het niet zo dat fysieke maturiteit gelijk stond aan volwassenheid in deze context. Het was vooral iets esthetisch. Een bepaalde kenmerk van een wakashu waren zijn maegami (前髪, ongeschoren lokken) wat binnen de shudō een soort van fetisj werd.

De overgang naar volwassenheid werd gevierd met een ceremonie genaamd de genbuku (元服). De jongen moet zijn kleed wisselen voor een volwassen kleed. Zijn maegami worden echter ook afgeschoren, dus duid dit het verlies van de esthetische vereisten van een wakashu. De daimyō van 1708 ondernam een poging om de genbuku uit te stellen tot de 30 jaar, met als doel de jeugdige karakteristieken langer te behouden. Belangrijk was dus vooral de jeugd en niet maturiteit of zelfs geslacht. Een wakashu is natuurlijk mannelijk en moest zich ook gedragen volgens de mannelijke normen in die tijd. Ze bezaten wel geen 'viriliteit', iets wat een vrouw ook niet bezat. Binnen in shudō betekent dit dat de wakashu andere mannen niet mocht fallisch penetreren.

De geliefde van een wakashu noemt men de nenja (念者). Het verwijst wel enkel aan diegene die aan de wakashu denkt. Een algemene regel was wel dat de nenja ouder is dan de wakashu maar in het praktijk was dit niet altijd het geval. Verhalen spreken bijvoorbeeld over een 14 jarige jongen die de diensten aankoopt van verschillende prostituees, waarmee hij (ondanks zijn leeftijd) de rol van nenja aanneemt. In de lineaire progressie van een shudō relatie eindigde het altijd in een sterke vriendschap. Het beoefenen van shudō werd wel niet noodzakelijk als een fase beschouwt, toch is het zo dat mensen vaak van een shudō relatie naar een heteroseksuele relatie ging. Iemand die zegt dat hij niet meer een wakashuzuki (iemand die jongens liefheeft) is, wil enkel zeggen dat hij het niet meer met dezelfde intensiteit beoefend, en niet dat hij voorbij zijn shudō fase is. Het is wel belangrijk om op te merken dat er wel degelijk mannen waren die geen belang hechte aan shudō of die er zelf een zekere haat voor koesterden. Deze mensen werden wakashugirai (jeugdhaters) genoemd.

De relatie tussen een wakashu en nenja werd op zekere niveau als monogaam beschouwd (alhoewel ze beide niet altijd exclusief waren). Het is wel meer te vergelijken met een broederschap omdat het aanvult aan het concept van eeuwige trouw en een permanente relatie. Dit werd soms ingehuldigd met formele eedaflegging, en in sommige gevallen zelfs met zelf-mutilatie (het verwijderen van een vingernagel of het afsnijden van een vinger).

In contrast tot vaginale geslachtsgemeenschap werd er verwacht dat enkel de nenja plezier uit de daad beleefd. De wakashu laat dit toe uit plichtsgevoel en voor de andere financiële en sociale voordelen die uit de relatie komen.

Monistisch

De eerste gedocumenteerde homoseksuele traditie kan teruggevonden worden in Boeddhistische tempels. Homoseksualiteit blijkt ook een sterkere band te hebben met het Boeddhisme dan in meeste andere Aziatische landen. Dit kan door de grote monistische populatie in Pre-Tokugawa Japan het geval zijn. In ieder geval, seks met hetzelfde geslacht werd tot een zeker niveau getolereerd binnen in de tempels. Alhoewel er op een bepaald moment wetten waren die priesters verboden om seks te hebben met vrouwen, in sommige gevallen met de doodstraf tot gevolg, gelde dit niet tot seks met hetzelfde geslacht. Volgens Gūzen is dit door drie belangrijke aspecten. Ten eerste, interesse in een wakashu vervaagt met tijd. Ten tweede, seks met een wakashu zorgt niet voor een nageslacht en dus ook niet voor de karmische obligaties die daarmee samen gaan. Ten derde, omgaan met vrouwen is gelijk aan omgaan met moreel inferieure wezens.

Een groot aantal shudō verhalen spelen zich af in kloosters en tempels. Deze verhalen worden ook wel Chigo Monogatari (稚児物語) genoemd.

Militair

Shudō had enigszins een pedagogisch functie doordat een oudere, ervaren samurai een wakashu de militaire vaardigheden en waarden die essentieel zijn aan giri (義理, eer en plicht) aan hem kon doorgeven. Dit hield vaardigheden in zoals zwaardvechten, paardrijden, maar ook mentale ingesteldheid en etiquette. Deze band had ook als functie de nenja zijn eergevoel te stimuleren. Deze vorm van relatie zorgde voor de codificatie van wat er onder shudō word verstaan. Ondanks deze feit is er weinig te vinden over samurai binnen shudō teksten. Meeste feiten zijn de vinden in de dagboeken van verscheidene samurai. De onnagirai waren vooral soldaten. Vrouwen konden immers geen deel uitmaken van giri. Er werd ook gezegd dat soldaten minder risico's namen op het slagveld als ze een vrouw of lief hadden. Shōgun waren ook berucht om hun neiging tot het houden van grote aantallen wakashu, waaronder Oda Nobunaga, Toyotomi Hideyoshi en Tokugawa Ieyasu.

Commercialisatie

Door de vooruitgang in de boekdrukkunst en de hogere geletterdheid aan het begin van de 18de eeuw is er sprake van commercialisatie van de shudō. Verschillende boeken over shudō worden opnieuw uitgebracht en kunnen nu door een veel grotere demografie verkregen worden op zowel geografische als economische en sociale schaal. Verder zorgt deze verspreiding er voor dat shudō een evolutie ondergaat en complexer word. Shudō word dus in een zekere zin gecodificeerd terwijl het vroeger vooral van persoon tot persoon overgebracht werd. Bewijs van deze geografische en sociale verspreiding kan men vinden in een citaat van de hoog geplaatste samurai Yamamoto Tsunetomo[3]. Yamamoto, die zich op het moment van de citaat in Kyūshū begaf (ergens tussen 1710 en 1716), kon perfect een deel van The Great Mirror citeren. Dit ondanks het feit dat het boek uitgebracht werd in Ōsaka, Kyōto en Edo. Een andere resultaat van deze commercialisatie is de grote aanbod van mannelijke prostituees, iets wat vooral de Boeddhistische priesters kon bekoren. Ook de kabuki theater was zich heel bewust van de esthetische aspecten van shudō.

Religie

Seks tussen mensen van hetzelfde geslacht worden niet verboden door een of andere goddelijke wet zoals in de Westerse samenleving. De Nihonshoki en Kojiki hebben geen enkel verbod hierover. Iets wat zeker opvalt want er is niets te vinden in de Japanse religieuze teksten over nanshoku. Aan de andere kant verbied het wel incest, bestialiteit en zelfs defecatie in de verkeerde plekken. De volledige afwezigheid van seks met hetzelfde geslacht doet men denken dat er voor de 11de eeuw geen sprake was van homoseksualiteit.

Alhoewel het Boeddhisme alle vormen van seksueel gedrag verbood waren er verschillende godheden die verbonden waren aan nanshoku. En hoewel er wel sprake is van een Boeddhistische Hel waar mannen die met elkaar seks hebben in elkaars armen branden, gaan de meeste teksten eigenlijk over verkeerd toegepaste etiquette bij het hebben van erotische relaties met andere mannen die kunnen bestraft worden (voor het niet terug brengen van een geleende paraplu zal je in de Hel voor altijd in de regen mogen staan).

Het Confucianisme[4] heeft weinig te vertellen over homoseksualiteit. Toch is het duidelijk dat de nanshoku gebaseerd is op de Confucianistisch model. In China werd er verwezen naar relaties tussen mannen als “overtuiging van academici”. Toch zegt Richard Rutt dat “tijdens de Yi dynastie keek de Confucianistische volk naar homoseksualiteit met afschuw” alhoewel dit niet overeen stemt met de reputatie die Confucianistische scholieren hadden met pederastie.

Terwijl het Confucianisme aandacht heeft voor moraliteit, kijkt de filosofie van yin-yang specifiek naar seksualiteit. Seks is een activiteit die tot de yin-yang balans behoort. Heteroseksuele relaties zijn dus heel belangrijk voor de gezondheid en balans. Het idee is dat de man zijn energie wisselt voor die van de vrouw. Het probleem hier is dat yan energie uit vuur bestaat en ying uit water. Daardoor geraakt de man uiteindelijk uitgeput. Seks met een andere man, wiens energie ook uit vuur bestaat, behoud dus de status quo. Daarom zouden Chinese Daoisten homoseksuele praktijken hebben goedgekeurd.

Er is sprake van grote verontwaardiging door Christelijke bezoekers maar hun visie werd niet zo snel geaccepteerd voor de Meiji restauratie. Francois Caron had het volgende te zeggen.

"Their Priests, as well as many of the Gentry, are much given to Sodomy, that unnatural passion, being esteemed no sin, nor shameful thing amongst them".

Legaal

Alhoewel seks tussen mannen niet als immoreel beschouwd werd wilt dit niet zeggen dat er geen pogingen waren tot regularisatie van nanshoku door middel van wetgevingen. In contrast met Westerse samenleving werd er wel niet gekeken naar de daad zelf maar naar de omstandigheden daarrond zoals sociale context en esthetiek.

Strafwet

In de Bakufu strafwet van 1742, Kujikata Osadamegaki (公事方御定書), staat er niets rond nanshoku terwijl het wel straffen opstelt voor gevallen van buitenechtelijke seks met vrouwen. Wat men hieruit kan concluderen is dat de Bakufu nanshoku niet zag als iets dat mogelijk het Confucianistisch model van man en vrouw kon bedreigen (de karakters voor het bedriegen van je vrouw betekenen letterlijk “Het negeren van je verplichtingen”). Toch zal diezelfde strafwet het shudō wat onder druk zetten door sommige nanshoku relaties gelijk te stellen aan heteroseksuele relaties zoals in het geval van een dubbele zelfmoord van twee monniken uit verschillende tempels in 1782. Dubbele zelfmoord tussen man en vrouw werd door de bakufu gezien als een bedreiging van de samenleving en probeerde het uit te roeien door lijken geen begrafenissen te geven, of in het geval van overlevenden ze te onthoofden. In het geval van de twee monniken werd één aangehouden nadat hij zijn geliefde zijn polsen had overgesneden. Hun seksuele relatie had weinig betekenis, het was hun verschil in sociale status, de duidelijke shudō aard van hun relatie en de esthetische aard van hun (poging tot) dubbele zelfmoord waardoor de overlevende schuldig geacht werd voor een misdaad die normaal enkel bij man-vrouw zelfmoorden toegepast werd.

Ofuregaki

Het legale instrument dat het meest met shudō in contact kwam was de ofuregaki. Deze had geen straffen voorzien maar verwachte toch wel dat overtredingen werden aangegeven. Ook was een ofuregaki bedoeld voor lokale plaatsen en gelde vooral voor het algemene volk.

De commercialisatie van shudō zorgde ervoor dat het meer werd bekeken op gelijke hoogte met het onwettig omgaan met vrouwelijke prostituees. Een ofuregaki uit Edo geeft het volgende mee aan het volk: “One must not importune youths regarding shudō, or lose one's head over wakashu”. Dit was geen expliciet verbod maar meer een poging om het onder controle te houden. Er was namelijk veel competitie voor de aandacht van Kabuki acteurs, iets dat vaak tot een gewelddadige einde kwam (zoals in het geval van twee samurai die een duel hielden omdat ze ruzie hadden over kabuki jongens). Het gebrek aan terughoudendheid was dus een grote zorg voor de bakufu wetgevers van die periode. Iets dat culmineerde tot de verbanning van maegami binnen kabuki, wat de acteurs automatisch buiten het groep van de wakashu gooide en dus de aandacht van shudō enthousiasten niet meer waard was.

Bronnen

  • Childs, Margaret(1980). Chigo Monogatari: Love Stories or Buddhist Sermons. Monumenta Nipponica(Sophia University)
  • Pflugfelder, Gregory M. (1997). Cartographies of desire: male-male sexuality in Japanese discourse, 1600-1950. University of California Press
  • Leupp, Gary P. (1997). Male Colors: The Construction of Homosexuality in Tokugawa Japan. University of California Press

De inhoud van deze pagina is beschikbaar onder CC-BY-SA/GFDL.