Mongoolse oorlogsvoering

Uit GeschiedenisJapan

Mongoolse militaire organisatie

De manier waarop het Mongoolse leger te werk diende te gaan was aan duidelijke regels gebonden die waren beschreven in de Yasa, de wet van Dzjengis Khan, ook wel de grootste der Mongoolse khans genoemd. Dzjengis organiseerde de Mongoolse militaire groepen in veelvouden van tien

  • 10 (arban)
  • 100 (zuun)
  • 1000 (myangan)
  • 10.000 (tumen)

Elke groep militairen had een specifieke leider. Hoe groter de groep was hoe hoger de rang van de betreffende commandant. Deze bevelstructuur bleek hoogst efficiënt te zijn en stond het Mongoolse leger toe om zowel in grote als in kleinere groepen aan te vallen of te omsingelen. In kleine groepen kon een vluchtend en gebroken leger gemakkelijk ontwapend worden. Elke eenheidsleider was verantwoordelijk voor de voorbereiding van zijn militairen; hij werd ontslagen als hij daarvoor ongeschikt bleek te zijn. Het Mongoolse leger bestond uit colonnen, die gewoonlijk drie afzonderlijke afdelingen (meestal 3 tumen: afdelingen van 10.000 man) omvatten. Zo konden de twee zijafdelingen van de centrumcolonne divergeren wanneer daartoe behoefte was. De flankcolonnen gingen vaak naar naburige gebieden. Het gebruik van deze zijafdelingen werkte effectief om kennis van de tegenstanders te verzamelen en kleinere groepen te elimineren. Deze flankcolonnen hadden boodschappers die hun kennis constant doorgaven aan de moedercolonne. Soms werden tegenstanders die zich overgaven geabsorbeerd in het leger en dienden ze als menselijke schilden. De militaire filosofie bestond erin tegenstanders met het minste risico op nederlagen aan te vallen. Het Mongoolse leger kon het zich niet veroorloven mensen te verliezen, daar zij in vergelijking met hun tegenstanders vaak minder in aantal waren. Vóór elke invasie van een gebied troffen de khan en zijn generaals uitgebreide voorbereidingen in Kurultai. Daar werd besloten hoe de aanstaande oorlog moest geleid worden en welke generaals gingen deelnemen. Zij beslisten hoeveel eenheden moesten worden ingezet. Ter zelfde tijd probeerden ze een inzicht te krijgen in de kennis van hun tegenstanders. Dankzij de mobiliteit van het Mongoolse legers kon een complex kennisnetwerk uitgebouwd worden. De kennis kon vlug in alle hoeken van het Mongoolse rijk worden verspreid. Tijdens de voorbereiding van de oorlog werden verkenners uitgestuurd in de vier windrichtingen om de mogelijke activiteit van de vijand op te sporen. Militairen konden tot 300 km overbruggen in één of twee dagen, hetgeen in die tijd heel ongewoon was.

Mongoolse troeven

Flexibiliteit

Het Mongoolse leger was zeer flexibel mede dankzij het uithoudingsvermogen van zijn militairen. Elke Mongoolse strijder had twee à vijf paarden, wat hem toestond om dagenlang te galopperen zonder ophouden. Hij kon ook dagen leven van uitsluitend het bloed van zijn paard, maar meestal dronk hij de gegiste melk van een merrie. In zware tijden werd droog jakkenvlees gegeten. Bij het integreren van nieuwe militairen, verdeelde men de nieuwelingen onder verschillende leiders om clanvorming te voorkomen. Slechts door uit te blinken op het slagveld konden militairen tot een hogere rang worden bevorderd. In alle campagnes namen de militairen hun families mee.

Cavalerie

De Mongoolse cavalerie had een zeer lichte uitrusting. Ook mede daardoor was het leger zeer mobiel hetgeen hen toeliet vlug aan te vallen en zich snel terug te trekken. Eén van de gebruikte technieken was het in scène zetten van de terugtocht tijdens een veldslag. Dit gaf de tegenstanders de indruk dat de Mongolen zich overgaven. Wanneer zij zich dan terugtrokken, sloegen de Mongolen met een verrassingsaanval toe. Een andere tactiek was het aanvallen met twee afdelingen en als de vijand dan tot stilstand gebracht was drie andere afdelingen op de vijand in laten rijden.

De boog Lange-afstandsgevechten maakten een belangrijk deel uit van de Mongoolse oorlogstactiek. Hun superieure boogschutterstechniek kwam hierbij goed van pas. Zo werd hen aangeleerd de pijlen af te vuren op het ogenblik dat hun paarden de grond niet raakten. Op die manier was de trefzekerheid groter. De Mongoolse leiders gebruikten vlaggen en hoorns om de strategieën door te geven aan de soldaten. Het belangrijkste wapen van de Mongoolse militair was de dubbel-recursieve boog. Deze had een grotere reikwijdte dan andere bogen uit de 12e en 13e eeuw. Iedere soldaat had twee bogen bij zich één boog om vanaf het paard mee te schieten en de andere om vanaf de grond mee te schieten. De boog waarmee je van de grond af schoot, schoot verder dan alle andere bogen. Hij had zelfs een groter bereik dan de meeste vuurwapens, tot in 1860 een nieuwe generatie vuurwapens het daglicht te zien kreeg.

Buskruit

De Chinezen kenden al explosieve mengsels, maar de Mongolen zouden de eersten zijn geweest die Buskruit in de praktijk hadden toegepast bij de belegering van de stad Kaifeng in 1232. De Mongolen beschikten eveneens over explosieven die werden geworpen, of vanuit een batterij katapulten naar de vijand werden afgeschoten. Het gebruik van explosieven werd niet gespaard tijdens de Mongoolse invasies van Japan.

Het zwaard

Het Mongoolse zwaard was gebogen, licht en uiterst efficiënt in vergelijking met de Europese lange en zware zwaarden. Naast zijn 2 bogen en zijn zwaard had een mongoolse strijder ook een lans en een strijdbijl. De Mongoolse stijl van strijden was gebaseerd op de manier van leven op de steppe. Eerst op afstand aanvallen met bogen en als de vijand in verwarring was gebracht aanvallen met zwaarden, lansen en bijlen. De Mongolen maakte veel gebruik van verrassing en snelheid. Zij waren gewend te reizen in grote snelheid over lange afstanden met weinig bagage.

Psychologische oorlogsvoering

De mongolen pastten met succes psychologische oorlogvoering toe, waarbij het verspreiden van angst een belangrijke factor was. Waar weerstand geboden werd tegen zijn leger, boden de Mongolen de steden of dorpen, in ruil voor loyaliteit, hun diensten aan. Werd het aanbod geweigerd dan werd aangevallen. Telkens liet ze een paar burgers ontsnappen zodat zij het verhaal van hun verlies op andere plaatsen konden doen. Wanneer eenmaal het gerucht ging dat de Mongolen iedere weerstand aankonden, werd het veel moeilijker mensen te overtuigen tegen hem te strijden. Steden die zich overgaven werden gespaard en ze waarborgden de bescherming van de inwoners. De steden die zich verzetten werden uitgemoord.


Terug naar Mongoolse invasies van Japan