Muromachi periode - Impact op het dagelijkse leven

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Algemene tijdlijn

Deel 1 - 1333-1441

Deel 2 - 1441-1600

Impact op de politiek

Terwijl in vroegere tijdsperiodes de aristocratie grotendeels overheerste en alle macht in handen had, kregen tijdens de Muromachi-periode de krijgersfamilies[1] alsook het gewone volk[2] meer en meer macht. Hierdoor verdween de aristocratie en de keizer op de achtergrond wat betreft de politiek.

Kenmu-restauratie (建武)

De Kenmu-restauratie - Kyōto in de veertiende eeuw

Nadat Go-Daigo (後醍醐天皇, Go-Daigo-tennō) uit zijn ballingsoord ontsnapt was en naar Kyōto (京都市, Kyōto-shi) was teruggekeerd, stichtte hij er zijn eigen staadsraad, Kirokujo (記録所) genaamd. Het systeem van provinciale ambtenaren (国守, kokushu) en politiecommissarissen (守護, shugo), waarbij zowel aristocraten als bushi benoemd werden, bleef bestaan. Generaal Ashikaga Takauji (足利尊氏), die gestuurd werd door de Hōjō-familie en de opstand moest neerslaan, liep over naar de kant van Go-Daigo, en veroverde voor hem Kyōto. De Kenmu-restauratie, die zich in 1334 afspeelde, was een poging van Go-Daigo tot herstel van de keizerlijke macht naar het model van de Nara-periode. Doordat ze volledig inging tegen de maatschappelijke tendens tot feodalisering[3], was ze al vanaf het begin gedoemd te mislukken. Zo weigerde Go-Daigo de traditionele Fujiwara-regent te accepteren, en tegen de verwachtingen van Ashikaga in, benoemde hij hem niet tot shōgun (将軍), maar gaf in de plaats daarvan de hoogste ambten aan de keizerlijke familie en de aristocratie. Hierdoor keerde Ashikaga zich tegen de keizer, en in 1336 veroverde hij Kyōto. Go-Daigo werd opnieuw gedwongen te vluchten, ditmaal naar het Yoshino-gebergte in het zuiden.

Ashikaga benoemde Kōmyō (光明天皇, Kōmyō Tennō) tot keizer in Kyōto, en als gevolg hiervan benoemde hij op zijn beurt Ashikaga tot shōgun in 1338.
Portret van Ashikaga Yoshimitsu

Dit was het begin van de strijd tussen de Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën (南北朝の内乱, Nanbokuchō no nairan), waarbij het hof van Yoshino beschouwd werd als de Zuidelijke Dynastie, dat van Kyōto als de Noordelijke Dynastie. Deze strijd werd door Yoshimitsu (足利 義満) beëindigd in 1392, toen het Zuidelijke Hof zich overgaf. Deze datum staat bekend als de Nanboku-chō gattai, oftewel de Vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1334-1336: De Kenmu-restauratie
  • 10.1334: Kusunoki Masashige (楠木正成) valt de laatste overblijfselen van de Hojo-clan aan te Kii
  • 1335: Ashikaga Takauji (足利尊氏) rebelleert
  • 02.03.1336: Slag bij Tadara-no-Hama (Chikuzen)
  • 03.04.1336: Begin van Ashikaga's plannen om Kyōto te heroveren
  • 05.1336: Slag bij Minatogawa (Harima)
  • 06.1336: Go-Daigo vlucht naar de Hiei-berg
  • 09.1336: Keizer naar Higashi no Tōin in Kyōto
  • 11.1336: de Kenmu-code (建武式目, Kenmu-shikimoku) in zeventien artikelen
  • 1336: vestiging zuidelijk hof in Yoshino
  • 1337-1392: Strijd tussen de Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën (南北朝の内乱, Nanbokuchō no nairan)

Ashikaga Takauji

Takauji’s politiek was grotendeels gebaseerd op de machtsstructuur van Hōjō en in tegenstelling tot Kō no Moronao steunde zijn politiek op compromissen tussen de nieuwe militaire macht en de gevestigde orde. De taak van politiecommissaris werd toegekend aan leden van zijn eigen familie en vertrouwelingen uit de bushi-klasse; tevens regeerden ze over de bushi-gemeenschap van hun gebied. Deze politiecommissarissen werden gecontroleerd door een directeur-generaal (tandai).

De grootste tegenstander was de radicaal Kō no Moronao (高師直). Hij wou de macht van de shōen-bezitters teniet doen ten voordele van de land-samurai. Maar in 1351 werd hij vermoord door Tadayoshi (直義), Takauji’s jongste broer. Deze werd op zijn beurt vermoord door Takauji; aanleiding was de persoonlijke rivaliteit tussen beide broers. Door deze gebeurtenis werd duidelijk dat de Ashikaga-clan geen eenheid meer vormde, en het zuidelijk hof stuurde een leger naar Takauji om hem uit te schakelen. Toen Takauji in 1355 deze strijd echter won, was dit het begin van een neerwaartse spiraal voor het Zuidelijk Hof.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1335: Ashikaga Takauji (足利尊氏) rebelleert
  • 02.03.1336: Slag bij Tadara-no-Hama (Chikuzen)
  • 1336: Takauji vestigt bakufu Muromachi in Kyōto
  • 1338: Takauji wordt shōgun
  • 1350: Conflict tussen Ashikaga Tadayoshi en Takauji
  • 1352: Tadeyoshi vermoord door Takauji
  • 1353: Takauji herovert Kyōto en Kamakura
  • 03.1355: Ashikaga Takauji and Ashikaga Yoshiakira heroveren Kyōto
  • 1358: Takauji sterft

Shugo-daimyō

Diegenen die uiteindelijk het meeste voordeel uit deze oorlogen haalden, waren de politiecommissarissen (守護, shugo). In 1352 kondigde het bakufu namelijk een wet af die ervoor zorgde dat de inbeslagname van vijftig procent van de jaarlijkse landbelasting legaal werd. Hierdoor kreeg de shugo aanzienlijk meer macht over de lokale samurai en werden ze veel onafhankelijker ten opzichte van het bakufu.

In de loop van de veertiende eeuw groeiden deze shugo uit tot een feodale heren (ryōshu) en kregen ze de naam shugo-daimyō. Met hun feitelijk gezag over een groot gebied plus bushi en kleine landheren als hun vazallen ondermijnden ze de macht van de aristocratische en religieuze instellingen, maar organiseerden en controleerden ze ook de lokale samurai en de boeren.

(Voor meer informatie over de invloed van deze Shugo-daimyō, zie verder.)

Sankanshishiki ("de drie kanrei- en de vier shoshi-families")

Doordat de omstandigheden met de jaren sterk veranderd waren, had men nood aan een nieuwe regeringsstructuur. De secretaris (執事, shitsuji) van Yoshimitsu, Hosokawa Yoriyuki (細川頼之), maakte van de shitsuji, een oorspronkelijke privéambt, het hoogste publieke ambt onder de shōgun, en noemde het kanrei (管領), vice-shōgun. Deze titel kon slechts gegeven worden aan een lid van de Hosokawa, de Shiba of de Hatakeyama-familie[4]. Onder de shōgun en de vice-shōgun waren er vijf centrale instellingen: het Administratief Bureau (政所, Mandokoro), het Gerechtelijk Bureau (問注所, Monchūjo), het Bureau der Samurai (侍所, Samurai-dokoro), de Staatsraad (評定衆, Hyōjōshū) en het Bureau der Coadjutoren (引付衆, Hikitsukeshū). De belangrijkste instelling was het bureau der Samurai, met het hoofd (所司, shoshi) als machtigste man in de regering na de vice-shōgun, die bovendien ook het ambt van politiecommissaris van Yamashiro (山城) uitoefende.[5]

Ashikaga Yoshimochi - Portret is momenteel te bezichtigen in de Jingojitempel (神護寺) te Kyōto.

Deze aanpassingen speelden vooral voor Yoshimitsu in het voordeel.

Drang naar keizerlijke status

Yoshimitsu deed er alles aan om op dezelfde hoogte komen te staan als de keizer: nadat hij de shōgun-titel had doorgegeven aan zijn zoon Yoshimochi (義持), nam hij de titel van kanselier (dajōdaijin) aan. Maar dit voldeed echter niet. Hij moest en zou de titel van teruggetrokken keizer (太上天皇, daijō-tennō: "Teruggetrokken Keizer") dragen. Hiervoor liet hij zelfs zijn zoon adopteren door een keizerlijke prins, zodat deze kans maakte op de troon. Ook paste hij zijn levensstijl aan: hij liet imposante gebouwen bouwen[6], organiseerde weelderige feesten etc.[7] Rond 1401 kreeg hij van de Chinese keizer de titel van "koning van Japan" – wat hem nog meer prestige in Japan opleverde – nadat hij officiële betrekkingen aangeknoopt had met het Chinese hof. Maar net voor zijn plannen gelukt leken te zijn, overleed Yoshimitsu.

De reden waarom deze keizerlijke status zo belangrijk was, is omdat het samensmelten van het bakufu met het keizershuis de enige manier was om de macht van dat bakufu een rotsvaste fundering te geven.

De eerste volksopstanden: Dō-ikki

Vanaf het tweede deel van de veertiende eeuw ontwikkelde zich in elk dorp (mura) onder leiding van de kokujin en de bovenlaag van de myōshu-boeren verbanden (), die uitgroeiden tot nog grotere verbanden vanaf de vijftiende eeuw. Naast hun economisch doel stonden deze ook in voor de zelfverdediging. Er vormden zich land-samurai (jizamurai) die georganiseerd waren per regio (; ook: dō-ikki). Wegens verschillende gebeurtenissen ging het volk zich meer en meer aansluiten bij deze groepen; deze situatie liep zo uit de hand, dat er sprake was van de allereerste volksopstanden, beter bekend als dō-ikki (ook: tsuchi-ikki). Deze opstanden waren gericht tegen het systeem waartoe het bakufu behoorde.

Door deze volksopstanden verergerde ook de situatie aan de top. In 1416 ontstond er een opstand in de Kantō-regio, geleid door Ashikaga Yoshitsugu (足利義嗣) - de jongere broer van de shōgun Yoshimochi – waar vele belangrijke shugo-daimyō van die regio zich bij aansloten. Uiteindelijk slaagde het bakufu erin deze opstand te onderdrukken, maar niet veel later zette Mochiuji een samenzwering op om Yoshimochi te vermoorden. Dit lukte echter niet. Yoshinori (義教), ondertussen twee shōguns later, kreeg meer and meer macht. Hij negeerde in grotere mate het systeem van sankan shishiki, maar kon trouwens niet anders doordat de dō-ikki werden gebruikt door de anti-Bakufu-krachten. Uiteindelijk vergrootte dit alleen nog meer de vervreemding van de machtige shugo-daimyō ten aanzien van de shōgun. In verschillende plaatsen groeide de macht van de shugo-daimyō, en keerden zij zich van het bakufu af.

Hierdoor ontstonden er opnieuw opstanden van boeren en voermannen, en het werd vrijwel onmogelijk voor de shugo en ryōshu om de controle te handhaven, zeker wanneer steeds meer soldaten de kant van de dō-ikki kozen. Als klap op de vuurpijl versloegen de dō-ikki in 1454 en 1457 het leger van het Bakufu en de huurlingen van de lommerds.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1416: opstand Kantō-regio door Ashikaga Yoshitsugu
  • 1425: Grote hongersnood en plaag
  • 1428: Ikki vallen Kyōto binnen en eisen vrijstelling schulden
  • 1438: Mochiuji rebelleert
  • 1439: Zelfmoord Mochiuji
  • 1441: Dō-ikki opstand in Kyōto; Tokusei (徳政) edict
  • 1454: Ikki vallen Kyōto binnen en verslagen leger Bakufu
  • 1457: Ikki vallen Kyōto binnen en verslagen leger Bakufu
  • 1459: Boerenliga's in het westen vallen Kyōto binnen

De Ōnin-oorlog

Kyōto tijdens de Ōnin-oorlog.

De Ōnin-oorlog, die duurde van 1467 tot 1477, speelde zich af in de stad Kyōto en herleidde de stad tot een puinhoop. Oorspronkelijk werden boeren en arme stedelingen ingehuurd om de stad te plunderen in de plaats van soldij, maar na enkele jaren verloren beide partijen hun oorspronkelijke doelstellingen uit het oog en de oorlog groeide uit tot een soort stadsguerilla. Uiteindelijk stopte de strijd na elf jaar, toen er niets meer overbleef van de hoofdstad.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1443-1466: Aanleidingen oorlog
  • 1466: Yamana en Hosokawa verzamelen troepen bij Kyōto
  • 1467: Yamana wordt aanschouwd als rebel
  • 1468: Yoshimi kiest kant Yamana
  • 1477: Ouchi-clan verlaat Kyōto

Dō-ikki en kuni-ikki

De eerste shōgun, Ashikaga Takauji, slaagde er niet in een solide centrale controle op te zetten. De derde shōgun Yoshimitsu – Takauji’s kleinzoon – kon van Japan een tijdje één geheel maken, maar zijn opvolgers faalden. De zesde shōgun, Yoshinori, werd vermoord door een van zijn eigen vazallen. De achtste shōgun, Yoshimasa, trok zich terug in zijn villa aan de voet van het oostelijke gebergte (Higashiyama), die bekend is als het Zilveren Paviljoen (銀閣, Ginkaku), terwijl de landheren met elkaar vochten in de straten van Kyōto. Tenslotte was het shōgunaat na de Ōnin-oorlog machteloos, en dit resulteerde in een hele eeuw van oorlog.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1462: Grote ikki onder krijgersleiderschap vallen Kyōto binnen
  • 1471: Ikkō-ikki versterkt positie in het noorden
  • 1480: Grootste post-Onin ikki
  • 1485: Kokujin-opstand (kuni-ikki) van Yamashiro
  • 1486: Boeren en stedelingen eisen schuldenamnestie
  • 1488: Ikkō ikki neemt controle over de Kaga-provincie
  • 1489: Bouw nieuwe tolkantoren
  • 1495: Ikki vallen stedelingen aan
  • 1499: Ikki vallen Kyōto binnen
  • 1508: Ikki vallen leenheren aan in Shimogyō
  • 1520: Ikki van Kyōto vallen stad aan
  • 1531: Asakura Norikage verslaat Ikkō ikki

Gekōkujō (下剋上)

Als gevolg van de elf jaar durende oorlog begonnen steeds meer vazallen zich te verzetten tegen hun leenheer, maar werden ook zelf het slachtoffer van verzet van hun cliënten. Het shōgunaat had bijna al zijn invloed verloren op de daimyō, en er was geen rol meer weggelegd voor het keizerlijk hof. Met andere woorden: de lagere klasse stelde zich boven de hogere klasse: vazallen leerden zich tegen hun heren, en boeren tegen hun landeigenaars. Een voorbeeld hiervan zijn de tolkantoren die in 1489 gebouwd werden, maar door het rebellerende volk werden vernietigd.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1485: Kokujin-opstand (kuni-ikki) van Yamashiro
  • 1486: Boeren en stedelingen eisen schuldenamnestie
  • 1488: Ikkō ikki neemt controle over de Kaga-provincie
  • 1489: Bouw nieuwe tolkantoren
  • 1490: Dood Yoshimasa; Ashikaga Yoshitane wordt shōgun
  • 1495: Ikki vallen stedelingen aan
  • 1499: Ikki vallen Kyōto binnen
  • 1508: Ikki vallen leenheren aan in Shimogyō
  • 1511: Yamashiro-leger blokkeert stadstoegangen
  • 1520: Ikki van Kyōto vallen stad aan
  • 1531: Asakura Norikage verslaat Ikkō ikki

Kuni-ikki van Yamashiro

Deze kokujin (国人)-opstand begon eind 1485 en speelde zich af te Yamashiro, waar rivaliserende facties van de Hatakeyama-clan (畠山氏, Hatakeyama-shi) hun onenigheden kwamen uitvechten. Al snel kwam er verzet van de kokujin samen met de boeren; deze eisten de terugtrekking van de facties en het herstel van het gebied, dat grotendeels vernield werd door voorgenoemde onenigheden. Na dit succesvol verzet deden de kokujin en de boeren aan zelfbestuur door middel van een eigen raad en uitvoerend orgaan (月行事, gachi-gyōji, ook: tsuki-gyōji), totdat de kokujin in dienst traden van de daimyō. Dit was de laatste grote ikki in de streek van Kinki.

Ikkō ikki (一向一揆)

Hoewel in de streek Kinki er geen grote ikki meer waren, barstte de strijd nu los in Hokuriku, Tōkai en Chūgoku. De gelovigen van de Ikkō-sekte, behorende tot de Honjanji-strekking van het Reine Land Boeddhisme, werden georganiseerd in congregaties (講, ) per regio, net zoals de in de Kinki-regio. Ze werden oorspronkelijk benut als gebeds- en bezinningskringen, maar ze konden evengoed als verzetskringen tegen de landheren gebruikt worden dankzij hun homogeniteit en hechtheid. Dit gebeurde in 1488, toen de sekte met een leger van 130 000 man in gewapende opstand kwam tegen de shugo Togashi Masachika. Masachika verloor, en hoewel een familielid tot shugo werd benoemd, waren het de kokujin die de macht hadden. Als gevolg hiervan bleef de provincie Kaga gedurende een eeuw “het bezit van boeren” (百姓持, hyakushō-mochi).

De sengoku-daimyō die erin geslaagd waren deze kokujin aan zich te binden groeiden hiermee uit tot machtige feodale heren. De landheren die hier niet in slaagden, gingen ten onder aan hun innerlijke verdeeldheid.

Impact op de economie

Door de menige oorlogen was er een grote vraag naar wapenuitrusting en andere basisbehoeften. Dit bevorderde de landbouwproductie, de handel en de marktactiviteiten. De situatie voor de boeren verbeterde, waardoor de landbouwproductie steeg. De handelscontacten met het buitenland waren een goudmijn voor de handelaars, en noem maar op. Dankzij voorgenoemde gebeurtenissen, de invoering van het muntstelsel en de stedelijke ontwikkelingen verkreeg men tijdens de Muromachi-periode een hele resem aan nieuwe economische en commerciële impulsen.

Handel

Het Muromachi-shōgunaat had geen sterke op grond gevestigde basis. Om zich van belastingsinkomsten te verzekeren, richtten ze zich op de handel met het buitenland en het bevorderen van de binnenlandse handel.

Een grote stimulans voor de handel waren eerst en vooral de oorlogsperioden. Groothandelaars (問屋, tonya) waren immers nodig om de omvangrijke legers te voorzien van wapens, wapenschilden, harnassen en paarden. Er moest proviand en kleding geleverd worden aan de soldaten, bouwmaterialen voor de versterking van kastelen, hout vor de bouw van bruggen en schepen, enz.

Het beleid van de sengoku-daimyō was een andere stimulans. Vroegere vestingsteden werden commerciële centra voor de omliggende domeinen naarmate daimyō de oude gilden negeerden en de voorkeur gaven aan plaatselijke handelaren, op wie ze gemakkelijker toezicht konden houden. De Rokkaku-familie uit Omi trachtte als een van de eersten het monopolie van het oude gilde op de markten te doorbreken en ze te openen voor nieuwe groepen van plaatselijke handelaren. Oda Nobunaga volgde dit voorbeeld in Azuchi. Door deze initiatieven werd het handelsverkeer volledig bevrijd van de beperkingen onder het shōen-systeem.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1369: Eerste missie van Ming China arriveert in Kyushu
  • 1401: Herstel relatie Ming China
  • 1403: Begin formele relaties China - Ashikaga shōgunaat
  • 1405: Gelicencieerde handel met China begint
  • 1411: Yoshimochi verbreekt handelsrelaties met China
  • 1425: Grote hongersnood en plaag
  • 1432: Opnieuw handel met China
  • 1500: Chinese zeeën geteisterd door piraterij
  • 1523: Officiële handel met China tijdelijk opgeschort
  • 1545: Japanse piraten doen grote invallen op de Chinese kust
  • 1548: Laatste officiële handelsreis naar Ming China

Shōen (荘園 of 庄園)

Een van de langdurige economische en sociale veranderingen was de gestage afbrokkeling van de shōen. Het toezicht dat eerder, door aristocraten of tempels, hierop gehouden werd, werd ondermijnd door de clans van krijgslieden die binnen, of aan de rand van shōen woonden. Dit verval begon in de Kamakura-periode. De oorlogen in het midden van de veertiende en de late vijftiende eeuw veroorzaakten een verdere versnippering van shōen, naarmate provinciale beschermers (shugo), plaatselijke krijgers en sengoku daimyō, allemaal trachtten zich meester te maken van gronden in hun gewest, waarvan de eigenaar elders zijn domicilie had. De greep van aristocraten en tempels op shōen verslapte, en daardoor konden boeren en handwerkslieden meer marktgericht produceren.

De rol van China

Handelsschip van 1538

Ook al had Takauji tijdens zijn regeerperiode al Tenryūji-bune (天竜寺船, letterlijk: schepen voor de tempel Tenryūji) naar China gestuurd, toch zou het tot 1401 duren vooraleer de handel zou uitgroeien tot meer dan een privé-aangelegenheid, toen Yoshimitsu akkoord ging met het voorstel om tribuutrelaties met het Chinese hof aan te knopen. Alleen schepen die een officieel certificaat (勘合符, kangō-fu) gegeven was, mochten handel drijven.[8] Deze "certificatie-schepen" (勘合船, kangō-sen) hoefden geen Chinese invoerrechten te betalen, en alle andere kosten die te maken hadden met hun verblijf in China viel ten laste van de Chinese overheid. De tegengeschenken[9] van het Chinese hof en de handel met het land zorgden voor een winst dat vijf à zes maal hoger was dan de oorspronkelijke kostprijs.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1350: Japanse piraten aan Chinese kust
  • 1369: Eerste missie van Ming China arriveert in Kyushu
  • 1401: Herstel relatie Ming China
  • 1402: Yoshimitsu onderdrukt piraterij
  • 1403: Begin formele relaties China - Ashikaga shōgunaat
  • 1405: Gelicencieerde handel met China begint
  • 1411: Yoshimochi verbreekt handelsrelaties met China
  • 1432: Opnieuw handel met China
  • 1500: Chinese zeeën geteisterd door piraterij
  • 1523: Officiële handel met China tijdelijk opgeschort
  • 1545: Japanse piraten doen grote invallen op de Chinese kust
  • 1548: Laatste officiële handelsreis naar Ming China

Belastingen

Doordat het bakufu te weinig jaarlijkse inkomsten binnen rijfde van de officiële bijdrage van de politiecommissaris (御公納役, go-kōnōyaku), heften ze vanaf 1371 een buitengewone belasting op sake-brouwers en lommerds (土倉, dosō) in en rond Kyōto, die in 1393 permanent werd en één van de belangrijkste inkomstenbronnen was voor het bakufu.

Piraterij

Handel en piraterij

In de schaduw van de officiële handelsmissies naar China bewogen zich de zogenaamde Japanse piraten (倭寇, wakō)[10] die door de regeringsautoriteiten in Korea, China en Japan aanzien werden als plunderaars en gijzelaars. Deze "inventieve handelaars" waren moeilijk in toom te houden omdat veel Chinese kooplui ermee handel dreven, en ze dus geen problemen hadden om afnemers te vinden. Als oplossing hiervoor koos de Chinese overheid om diplomatieke betrekkingen met Japan aan te gaan (zie vorige) waarin gevraagd werd om dit probleem onder controle te houden.

Toen er vanaf 1549 geen certificatieschepen meer vaarden en de Chinese controle op de handel strakker werd, kozen ook de Chinezen voor piraterij. Als ultieme maatregel in China verbood de Chinese overheid alle handel met Japan. In Japan zelf werd weinig gedaan om de piraterij te stoppen, totdat Hideyoshi (秀吉) in 1580 hiertegen edicten begon uit te vaardigen.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1350: Japanse piraten aan Chinese kust
  • 1402: Yoshimitsu onderdrukt piraterij
  • 1405: Gelicencieerde handel met China begint
  • 1411: Yoshimochi verbreekt handelsrelaties met China
  • 1432: Opnieuw handel met China
  • 1500: Chinese zeeën geteisterd door piraterij
  • 1523: Officiële handel met China tijdelijk opgeschort
  • 1545: Japanse piraten doen grote invallen op de Chinese kust
  • 1548: Laatste officiële handelsreis naar Ming China

Vrijere binnenlandse handel

Terwijl de controle op de handel steeds meer aftakelde, begonnen ook de landheren hun grip te verliezen, en ontstonden er her en der zelfstandige kleine handelaars en leerjongens. Deze werden gesteund door de sengoku-daimyō, omdat deze uit de situatie profijt konden halen: hoe minder de landheren zelf controle hadden over hun land en ondergeschikten, hoe groter hun macht werd.

Landbouw

Tijdens de twee eeuwen vanaf de val van het Kamakura-bakufu tot de opdeling van het land onder de sengoku-daimyō gingen kleine zelfstandige boeren zich per regio groeperen en ontwikkelden zich grote feodale territoria. Deze groeperingen en grotere oppervlaktes zorgden ervoor dat de productie kon toenemen en dat goederen over grotere afstanden konden verhandeld worden.

Tijdens de Muromachi-era verbeterde ook de landbouwtechniek[11] en de bedrijfsvoering: het gebruik van trekdieren werd steeds populairder en twee, zelfs drie oogsten per jaar waren geen uitzondering meer. Hierdoor werd het mogelijk om verschillende variëteiten van rijst te kweken, aangepast aan de omstandigheden. Men ging het land bemesten met groenbemesting, en bevloeiing werd voortaan door middel van een waterrad gedaan.

Omwille van de oorlogen en de algemeen verbeterde levensstandaard van het gewone volk, nam de vraag naar landbouwgereedschap, huisraad, zwaarden enz. enorm toe, waardoor smeden en ijzergieters evolueerden naar zelfstandige ambachtslieden. Hetzelfde gebeurde met andere ambachten.

Belastingen

Naast belastingen gericht aan de sakebrouwers (zie vorige), werden er door Yoriyuki ook taksen op land (段銭, tansen) en op huishoudens (棟別銭, munabechisen) ingevoerd. Ze werden geïnd door de commissaris[12] en in natura geheven.

Valuta

De economie floreerde door het toenemende gebruik van munten. In de late dertiende eeuw importeerde men koperen munten uit China. Tot Hideyoshi gouden munten begon te slaan, gaven Japanse heersers er de voorkeur aan munten uit China te importeren in plaats van zelf geld te vervaardigen. Hoewel de aanvoer van goede munten daardoor beperkt bleef, kreeg geld als ruilmiddel bij transacties een steeds belangrijker rol. Belastingen werden in toenemende mate in geld voldaan en geldleningen aan kooplieden, sakebrouwers en tempels werden een facet van het dagelijkse leven.

Sakebrouwers als geldschieters

Standbeeld van de Jezuïet Franciscus Xaverius (in het midden).

Door de stijging van de handel, het gebruik van valuta en de groeiende vraag naar sake (酒) in de steden, maakten de sake-brouwers enorme winsten, die ze konden investeren in nevenactiviteiten, zoals geld lenen (waar enorme vraag naar was). Hierdoor werd het sake brouwen erg belangrijk voor de Muromachi-economie. De eliteklasse beschouwden hen als een betrouwbare en overvloedige bron van belastingsinkomsten; dit verklaart waarom Yoriyuki taksen op de sake brouwen invoerde (zie vorige).

Naast de sakebrouwers waren er nog andere geldleners. De meeste van hen waren echter individuen met een kleine leencapaciteit (wat in schril contrast stond met de sakebrouwers, die talrijk en machtig waren). Gozan Zen-kloosters hielden zich ook intensief bezig met het geld verlenen aan lage intrestvoet en met bescherming van het shōgunaat.

Internationale betrekkingen: het Westen

De Japanners ontdekten voor het eerst de westerse beschaving in de zestiende eeuw. De aankomst van de Portugezen op het eiland Tanegashima (種子島) had een grote impact op de oorlogsvoering, doordat ze het gebruik en de fabricage van vuurwapens en buskruit introduceerden. Ook de missionarissen hadden de eilandengroep Japan ontdekt: De eerste was de Jezuïet Franciscus Xaverius, die in 1549 voet aan wal zette in Kagoshima. Hierna volgden vele priesters (バテレン・伴天連, bateren) en broeders (イルマン・伊留満, iruman). Voor de daimyō waren de handelsrelaties met de Portugezen van groot belang; daarom lieten ze prediking en bekering binnen hun territorium toe, en sommigen bekeerden zich zelf.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1542: Portugezen introduceren vuurwapens
  • 1549: Frances Xavier arriveert te Kagoshima
  • 1559: Vader Vilela arriveert te Kyōto
  • 1564: Vader Frois arriveert te Kyōto
  • 1569: Frois in audiëntie bij Nobunaga
  • 1570: Eerste Japanse Jezuïeten

Impact op de bevolking

Algemeen

De Muromachi-bevolking, die dikwijls getroffen werden door dodelijke epidemieën, natuurrampen, oproer en burgeroorlog, hadden behoefte aan vrede en politieke stabiliteit. Uit de burgeroorlogen van de veertiende en vijftiende eeuw ontstond de stuwkracht naar eenwording en het zoeken naar hernieuwde politieke stabiliteit die tot uiting kwam in het evenwicht dat de Tokugawa-periode, aan het begin van de zeventiende eeuw inluidde.

Sociale klassen

Door de steeds veranderende politieke situatie en de opeenvolging van oorlogen, ontstonden er nieuwe sociale klassen. Tevens werden er nieuwe patronen van landbezit gevormd als resultaat van de afbrokkeling van het shōen-systeem.

De Muromachi-periode kan beschouwd worden als het tijdperk van de krijgsman. Ridderlijke waarden kwamen naar voren, en een martiale levenswijze kreeg vorm. Nadat de positie van de adel steeds verslechterde, kwam de echte macht in de provincies in handen van de kokujin en daarna van de sengoku-daimyō.

Aristocratie

Voor de tiende eeuw was de Japanse gemeenschap vooral aristocratisch getint: behalve monniken en nonnen, van wie velen uit de aristocratische families afkomstig waren, monopoliseerden de aristocratie de politieke, intellectuele en literaire vaardigheden in de maatschappij.Dit overwicht van de aristocratie werd echter kleiner door de opkomst van de Japanse krijgslieden, en later de kooplieden en de burgers.

Hoewel de politieke rol van het hof sterk verminderd was – en de hofhouding er economische gezien slecht voor stond – behield het zijn culturele superioriteit.Verscheidene keizers verwierven zich een reputatie als geleerde, dichter en kunstbeschermer. In de middeleeuwse tijd werd de hoftraditie op het gebied van de literaire kunsten wellicht het best vertegenwoordigd door kalligrafie en Japanse poëzie, vooral in de korte gedichten, de zogenaamde tanka (短歌).

Krijgslieden

Krijgslieden in 1538

Door de opeenvolgende oorlogen die de Muromachi-periode teisterden, was er nood aan een groot staand leger. De individuele ruiters verloren aan belang, en in de plaats werd voetvolk en beroepssoldaten ingezet. Bushi bemoeiden zich niet meer met agrarische bezigheden, maar gingen zich in de plaats daarvan vestigen aan de voet van het kasteel van een daimyō.

Naarmate de politieke macht van de bushi groeide kregen zij een toonaangevende rol op maatschappelijk en cultureel gebied. Aan de ene kant waren bushi beoefenaars van de krijgskunst (bōe). Anderzijds moesten zij zich de kunst van het regeren en plaatselijk besturen eigen maken, wat een zeker mate van geletterdheid en geleerdheid (bōen) vereiste. Bovendien hadden zij hun eigen geestelijke en culturele aspiraties, die sterk afweken van wat gebruikelijk was bij de hofaristocratie. Lang niet alle krijgsheren waren geletterd, want gedurende de oorlogstijd beschikten de meeste plattelands-bushi niet over de tijd om aan de normen van dit ideaal te voldoen, al gold dit laatste niet voor de bushi-elite. Kennisoverdrachten door hovelingen en monniken maakten de Hojo-regenten, de Ashikaga-shōguns en sengoku-krijgsheren zoals de Ouchi en Hosokawa, zowel vertolkers en beschermheren van de kunsten van de vrede, als studenten in de krijgskunst.

Evolutie van de belangrijkste Muromachi-families Op deze drie kaarten zijn de belangrijkste daimyō-huizen aangegeven die betrokken waren bij de politieke twisten van het einde van de vijftiende tot het midden van de zestiende eeuw. De bovenste kaart geeft de belangrijkste shugo daimyō-domeinen bij het begin van de Ōnin-oorlog. Op de twee onderste kaarten zien we de belangrijkste daimyō in 1560, het jaar waarin Oda Nobunaga met zijn verovering van Japan begon, en in 1572, toen hij zich in Kyōto gevestigd had.

Boeren

‘’Bushi’’ vormden niet de enige opkomende groep. Kooplieden, handwerklieden en kleine boeren traden ook meer in het licht. Vooral door het ontstaan van de dorpsgemeenschap[13] werden boeren actieve deelnemers in de politiek. Maar ook al verstevigden ze door de dorpsgemeenschap hun politieke inbreng, toch bestonden er nog altijd verschillen betreffende hun economische inbreng en hun status. Zo kregen landheren steun van landbouwleiders door hen speciale rechten te geven, zoals een belastingscontract, om zo de eenheid van de gemeenschap te verzwakken.

Door deze verschillen ontstonden er landbouwopstanden over onderwerpen als de reductie van taksen en corvee. Uiteindelijk liepen deze opstanden zo uit de hand dat er geweld gebruikt werd; dit waren de beruchte ikki. Hoe frequenter deze ikki voorkwamen, hoe sterker de eenheid binnen de dorpsgemeenschap werd. Maar deze interne eenheid zorgde er ook voor dat het moeilijk werd om de krachten van verschillende dorpsgemeenschappen te bundelen over grotere oppervlaktes. Daarom bleven de meeste redelijk klein en geïsoleerd. Toch gebeurde het soms dat er een succesvolle dorpsfederatie ontstond, zoals bijvoorbeeld de grootschalige dō-ikki van Kyōto.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1425: Grote hongersnood en plaag
  • 1428: Ikki vallen Kyōto binnen en eisen vrijstelling schulden
  • 1454: Ikki vallen Kyōto binnen en verslagen leger Bakufu
  • 1457: Ikki vallen Kyōto binnen en verslagen leger Bakufu
  • 1459: Boerenliga's in het westen vallen Kyōto binnen
  • 1462: Grote ikki onder krijgersleiderschap vallen Kyōto binnen
  • 1471: Ikkō-ikki versterkt positie in het noorden
  • 1480: Grootste post-Onin ikki
  • 1486: Boeren en stedelingen eisen schuldenamnestie
  • 1488: Ikkō ikki neemt controle over de Kaga-provincie
  • 1489: Bouw nieuwe tolkantoren
  • 1495: Ikki vallen stedelingen aan
  • 1499: Ikki vallen Kyōto binnen
  • 1508: Ikki vallen leenheren aan in Shimogyō
  • 1520: Ikki van Kyōto vallen stad aan

Impact op de cultuur

In tegenstelling tot de antiek periode, toen culturele activiteiten overwegend plaatsvonden binnen de hofaristocratie of boeddhistische tempels, was er in de Muromachi-periode culturele interesse bij zowel hovelingen als bij krijgslieden, monniken, kooplieden, zelfs bij het gewone volk. Hierdoor waren er voor elk genre van artistieke of literaire expressie zowel hoofse als volkse manifestaties:

  • De monochrome inktschilderijen die populair waren bij de hogere klasse kan vergeleken worden met de picturale kunst die voor alle bevolkingsgroepen bestonden en die gebruikt werden om religieuze preken uit te beelden of om simpelweg luchtige verhalen te vertellen.
  • De leer in sommige Zen-kloosters stond in contrast met de vrijere religieuze bewegingen die zowel de elite als de ongeletterden aanspraken.
  • Naast het verfijnde Nō-theater was ook de komische variant Kyōgen of de populaire gezongen ballades noemenswaardig.

Er waren weinig krijgsheren die niet op de een of andere manier hun politieke en militaire macht trachtten te versterken door belang te stellen in culturele nevenactiviteiten. Zij beschouwden zichzelf als de beschermers en beoefenaars van kunst. Tijdens de oorlogen in de late vijftiende en zestiende eeuw, maar ook voordien, toen Yoshimitsu hunkerde naar een keizerlijke status, heeft men zich beziggehouden met grote bouwprojecten in de stad, denk maar aan de Kinkaku-ji. Hideyoshi gaf opdracht voor de bouw van grootse kastelen en imposante schilderijen, hij verzamelde Chinese en Europese kunstwerken en liet Koreaanse pottenbakkers bij zijn gevolg inlijven. Hij was een voorbeeld van een veldheer in de rol van kunstbeschermer.

Doordat Japan opnieuw (handels)contacten had met het vasteland, bracht dit ook een sterke invloed van Chinese en Koreaanse cultuur met zich mee. Bovendien kwam Japan, door het binnendringen van de zuidelijke barbaren en door de christelijke missionarissen in de zestiende eeuw, voor het eerst in aanraking met de Europese cultuur.

Het hoeft niet te verwonderen dat deze veranderingen de grondslag zouden vormen van het moderne Japanse geestelijke en esthetische leven.

Enkele voorbeelden aangeduid op tijdlijn:

  • 1378: Bouw Hana no Gosho
  • 1397: Bouw Kinkaku-ji
  • 1457: Bouw Edo-kasteel door Ōta Dōkan
  • 1591: Eerste drukpers door de Jezuïeten

Kinkaku-ji (金閣寺) als voorbeeld

Yoshimitsu's “Gouden Paviljoen” en Yoshimasa's “Zilveren Paviljoen” belichaamden een nieuwe architectonische stijl, en bij uitbreiding een nieuwe levensstijl en cultuur. Beiden worden beschreven als een synthese van kuge-(公家) en bushi-(武士) cultuur. De benedenverdieping en de middenste verdieping van het Gouden Paviljoen zijn in de aristocratische shinden-zukuri-stijl (寝殿造) gebouwd, terwijl de bovenverdieping in de stijl van de Zen-tempels is, wat dan meer met de bushi-klasse geassocieerd wordt.

Nieuwe culturele activiteiten

De voornaamste beschermers van de elitaire kunst in de middeleeuwen waren leden van het keizerlijk hof, shōguns, machtige krijgsheren, boeddhistische tempels en shintō-heiligdommen. Ook kwam de stedelijke cultuur steeds meer tot ontwikkeling in steden als Kyōto en Sakai. Daarnaast was er een levendige volkscultuur die door rondtrekkende minstreels, priesters, sarukagu-dansers en rollezangers vaak mondeling werd overgedragen aan steden en dorpen. Aan het einde van de veertiende en in de vijftiende eeuw werd de culturele norm in Kyōto bepaald door de Ashikaga-shōguns, vooral Yoshimitsu en Yoshimasa. In de provincie onderhielden daimyō-families met culturele belangstelling, zoals de Ouchi, Asakura en de Kikuchi, rondreizende monniken, nō-gezelschappen, theemeesters, schilders as Sesshu Tōjō (雪舟等楊, lett.: sneeuwboot) en dichters als Iio Sōgi (宗祇). Zowel de Ashikaga-school als de Kanazawa bibliotheek werd gesteund door provinciale krijgersfamilies. Zenkloosters in Kyōto, daimyō-families als de Ouchi, Kikuchi en Shimazu, alsmede monniken en kooplieden in Sakai gaven in blokdruk vervaardigde boeddhistische teksten, confucianistische klassieken en Chinese gedichten uit.

Impact op de religie

De periode tussen het midden van de zestiende en halverwege de zeventiende eeuw (1549-1639) wordt dikwijls de Christelijke eeuw genoemd. Tot Hideyoshi zich na 1580 keerde tegen de christelijke missie-inspanningen, leken miljoenen Japanners zich te bekeren tot het christendom, en de Rooms-Katholieke Kerk scheen haar macht in Japan sterk uit te breiden. Het begin van deze "Christelijke eeuw" begon in 1549 bij de aankomst van de Jezuïet Franciscus Xaverius in Kagoshima. Hierna volgden vele priesters (バテレン・伴天連, bateren) en broeders (イルマン・伊留満, iruman), die de daimyō wilden bekeren om dan onder diens officiële bescherming het hele volk voor het geloof te winnen, wat tot 1580 ook lukte.

Krijgslieden werden aanhanger en beschermer van de nieuwe takken van boeddhisme, vooral Zen, en verkregen via monniken kennis van zowel de wereldlijke als de boeddhistische cultuur van China.

Belangrijke data aangeduid op tijdlijn:

  • 1549: Frances Xavier arriveert te Kagoshima
  • 1559: Vader Vilela arriveert te Kyōto
  • 1564: Vader Frois arriveert te Kyōto
  • 1569: Frois in audiëntie bij Nobunaga
  • 1570: Eerste Japanse Jezuïeten
  • 1580: Ontstaan seminaries in Arima en Azuchi
  • 1582: Eerste missie naar Rome
  • 1587: Eerste edict tegen Jezuïeten
  • 1591: Eerste drukpers door de Jezuïeten
  • 1593: Aankomst Franciscaan Pedro Baptista
  • 1597: Eerste crucifix van christenen

Belangrijke kloosters in of dichtbij Kyōto gebouwd door de Ashikaga Shōguns

Graf van Ashikaga Takauji in de Tōji-in te Kyōto.
  • Tōji-in (等寺院) is een klooster van de Rinzai sekte van Zen, opgericht in 1342. Het was de begraafplaats van Takauji, die er begraven werd in 1358. Later werd het de collectieve begraafplaats van de Ashikaga shōguns. Het klooster is gelegen in het noordwesten van de stad. Het was verwoest in een brand, maar werd herbouwd door Yoshimasa in 1457.
  • Tōjiji(等持寺) Dit gebouw kon beschouwd worden als een gedenkplaats voor Takauji. Het was namelijk zijn Nijō-Takakura residentie die omgebouwd werd tot een Zen-klooster na zijn dood in 1358. Het klooster werd verwoest door een brand tijdens de Ōnin-oorlog, en werd niet meer herbouwd.
  • Tenryuji (天龍寺) Dit beroemde Zen-klooster was opgericht door Takauji en was een soort schrijn voor de ziel van Go-Daigo. Het was klaar in 1345 en zijn oppervlakte was bijna 100 are wijd. Gelegen ten noordoosten van Arashiyama, dichtbij het Saga-dorp, dit klooster werd gebouwd op de plaats waar ooit de Kameyama-dono had gestaan. Dit was het grootste klooster ten westen van Kyōto, en was rijkelijk versierd. Nadat het verschillende keren door brand verwoest geweest was, werd het op kleine schaap gerestaureerd met dank aan kleine giften van Hideyoshi.
  • Myōshinji (妙心寺) In 1355 verbouwde Hanazono een deel van zijn familieresidentie tot een kleine Zen-kapel. Het klooster was gelegen ten westen van Kyōto en ten noorden van Hanazono op de weg naar Saga. Het werd verwoest tijdens de Ōnin-oorlog en herbouwd in 1473. Het omvat een grote oppervlakte en bezit waardevolle kunstwerken en documenten van historisch belang.
Graf van Ashikaga Yoshimasa in Shōkokuji.
  • Shōkokuji(相國寺) Dit klooster van de Rinzai Zen-sekte werd opgericht door Yoshimitsu, en is gelegen ten noorden van Itsutsuji en ten oosten van Karasumaru. Het werd afgewerkt in 1394 en werd eenmaal herbouwd, om opnieuw verwoest te worden in 1425. Nadat het nieuwe gebouw compleet was in 1466, werd alles definitief verwoest tijdens de Ōnin-oorlog in 1467.
  • Rokuonji (鹿怨寺) Na Yoshimitsu’s dood werd het Kitayama-paleis omgevormd tot een Zen-klooster. Van alle gebouwen blijft er vandaag niets dan het Gouden Paviljoen of Kinkakuji over. Het ligt niet ver van Nishijin, waar het kamp van Yamana’s leger gesitueerd was tijdens de Ōnin-oorlog.
  • Jishōji (慈照寺) is de naam gegeven aan de vorstelijke villa van Yoshimasa aan de voet van de Higashiyama. Het was opgericht als Zen-klooster na zijn dood in 1490. Van alle gebouwen bleef enkel de Ginkaku of Zilveren Paviljoen overeind.

Referenties

  1. Vooral de Ashikaga-clan (足利氏, Ashikaga-shi) heeft een grote rol gespeeld tijdens de Muromachi-politiek.
  2. Het gewone volk heeft voor het eerst zijn stempel gedrukt op de Japanse geschiedenis door te participeren in volksopstanden (zie later).
  3. Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power, Leuven: Acco Leuven, 2007. - p.113
  4. Deze families waren in de zijlijn aan de Ashikaga verwant
  5. De post van shoshi kon enkel ingevuld worden door een lid van de Yamana, Akamatsu, Kyōgoku- of Issiki-clan.
  6. Als voorbeeld kan hier het "Bloemenpaleis" vermeld worden.
  7. Hij kleedde zich als een hoveling, leefde als een hoveling en nam zelfs de verchineeste titel Kubō (公方) aan.
  8. De Chinese certificaten werden gegeven aan het Bakufu, de Ōuchi- en Hosokawa-clans, de Tenryūji- en Shōkokuji (相国寺)-tempels en andere machtige shugo of religieuze instellingen.
  9. Deze bestonden uit een assortiment van zwaarden, zwavel, koper, waaiers etc. en overtroffen de waarde van het Japanse tribuut.
  10. In werkelijkheid waren deze "Japanse piraten" vaak van gemengde (Chinees-Japanse) afkomst.
  11. Doordat de boeren minder corvee moesten doen, bracht dit een grotere vrijheid met zich mee, ook al waren ze nog steeds onderworpen aan een landheer. Hij had dus meer tijd over, wat de productie en ontwikkeling ten goede kwam.
  12. Dit verklaart waarom de commissaris de landgoederen mocht binnenkomen.
  13. Het model was een soort “drie lagen” dorpsgemeenschap: 1. residentieheer; 2. landbouwerleiders; 3. gewone landbouwers. Deze vormden tezamen een politiek-economische eenheid.

Bronvermelding

Bronnen die gebruikt werden voor de informatie en de afbeeldingen in de tijdlijn, worden bij de tijdlijn vermeld.

Literaire bronnen

  • Bix, Herbert P. Peasant protest in Japan 1590-1884, New Haven: Yale University Press, 1986.
  • Breen, John en Williams, Mark. Japan and Christianity: impacts and responses, Basingstoke: Macmillan, 1996.
  • Colcutt, Martin en Jansen, Marius en Kumakura, Isao. Atlas van Japan, Amsterdam: Agon, 1988
  • Gay, Suzanne Marie. The moneylenders of late medieval Kyōto, Honolulu: University of Hawaii Press, 2001.
  • Hall, John W. en Toyoda, Takeshi. Japan in the Muromachi age, Berkeley: University of California Press, 1977.
  • Sansom, George Bailey. A history of Japan 1334-1615, Folkestone: Dawson, 1978.
  • Special exhibition : art of the Muromachi period, Tokyo: Tokyo National museum, 1989
  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power, Leuven: Acco Leuven, 2007.

Elektronische bronnen