Mongoolse invasies van Japan

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

In 1274 en 1281 zal het machtige Mongoolse rijk, onder Kublai Khan, twee pogingen ondernemen om Japan binnen te vallen en onder Mongools bewind te plaatsen. Deze twee pogingen mislukken echter, en zullen samen met de Amerikaanse invasie tijdens WOII, de enige echte bedreigingen voor Japan vormen in heel haar geschiedenis.

Japanse aanvallen op Mongoolse schepen. Moko Shurai Ekotoba (蒙古襲来絵詞)


Aanleiding

De Mongolen, overtuigd van hun eigen superioriteit, en dus van mening dat alleen hun volk rechtmatige eigenaars van de wereld waren, lieten hun aandacht vallen op de het land van de rijzende zon. Kublai Khan hoopte van Japan een vazalstaat te maken, en stuurde gezanten naar het Japanse hof die de onderwerping van Japan aan het Mongoolse volk eisten. De keizer, en de aristocratie, wilden zeker het grote Mongoolse rijk niet provoceren, en zouden hebben toegegeven aan Kublai's eisen. Het Bakufu daarentegen, onder Hōjō Tokimune, de echte machthebber in Japan, wou hiervan niets weten, en stuurde de gezanten terug naar hun leider met telkens de zelfde boodschap. Kublai, in zijn eer gekrenkt, gaf uiteindelijk het signaal om de Mongoolse furie op Japan los te laten, en om iets te doen wat nog nooit iemand eerder had geprobeerd, de invasie van Japan.

Mongolen

Kublai Khan Copyright Verlopen

Kublai Khan

Kublai Khan, geboren op 23 september 1215, was de Mongoolse militaire leider die het startsignaal zou geven voor de invasies van Japan. Hij was de vijfde grote Khan van het Mongoolse rijk, en regeerde als Khan van 5 mei 1260 tot 17 december 1271. Op 18 december 1271 kroonde hij zichzelf als eerste keizer van de door hem gestichte Chinese Yuan Dynastie. Zijn regeerperiode als keizer zou nog duren tot aan zijn dood in 18 februari 1294. Kublai Khan was de zoon van Tolui en Sorghaghtani Beki, en was tevens de kleinzoon van Dzjengis Khan. Möngke, zijn broer, ging hem vooraf als Khan, en Kublai was tot zijn opvolging gouverneur van een provincie in Noord-China.

Japanners

Hōjō Tokimune

Hōjō Tokimune (北条 時宗, 1251 - 1284) was de 8ste shikken (regent) van het Kamakura shogunaat, en leidde de Japanse troepen tijdens de Mongoolse invasies in 1274 en 1281. Hij was de oudste zoon van de regent Tokiyori, en werd al op 18de leeftijd shikken. Hij was het die het Zen Boeddhisme, tijdens zijn regeerperiode (1268 - 1284) voedingsbodem had gegeven in Kamakura, en later in Kyōto. Uiteindelijk zal met behulp van zijn steun doorheen heel Japan, vooral onder de strijdersklassen, het Zen-Boeddhisme verspreid worden.

Anekdote

Toen de Mongolen Japan binnenvielen ging Tokimune naar zijn Zen-leraar Bukko en zei:

"Eindelijk! Hierop heb ik zitten wachten!"

Bukko vroeg hem toen:

"Hoe denk je dit aan te pakken?"

Hierop schreeuwde Tokimune:

"Katsu!" ("De overwinning!")

Het was alsof de vijand voor hem stond en hij hem probeerde weg te jagen.

Bukko antwoordde hier tevreden op:

"Het is waar, dat de zoon van een leeuw, brult als een leeuw."

De slag van Bun'ei

Gebruik van buskruit tijdens de slag van Bun'ei. Moko Shurai Ekotoba (蒙古襲来絵詞), circa 1293.

In 1274(1) werd het startsignaal gegeven voor de eerste invasie van Japan . Een vloot van 300 grotere, en 400 tot 500 kleinere schepen voer uit richting Japan, met in totaal een troepenmacht van ongeveer 23000 strijders waarvan 15000 Mongoolse en Chinese soldaten, en 8000 Koreaanse strijdkrachten. Zonder veel moeite liepen ze de eilanden van Tsushima (対馬), gelegen in de Straat van Korea, en Iki (壱岐島), een eiland dat tussen Kyūshū en de eilanden van Tsushima ligt, onder de voet. Op 19 november bereikten ze de Hakata haven, gelegen op de kust van Kyūshū. De Mongolen gingen aan wal, en in geen tijd namen ze de havenstad Hakata in, maar werden onmiddellijk daarna aangevallen door samoerai. Aangezien de samoerai dit soort gevecht niet gewoon waren, waren ze geen partij voor de superieure Mongoolse oorlogsvoering. De Mongolen hadden superieure wapens en tactieken die de samoerai niet bekend waren. Hierdoor en doordat de Japanners niet in staat waren om leiding te geven aan zo'n grote troepenmacht (50000? geheel Kyushu was gemobiliseerd), boekten de Mongolen aanvankelijk veel vooruitgang.

De Mongolen maakten tijdens deze invasie ook handig gebruik van explosieven om de samoerai op een afstand te houden. Ze gebruikten ook effectief hun schilden en speren om de samoerai als een blok, zoals bij de Romeinse falanxen, af te weren. Hoewel de Mongolen snel grote vorderingen maakten, achtervolgden ze de vluchtende samoerai niet dieper het vasteland in, omdat hun kennis van het terrein tekort schoot, en omdat ze schrik hadden op troepenversterking te stoten. De Japanners blonken uit in het individuele gevecht, maar konden de Mongolen niet definitief verslaan, maar wisten hun wel zware klappen toe te brengen. Door zware verliezen, gebrek aan proviand, en rebellie onder de Koreaanse en Chinese hulptroepen, die het grootste deel uitmaakten van het leger, kwam de invasie in het gedrang. Uiteindelijk werd ze definitief een halt toegeroepen. Een zware storm, die één derde van de vloot vernielde, dwong de schepen huiswaarts te keren.

De slag van Kōan

Samoerai sluipen aan boord van een Mongools schip. Moko Shurai Ekotoba (蒙古襲来絵詞), circa 1293.

In 1275 en 1279 stuurden Kublai Khan weer gezanten naar het Japanse hof om overgave te eisen, maar dezen werden genadeloos geëxecuteerd. De Mongolen zouden sterker, en beter voorbereid terugkeren om eens en voor altijd de Japanners onder Mongools gezag te plaatsen. Ze waren niet de enigsten die voorbereidingen hadden getroffen. De Japanners hadden een verdedigingsmuur van wel twintig kilometer lang op de kust bij Hakata aangelegd. In Juni 1281(2) had Kublai een vloot van 900 Mongoolse schepen, onder leiding van een Mongoolse generaal Hong Da-gu, verzameld voor de kust van Korea. Bemand door 17000 matrozen, vervoerden ze 10000 Koreaanse soldaten, en 15000 Mongoolse. De hele vloot zou uit twee delen bestaan. Het tweede deel, geleid door de Chinese generaal Bom Mun-ho, bevond zich ten zuiden van de Yangtze rivier in China, en bestond uit 3500 schepen, en wel 100000 manschappen. Zoals tijdens de eerste invasie, werden de twee eilanden Iki en Tsushima al vlug onder de voet gelopen. De vloot die vanuit Korea vertrokken was, kwam op 21 Juni aan in de haven van Hakata, en besloot zonder de hulp van de tweede Chinese vloot door te gaan met de invasie van Japan. Hoewel ze landden op een korte afstand ten Noord-Oosten van de Japanse verdedigingsmuur, ontmoetten ze toch hevige weerstand van verdedigende samoerai die hun niet toe lieten voet aan wal te zetten. Wachtend op de tweede vloot, ankerden ze hun schepen voor de Japanse kust. De Mongoolse invasievloot werd 's nachts voortdurend geplaagd door boten met kleine groepjes samoerai die aan boord van de schepen slopen en nietsvermoedende strijders doodden, en even vlug als ze gekomen waren weer in de duisternis verdwenen. Hierdoor werden de Mongolen gedwongen zich terug te trekken naar het eiland Tsushima om daar te wachten op de tweede invasievloot. Daar vielen er ongeveer 3000 slachtoffers aan honger, hitte, en ziekte tijdens het wachten. Op 17 juli vervoegden de eerste schepen van de Chinese aanvalsvloot zich bij de rest, en op 12 augustus waren ze klaar om Japan aan te vallen. Met behulp van het enorme Chinese leger onder Bom Mun-Ho, maakten de invasietroepen grote vorderingen, en waren ze goed op weg Kyūshū te veroveren. Maar het noodlot sloeg toe, en er staken op 15 augustus hevige stormen op die de Mongoolse vloot zwaar beschadigden, en men werd gedwongen zich terug te trekken. Volgens de mythe, die de Japanners het liefst geloven, zouden niet meer dan 200 schepen de storm overleefd hebben, en tachtig percent van de invasietroepen zou verdronken, of afgeslacht zijn op het strand door de samoerai. Maar in de realiteit, was niet meer dan 15% van de schepen en soldaten het slachtoffer van de goddelijke winden geworden, en had men de storm zien aankomen. Men zou eerder uit veiligheidsoverwegingen terug naar de Koreaanse havens gevaren zijn. In "In little need of divine intervention", vertaald door Thomas D. Conlan, wordt het belang van de stormen herzien. Er wordt besproken dat de samoerai wel degelijk de Mongoolse troepen konden tegenhouden zonder de hulp van de Kamikaze.

Verdedigingsmuur op de kust van Hakata. Moko Shurai Ekotoba, (蒙古襲来絵詞), circa 1293.

Derde poging

Kublai begon met het verzamelen van troepen voor een derde invasiepoging in 1284. De manschappen deserteerden even vlug als ze verzameld werden. Een tekort aan fondsen, manschappen, en het feit dat de aanwezigheid van troepen elders nodig was gooiden roet in het eten.


Voor een lijst van keizers en regeerperiodes kan je 'hier' terecht.

Kamikaze

Raijin de dondergod. Door Tawaraya Sotatsu, schilder.

Kamikaze (神風), letterlijk vertaald: "goddelijke wind", was de benaming die werd gegeven aan de stormen die tot twee keer toe de Mongoolse inviasievloot vernietigende klappen toegebracht hadden. Velen geloofden dat het de dondergod Raijin was die de stormen zou hebben doen ontstaan, en zo Japan wou bechermen.(rai (雷, donder) en shin (神, god)) Rajin wordt vaak afgebeeld als een demoon die al spelend op een trom donder veroorzaakt.

Raijin staat ook bekend als:

  • Kaminari-sama: kaminari (雷, donder) and -sama (様, Japanse beleefdheidsvorm)
  • Raiden-sama: rai (雷, donder), den (電, bliksem), en -sama
  • Narukami: naru (鳴, donder) en kami (神, god)


Nichiren (日蓮), een Boeddhistische priester, had het hof, waaronder gepensionneerd keizer Kameyama (亀山天皇, Kameyama Tennō), gewaarschuwd dat een invasie op komst was. Kameyama zou toen onmiddellijk zijn gaan bidden zodat Japan gered kon worden. De goden aanhoorden zijn gebeden, en vernietigden de vijand.

Andere legendes beweren dan weer dat de Boeddhistische monnik Il Yun (一然) de invasievloot zag naderen en begon te zingen. Naarmate hij bleef zingen stak een storm op, die sterker werd, en de golven schudden de schepen hevig heen en weer tot ze braken, en zonken.

'Kamikaze tijdens WOII'

De naschokken

De Japanners troffen onmiddellijk voorbereidingen voor een mogelijke derde invasiepoging. Deze voorbereidingen waren uiteraard zeer kostelijk, en vraten een stuk weg van de Japanse schatkist. Het was ook de gewoonte dat het Bakufu de personen die zich verdienstelijk hadden gemaakt beloonden met grond en rijkdom, maar aangezien de voorbereidingen op een mogelijke derde inval, en de verdediging van de laatste twee invasies geen gebiedswinst of uitbreiding van de schatkist (integendeel, de staat was bijna blut) hadden opgeleverd, stonden zij voor een groot probleem. Het Bakufu kon zijn feodale plicht dus niet nakomen. De bushi (strijders) die het vaderland hadden beschermd, en zich tekort gedaan voelden, probeerden op eigen krachten hun beloning te verwerven via andere wegen. Dit bestond onder andere uit afpersing van boeren en annexatie van grond van publieke domeinen. Zij die erin slaagden van de oorlogsschade te herstellen, verwierven zo meteen een veel grotere onafhankelijkheid ten opzichte van het staatsorgaan. Zo ontpopten ze zich tot onafhankelijke landheren, die zeer autonoom te werk gingen, en zo de staatsstructuur ondermijnden. De Japanners, die individuele gevechten gewoon waren, hadden ook eindelijk kennisgemaakt met oorlogsvoering op een grotere schaal, maar hebben niets overgenomen van de nieuwe wapens en technologieën die ze zijn tegengekomen. De samoerai geloofden dat het niet het soort wapen was dat telde, maar hoe men ermee omging. Het afslaan van de Mongoolse invasies was ook het begin van een gevoel van eenheid onder het volk. Een gevoel van superioriteit tegenover de andere volkeren begon zich te manifesteren. De Mongoolse invasies lieten Japan in erbarmelijke staat achter. De Genkō oorlog (元弘の乱) zal uiteindelijk het einde van het Kamakura shogunaat betekenen.

De Mongolen hadden gezichtsverlies geleden door de gefaalde invasiepogingen. Ze waren niet meer de onoverwinbare Mongolen die men onder Dzjengis Khan zo vreesde. John Pearson, auteur van Qubilai Khan (2005), schreef dat Kublai Khan ook gedwongen werd om de munteenheid te devalueren, wat de inflatie alleen maar erger maakte. Hij probeerde dit tegen te werken door meer belastingen te heffen, en de ontevredenheid bij de onderdanen bleef groter worden. Kublai Khan, verbitterd, zwoor nog een derde poging te ondernemen, maar de droom om de oude Mongoolse glorie te doen herleven stierf samen met hem in 1294.


Voetnoten

  1. Het Bun'ei (文永) tijdperk duurde van 1264 to 1275. De keizers aan de macht tijdens deze periode waren Keizer Kameyama en Keizer Go-Uda.
  2. Het Kōan (弘安) tijdperk duurde van 1278 to 1288. Keizers aan de macht waren Keizer Go-Uda en Keizer Fushimi.

Actueel interactief

Van het oorlogsspel Shogun Total War, ontwikkeld door Creative Assembly en Activision, is er een uitbreiding op de markt gekomen namelijk "Shogun: Total War: Mongol Invasion". In deze uitbreiding wordt Japan binnengevallen door de Mongolen, en deze keer is er geen Kamikaze die de indringers naar huis stuurt. Het is jouw taak in dit spel Japan te vrijwaren van een Mongoolse overheersing.

Bronnen

Zie ook

Externe links

Cursussen

Willy Vande Walle, Hans Coppens, Geschiedenis van Japan voor 1868, Katholieke Universiteit Leuven, 2003

Boeken

  • In Little Need of Divine Intervention : Takezaki Suenaga's Scrolls of the Mongol Invasions of Japan translated by Thomas D. Conlan
  • Zen and the Samurai: Why Zen became associated with a warrior class George R. Parulski, Jr