Mongoolse invasie op Japan (元寇)
Uit GeschiedenisJapan
De invasie van Mongolië op Japan (元寇 Genkō) was een militaire campagne onder leiding van Kublai Khan, met als doel het Japanse archipel te veroveren. Na de mislukking van de eerste invasie (1274) werd een tweede poging (1281) ondernomen, wat leidde tot de stopzetting van de Mongoolse expansie. De invasie is een belangrijke gebeurtenis in de Japanse geschiedenis, omdat dit de eerste keer was dat Japan op het punt stond overgenomen te worden door een buitenlandse macht.
Inhoud |
De eerste invasie (1274)
Nadat verschillende delegaties naar Japan met ongewenst resultaat teruggekeerd waren, was Kublai Khan vastberaden Japan te veroveren. Hij gaf het bevel aan de Koning van Korea om hem een leger en een vloot te bouwen. Doordat Korea zo onderbemand was, en een zwaar tekort aan grondstoffen had, konden ze de eis niet tijdig beantwoorden. Toen in 1273 het eerst deel van het Mongoolse leger arriveerde, waren ze door de schaarste van voedsel, genoodzaakt terug te keren naar China. Na een jaar van uitstel, en het verzamelen en opslaan van voedsel en andere levensmiddelen, was het Mongoolse leger klaar voor de overtocht (november 1274). Het eerste doelwit waren de eilanden Tsushima en Iki, die zonder veel moeite veroverd werden. Nadien maakte de Mongoolse vloot koers naar de kustlijn van Kyūshū, waar het verschillende schepen uitstuurde naar Hirado en andere strategische locaties, terwijl de rest van de vloot koers zette naar de Baai van Hakozaki, waar ze ankerden nabij Hakata op 18 november 1274.
Het nieuws van de invasie op Tsushima kwam vlug aan de oren van de afgevaardigde van het Bakufu, die direct alarm sloeg en koeriers uitzond naar het hoofdkwartier. Het duurde niet lang voor strijders van over de hele Kyūshū-provincie gemobiliseerd werden, en op weg waren richting Hakata. Op 19 november zette het Mongoolse leger, met ondersteuning van de Mongoolse oorlogsschepen, de aanval in op de stad Hataka. Dazai[1] Shōni Tsunetsug, die instond voor de verdediging van het gebied, kwam direct in actie en viel de Mongoolse invasie-troepen aan. Ondanks de goede tactiek van de Japanse verdedigers, hadden de Mongolen al vlug de bovenhand. Ze kenden het voordeel van lange-afstandsprojectielen, kruisbogen, en de ervaring van verschillende veldslagen. Door deze handicappen, waren de Japanners genoodzaakt zich terug te trekken, en te wachtten op versterking. Die nacht kwam er een zware storm opzetten, en de Koreaanse schippers waarschuwden de Mongoolse generaals dat ze genoodzaakt waren de Japanse kust te verlaten, uit vrees voor te stranden met hun schip. Hierdoor zouden alle mogelijke ontsnappingsroutes van het Mongoolse invasieleger afgesneden worden. De storm kwam als een zegen voor de Japanse generaals, omdat ze nu de kans hadden om op bekend terrein oorlog te voeren, met weerscondities die het onmogelijk maakte voor de Mongolen voor lange-afstands projectielen of bogen te gebruiken. De Mongolen hadden weet van dit voordeel, en besloten de stad in brand te steken, en zich terug op zee te trekken. Tijdens deze terugtocht zijn bijna alle schepen gezonken, wat leidde tot een verlies van ongeveer 13.000 Mongoolse soldaten.
Japan na de eerste invasie.
Het nieuws van de overwinning bereikte het Kamakura Shōgunate (bakufu) in 1275, en hoewel deze tevreden waren met de overwinning, bleven ze op hun hoedde. Ze mobiliseerden alle beschikbare samoerai naar Kyūshū, en lieten defensieve bouwwerken bouwen op strategische plaatsen op mogelijke landingsplaatsen. Deze werden gebouwd over het hele westelijke deel van het eiland, inclusief bij de baai van Hakata. Er werden een kustwacht ingezet, die nauw in contact stond met het Bakufu, en waren verplicht te melden wanneer er schepen naderden.Na de mislukte invasie, stuurde Kublai Khan 5 gezanten (september 1275) naar de Kyūshū, met als opdracht het Bakufu tot overgave te overtuigen. Het gezantschap weigerde te vertrekken zonder antwoord, en werden gedood. Op 29 juli 1275 werd nog zo een gezantschap gestuurd, deze keer naar Hakata, met juist dezelfde opdracht. Ook deze werd gedood.
De tweede invasie (1281)
Kublai Khan, die zeer ontevreden was na de eerste invasie, gaf het bevel aan de Chinese Sung-generaals een leger samen te roepen. In 1281, marcheerden 50.000 Mongoolse soldaten, en 100.000 Chinese soldaten naar de Koreaanse kusten, klaar voor de overtoch naar Japan te maken. Het bevel tot aanval was op de 4e dag van het nieuwe jaar gegeven, maar door de grote aantallen van Chinese schepen en soldaten, weren ze pas klaar met de voorbereidingen in de zomer van 1281. De Koreaanse generaal, die al eerder uitgevaren was, wilde zijn macht tonen aan de Mongoolse generaals, en viel Tsushima aan. Het eiland was nu veel beter voorbereid, wat leidde tot serieuze verliezen en de terugtrekking van de Koreaanse vloot naar hun basis in Masampo, waar ze getroffen werden door een epidemie.
Op 10 juni zette de Koreaanse vloot koers naar het eilandje Iki, wat zonder veel moeite veroverd werd. Nu de eerste stap gezet was, waren de Japanse wateren open, en ging de vloot richting de kust van Chikuzen. Ze ankerden op verschillende strategisch bepaalde punten tussen Munakata en de baai van Hakozaki. Hun interesse ging vooral naar het uitstekende landstrook Shiga, die meer noordelijk gelegen was, en grensde aan het einde van de defensieve muur, aan de noordelijke flank van het Japanse leger. Ondertussen nam de Chinese vloot Hirado in, en zette direct koers verder richting Kyūshū. Hier stootte ze op de Japanse fortificaties. De Japanse troepen aan de muur waren zo goed georganiseerd, dat het invasieleger geen kans kreeg voor door te breken. Zo hebben de japanners de linie van Munakata tot diep in de Hizen provincie maar dan 7 weken in stand gehouden. Toen de maand augustus naderde, begon het weer om te slaan, en een serieuze orkaan raasde over de kusten van Kyūshū over een periode van 2 dagen. Uit vrees voor de orkaan, besloot de vloot zich terug te trekken, en liet de soldaten die te ver landinwaarts waren, achter. De terugtrekkende vloot werd getroffen door het hart van de storm, en zonk. De soldaten die achtergelaten waren, werden ofwel vermoord of gevangen genomen door de Japanse samoerai. De overwinning van Japan was nu compleet. Kublai Khan wou nog een derde invasie proberen, maar stuitte op luid protest van zijn soldaten, en zijn Koreaans gezag verbrokkelde.
Japan na de invasie
Economische crisis.
Uit vrees voor een derde aanval van het Mongoolse leger, bleven de Japanse generaals alert. Nieuwe defensieve bouwwerken werden opgetrokken rond mogelijke landingsplaatsen, en troepen bleven gemobiliseerd. Dit ging ten kostte van de Japanse schatkist, die na de tweede invasie zo goed als leeg was. Daarom besloot het bakufu nieuwe belastingen te heffen, wat een groot ongenoegen bracht bij de lagere klasse. De boeren en landheren leefden tijdens de invasies in grote armoede, door de reeds verhoogde belasting, die er gekomen was voor het onderhoud van de troepen. Hierdoor waren velen grondbezitters genoodzaakt zware leningen aan te gaan. Velen verloren hun geloof in de Kamakura bakufu.
Opstand bij de bushi.
Het ongenoegen groeide niet alleen bij de boeren, maar ook bij de bushi, die een beloning verwachten voor het uitschakelen van het Mongoolse leger. Door de schrale economische toestand, kon de bakufu geen gronden of eigendommen schenken ter compensatie. Dit en de verhoogde belasting leidde tot zwaar misnoegen onder de stijdersklasse. Vele bushi verwierpen de huidige bakufu, en werden rōnin (浪人).
Voetnoten
- ↑ The Dazai-fu was a regional government established by the Taihō codes for the administration of a special area compromising the provinces of Kyūshūand the islands of Tsushima and Iki. This area, while romote from the capital, was important for defence and was therefore placed under the rule of a high officer with something like vice-regal powers, both civil and military. Ranking next to him were officers styled Daini and Shōni, titles which may be translated as Senior and Junior Assistant. The post of Shōni became hereditary in a minor branch of the Fujiware named Muto, which in course of time began to use the title as a surname. When Yoritomo came into power he sent his own Western Defence Commissioner (Chinzei Bugyō) to perform the militaryfunctions of the Dazai-fu, which thereafter lost its main purpose and survived only as a name. But as the Shōni family had acquired great influence in Kyūshū its head was usually given important military posts in the defence area. (Uit: Sansom, George, A history of Japan to 1334, California, Stanford University Press, 1978)
Bronnen
Boeken
- Sansom, George, A history of Japan to 1334, California, Stanford University Press, 1978
- Vande Walle, Willy, Een geschiedenis van Japan, van samurai tot soft power, Leuven, Acco, 2007



