Militarisering van het platteland
Uit GeschiedenisJapan
Drie fenomenen hebben een belangrijke rol gespeeld in de militarisering van de provinciën: de vorming van zaichō kanjin 在庁官人, de willekeur van de zuryō 受領, en de "afwezige gouverneur" (yōnin 遥任).
Zaichō kanjin en zuryō.
Een militaire aristocratie als de voornaamste pijler van het bestuur van het platteland was niet voorzien in de Ritsuryō. De hoofdstedelijke aristocratie liet echter geleidelijk haar greep op de provinciën verslappen. Bestuur over een rijksgebied liet haar koud en zij verkoos (privé-) bezit over zijn samenstellende delen. Dit betekende niet dat alle publieke land verdween, maar binnen elke provincie werden grote brokken land privé-bezit. Het hele land vertoonde zo de aanblik van een mozaïek van publieke domeinen (kokugaryō 国衙領) en privé-domeinen (shōen), onder het gezag van resp. gouverneurs en landeigenaars, die alle in de aristocratische en religieuze elite van de hoofdstad te vinden waren. Aan de top van het bezit waren er dus alleen edelen en hoge clerus. Privatisering van land verzekerde een grotere stroom van inkomsten dan het publieke ambt hen kon bieden.
Aangezien de aristocratische eigenaars in de hoofdstad verbleven, dienden zij hun bezittingen te laten besturen door plaatselijke ambtenaren. Zaichō kanjin 在庁官人 was de naam die gegeven werd aan de plaatselijke ambtenaren in dienst van het provinciale gouvernement (kokuga 国衙). De functie van gouverneur was in de tijd beperkt, maar de functies van de plaatselijke ambtenaren werden geleidelijk erfelijk. Hoewel zij uitgebreide bevoegdheden op het vlak van belastinginning en politiecontrole kregen, bleven zij voor hun promoties en verlenging van mandaten afhankelijk van de centrale elite. Er tekende zich dus een diepgaande scheiding af tussen bezit en beheer, gezag en macht. Bezit en gezag waren het monopolie van de hoofdstedelijke elite, beheer en macht berustten bij de plaatselijke leiders. Hieruit groeide een duurzame dyarchie, en het duurde bijzonder lang vooraleer de militaire elite werkelijk haar eigen gang ging. De hiërarchie, waarin het centrum de provinciën domineerde, was zo diep ingeworteld, dat de krijgerselite een parallel machtscentrum diende te bouwen om haar reële militaire macht ook in politieke om te zetten en zelfs dan, bleef de keizerlijke bureaucratie overeind en bleef ze het formele kader waarin het militaire bestuur, het Bakufu 幕府 opereerde. Het is pas met de val van het Kamakura-Bakufu dat het Heian-patroon van politiek bestuur ten einde komt.
Omdat de provinciën wegdreven van de centrale controle viel het feitelijke leiderschap dus in handen van de plaatselijke elite. Zij putte haar gezag echter uit haar oude stamboom die haar afstamming terugvoerde tot de hoofdstedelijke elite. Zo bleef er een zekere band tussen de provinciën en het centrum. Dank zij haar traditionele gezag als provinciale ambtenaar kon zij bovendien de kern worden van tō die uit gōzoku waren samengesteld. Dank zij deze milities konden de voormalige kokushi hun controle en uitpersing van de omliggende boeren versterken, weerstand bieden aan de controle van kokushi en gunji en uiteraard de confrontatie aangaan met rivaliserende milities. Het prototype van die milities was te vinden in de milities die de kokushi zelf erop nahielden. De tō waren ook de oorzaak van de toenemende onveiligheid in hoofdstad en provinciën.
Een bijzondere rol in dit opzicht speelden de zuryō 受領. Dit waren carrièregouverneurs, die van provincie naar provincie werden gestuurd om voor hun opdrachtgever, de Fujiwara of een teruggetreden keizer, orde op zaken te gaan stellen. Zij werden uit de Taira of Minamoto gerekruteerd, en werden aan het hoofd van een of meerdere provincies (chigyōkoku 知行国, genaamd) gesteld.
Krijgersbenden.
De shōen had weliswaar fiscale immuniteit verworven, maar de boeren (shōmin) bleven wettelijk onderdanen van de troon en waren dus corvee verschuldigd, in theorie aan de troon, in praktijk aan haar provinciale vertegenwoordigers, d.w.z. de gouverneur en diens ambtenaren. Omdat het publieke land steeds verder aangevreten werd door de shōen, stelde de provinciale administratie alles in het werk om het verloren gegane land terug te winnen en de shōmin op te vorderen voor corvee, dus weer kōmin te maken. Dit stuitte op heftige weerstand van de shōen-beheerder en zijn medewerkers. Het wederzijdse antagonisme nam gestadig toe tot het in het midden van de tiende eeuw regelmatig tot gewelddadige botsingen kwam. Benden boeren (hyakushō 百姓), d.w.z. myōshu, bestormden o.l.v. gunji (commanderiebeambten) de zetel van de provinciale administratie (kokuga).
Het meest bekende incident in dit verband is dat, waarbij commanderie-ambtenaren en boeren in de provincie Owari 尾張, drie jaar lang een actie voeren tegen de gouverneur Fujiwara no Motonaga 藤原元命, en zijn onderdrukking en uitbuiting aan de kaak stellen. Als gevolg van het aanhoudend verzet onder de shōkan-klasse en boerenklasse tegen de provinciale administratie verkregen de shōen vanaf de elfde eeuw het voorrecht van onschendbaarheid (funyū), hetgeen betekende dat de provinciale ambtenaren niet langer de shōen konden betreden om inspectie uit te voeren en corvee op te leggen aan de boeren. Eens het zover was, had de shōen een virtuele autonomie t.o.v. de centrale regering. Ironisch is wel dat de onschendbaarheid hen werd verleend door de hoogste centrale bureaucratie.
De sterken onder de shōkan-klasse en myōshu-klasse waren dus in een voortdurende strijd gewikkeld, tegen de provinciale autoriteiten en ook onderling, zodat ze in toenemende mate gemilitariseerd werden. Ze organiseerden de eigen clanleden en hun onderdanen (kleine myōshu en slaven) in gewapende milities (rōdō 郎等). Op die manier groeiden ze uit tot lokale, en later regionale landheren (ryōshu).
Het publieke land dat overbleef en dus onder controle stond van de provinciale administratie (kokugaryō) maakte een gelijkaardige evolutie mee. Het verwerd ook tot een soort shōen. De provinciale ambtenaren waren niet langer het uitvoerende orgaan van het centrale gezag, maar de plaatselijke beheerders van het domein waar de regering de beschermer (honjo) van was. De hoogste ambtenaar, de gouverneur (kami 長官) bleef trouwens permanent in de hoofdstad (yōnin, lett. benoeming van verre) en bestuurde zijn domein via gevolmachtigden (mokudai 目代 of rusudokorodai 留守所代, genaamd). Van de inkomsten uit zijn domein (provincie) kon de gouverneur een comfortabel en verfijnd leven leiden in de hoofdstad. De gevolmachtigden waren dan plaatselijke landedelen of leden van de centrale aristocratie, maar dan van middenniveau en lager. Zij leidden de provinciale administratie ter plaatse en vestigden zich permanent in de provinciën. En net zoals de beheerders evolueerden ze tot echte militaire landheren. Meer zelfs, ze hadden meestal nog grotere gebieden onder hun bestuur, en waren toch nog altijd bekleed met het gezag van de provinciale ambtenaar. Het is dan ook uit deze klasse dat de grote leiders van de benden krijgers (bushi) voortkomen. De machtigsten waren de Taira-clan en de Minamoto-clan.
Deze twee machtige bushi-clans hadden een merkwaardige ontstaansgeschiedenis. In de Nara-periode was het hof voortdurend verscheurd door interne rivaliteit en twisten tussen de vele prinsen van keizerlijken bloede die elk de troon voor zich opeisten. Om dit tegen te gaan had men het gebruik geïntroduceerd om overtollige leden van de keizerlijke familie te degraderen tot onderdanen en hun familienamen te geven. Volgens dit precedent had een nakomeling van keizer Kanmu, prins Takamochi, in 889 de familienaam Taira gekregen, en was als vice-gouverneur van Kazusa zich gaan vestigen in het gebied. Zijn nakomelingen groeiden uit tot een machtige bushi-clan in het Kantō-gebied. De Minamoto stamden af van keizer Seiwa. De clan ging terug op Minamoto no Mitsunaka die in de tweede helft van de tiende eeuw gouverneur van de province Settsu 摂津 werd. Zij groeiden eerst uit tot een machtige bushi-clan in het Kinai-gebied. In de eerste helft van de elfde eeuw breidden zij hun macht ook uit tot de Kantō-regio en maakten zelfs de Taira tot hun vazallen. Maar van de weeromstuit kwam de Taira-clan van Ise tot grote macht in West-Japan en verdrong de Minamoto.

